Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:8516

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
200.354.296
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:449 lid 2 BWArt. 1:432 lid 1 BWArt. 1:432 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afwijzing verzoek opheffing onderbewindstelling wegens noodzaak bewind

Op 17 juni 2024 stelde de kantonrechter in de rechtbank Gelderland een bewind in over de goederen van de rechthebbende vanwege haar geestelijke of lichamelijke toestand. De bewindvoerders werden toen aangesteld om haar financiële belangen te behartigen.

De rechthebbende verzocht op 3 maart 2025 bij de kantonrechter om opheffing van het bewind, stellende dat zij cognitief in staat is haar eigen belangen te behartigen en dat het bewind niet langer noodzakelijk is. Zij wilde zonder bewind verder en gaf aan binnenkort naar Istanbul te vertrekken om bij haar vriend, een orthopedisch chirurg, te gaan wonen.

De kantonrechter wees dit verzoek af, waarna de rechthebbende in hoger beroep ging. Het hof ontving stukken van beide partijen en hield op 28 november 2025 een zitting waar de rechthebbende en haar advocaat aanwezig waren.

Het hof oordeelde dat het bewind nog steeds noodzakelijk is. De rechthebbende had schulden en een betalingsregeling via de bewindvoerders. Er was risico op nieuwe schulden bij beëindiging van het bewind. Ook gaf zij regelmatig geld aan haar vriend, waardoor haar eigen leefgeld tekortschiet. Haar stellingen waren onvoldoende onderbouwd en inconsistent. Daarom bekrachtigde het hof de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek tot opheffing af.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot opheffing van het bewind af en bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.354.296
(zaaknummer rechtbank Gelderland 11414051)
beschikking van 23 december 2025
in de zaak van
[rechthebbende](de rechthebbende),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. C.L. Berkel,
en
[bewindvoerder1]en,
[bewindvoerder2],
handelend onder de naam: [de bewindvoerders](de bewindvoerders),
die zijn gevestigd in Apeldoorn,
en
[dochter](de dochter),
die woont in [woonplaats2] ,
belanghebbende in hoger beroep.

1.Samenvatting

De kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft op 3 maart 2025 het verzoek van rechthebbende tot opheffing van het bewind afgewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven legt hierna uit waarom.

2.De feiten

Op 17 juni 2024 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland een bewind ingesteld over de goederen van rechthebbende als gevolg van haar geestelijke of lichamelijke toestand
.[bewindvoerder1] en [bewindvoerder2] zijn toen aangesteld als bewindvoerders.

3.De procedure bij de kantonrechter

De rechthebbende heeft de kantonrechter verzocht om opheffing van het bewind. De kantonrechter heeft in de beslissing van 3 maart 2025 dit verzoek afgewezen.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De rechthebbende is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kantonrechter ongedaan maakt en alsnog het bewind opheft.
4.2.
De bewindvoerders voeren aan dat het bewind nog noodzakelijk is en willen dat de beslissing van de kantonrechter in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ingekomen op 6 mei 2025;
  • een brief van de bewindvoerders van 4 augustus 2025, met producties;
  • een bericht namens de rechthebbende van 16 november 2025, met producties.
4.4.
De zitting bij het hof was op 28 november 2025. De rechthebbende was samen met haar advocaat daarbij aanwezig.

5.Het oordeel van het hof

Wat in de wet staat
5.1.
Op grond van artikel 1:449 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, als de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 lid 1 en Pro 2 BW. De kantonrechter kan ook ambtshalve het bewind opheffen.
De standpunten van de rechthebbende en van de bewindvoerders
5.2.
De rechthebbende voert aan dat de onderbewindstelling is uitgesproken op basis van een aanvraag waar zij niet bij betrokken is. In het kader van het regelen van een woonvoorziening is verzocht om haar onder bewind te stellen. Zij zou het aanvraagformulier niet hebben ingevuld en ondertekend. De rechthebbende is cognitief goed in staat om op te komen voor haar eigen belangen en beslissingen te nemen. Zij wil dit zonder last en hinder van anderen doen. De bewindvoerders betalen af op een schuld aan Topparken waar zij het niet mee eens is. Bovendien wil zij op 17 december 2025 naar Istanbul (Turkije) vertrekken om bij haar vriend [naam] te gaan samenwonen. Die vriend is orthopedisch chirurg in Istanbul. Er is volgens haar sprake van een liefdesverhouding. Hij zal dan met haar trouwen, voor haar zorgen en zij zal dan voor zijn zoon gaan zorgen. Een e-mail van haar vriend heeft zij als productie 22 overgelegd. Daarom is er geen noodzaak meer tot voortzetting van het bewind.
5.3.
De bewindvoerders voeren aan dat het bewind nog steeds noodzakelijk is. De rechthebbende is tweemaal met problemen uit woningen gezet. Bij beëindiging van het bewind loopt zij het risico voor de derde keer een woning te moeten verlaten en weer op straat komen te staan. De bewindvoerders hebben met betrekking tot de schuld aan Topparken de dagvaarding en facturen opgevraagd bij de deurwaarder en op basis daarvan zijn zij begonnen met het aflossen van de schuld. De rechthebbende vraagt regelmatig geld voor haar vriend, een Turkse chirurg die nu in het oorlogsgebied rond Damascus zou werken en die geld nodig zou hebben om als arts uit een oorlogsgebied weg te komen. Ook wil ze kosten voor die vriend betalen, zoals vliegtickets en hotels, maar ook voor zijn zoon. De bewindvoerders denken dat sprake is van oplichting. Het bewind blijft noodzakelijk om de rechthebbende te beschermen.
Het oordeel van het hof
5.4.
Het hof is net als de kantonrechter van oordeel dat de noodzaak voor het bewind nog steeds aanwezig is. Het hof zal de beschikking van de kantonrechter daarom bekrachtigen.
5.5.
In 2024 is door de kantonrechter voor de tweede keer een onderbewindstelling uitgesproken voor de rechthebbende vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand. Zij had schulden bij de Belastingdienst, het Zilveren Kruis en Topparken en had geen woning. De rechthebbende beschikt inmiddels over een zelfstandige woonruimte en op haar schulden wordt afgelost via een betalingsregeling, die door de bewindvoerders is getroffen. Hoewel de rechthebbende de vordering van Topparken voor achterstallige huur van een chalet betwist, heeft zij niet onderbouwd waarom de vordering onrechtmatig zou zijn. Als het bewind zou worden beëindigd, bestaat het risico dat de betalingsregeling niet wordt nagekomen, waardoor nieuwe schulden ontstaan. Ook is gebleken, en heeft de rechthebbende dit ook op de zitting verteld, dat zij regelmatig een deel van haar leefgeld aan haar vriend [naam] geeft, waardoor zij zelf geen boodschappen kan doen en de bewindvoerders om meer geld moet vragen om eten te kunnen kopen. De rechthebbende heeft haar stelling dat de noodzaak voor bewind niet langer bestaat en dat zij haar financiële belangen zelf voldoende kan behartigen volstrekt niet onderbouwd. Dat zij naar eigen zeggen binnenkort naar Istanbul vertrekt om bij haar vriend [naam] te gaan wonen, maakt dit niet anders. Het hof heeft bovendien op de mondelinge behandeling waargenomen dat de rechthebbende naar mate de mondelinge behandeling langer duurde, minder consistent, minder feitelijk en meer in algemeenheden ging verklaren. Feitelijke vragen over haar vriend [naam] kon zij niet beantwoorden. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het bewind nog steeds noodzakelijk is en dat het bewind zinvol is gebleken. Het hof wijst daarom het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van de onderbewindstelling af.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 3 maart 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os - ten Have, M.H.F. van Vugt en
C.M. Schönhagen, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.