ECLI:NL:GHARL:2025:8521

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
200.356.566
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake zorgregeling en hoofdverblijfplaats van minderjarigen

In deze zaak gaat het om een hoger beroep betreffende de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van twee minderjarigen, [de minderjarige1] en [de minderjarige2], van wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. De moeder, verzoekster in hoger beroep, is het niet eens met de beslissing van de rechtbank Gelderland van 31 maart 2025, waarin een zorgregeling is vastgesteld die de kinderen om de week bij de ouders laat verblijven. De moeder verzoekt het hof om de zorgregeling tijdens de kerstvakantie en de zomervakantie te wijzigen, evenals de hoofdverblijfplaats van de kinderen. De vader en de gecertificeerde instelling, Stichting Jeugdbescherming Gelderland, verzetten zich tegen de verzoeken van de moeder. Tijdens de mondelinge behandeling op 25 november 2025 zijn de zorgen van de moeder over het gedrag van de kinderen besproken, evenals de noodzaak van opvoedondersteuning. Het hof heeft de bestreden beschikking gedeeltelijk vernietigd en de zorgregeling tijdens de zomervakantie gewijzigd, waarbij de kinderen tot de leeftijd van zeven jaar een andere regeling krijgen. De hoofdverblijfplaats van de kinderen blijft ongewijzigd. De beslissing van het hof is op 23 december 2025 uitgesproken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.566
(zaaknummers rechtbank Gelderland 447537 en 445759)
beschikking van 23 december 2025
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M. Nentjes,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats1] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. S.P. ter Linden,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Arnhem,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 31 maart 2025. Deze beschikking wordt verder ook genoemd: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 30 juni 2025;
- het verweerschrift van de vader;
- het verweerschrift van de GI, met producties;
- een bericht van de GI van 9 oktober 2025, met productie;
- een journaalbericht namens de vader van 18 november 2025, met productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 25 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
Namens de raad voor de kinderbescherming was, met bericht vooraf, niemand aanwezig.

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2019, en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2023,
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
3.2
De kinderen zijn onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is voor het laatst verlengd bij beschikking van de kinderrechter van 11 juni 2025 tot 19 december 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI laten weten dat zij de kinderrechter inmiddels heeft verzocht om de ondertoezichtstelling met een half jaar te verlengen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen de ouders is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in geschil (hierna ook: de zorgregeling), en daarnaast de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] .
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang,:
- de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] bij de moeder en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] bij de vader vastgesteld;
- als zorgregeling voor de kinderen een ‘week-om-week-zorgverdeling’ vastgesteld tussen beide ouders, die in het begin begeleid zal worden door de inzet van opvoedondersteuning vanuit [naam1] en gemonitord zal worden binnen de ondertoezichtstelling;
- over de zorgregeling tijdens
de kerstvakantiebepaald dat de reguliere zorgregeling gewoon doorloopt en de feestdagen (25 en 26 december en 31 december en 1 januari) worden opgedeeld;
- over de zorgregeling tijdens
de zomervakantiebepaald dat de zomervakantie gelijkelijk wordt verdeeld in drie om drie weken. Daarbij geldt dat de kinderen in de oneven jaren de eerste drie weken van de zomervakantie bij de moeder zijn en de laatste drie weken bij de vader en in de even jaren andersom, alsook dat contactmomenten hetzelfde blijven als de reguliere zorgregeling.
Deze beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.
4.2
De moeder is het niet eens met die beslissing en is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de reguliere zorgregeling, de zorgregeling tijdens de zomervakantie, de zorgregeling tijdens de kerstdagen en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] te vernietigen en te bepalen dat:
- de kinderen eens in de veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school bij vader verblijven en de andere week van maandag uit school tot woensdag naar school;
- de hoofdverblijfplaats van beide kinderen bij moeder zal zijn;
- over
de kerstvakantie: de kinderen in de oneven jaren van 25 december (eerste kerstdag) om 10:00 uur tot 26 december (tweede kerstdag) om 10:00 uur bij de moeder zijn en van 26 december (tweede kerstdag) om 10:00 uur tot 27 december om 10:00 uur bij de vader en in het even jaar andersom;
- over
de zomervakantiedat de kinderen de eerste twee weken van iedere zomervakantie bij de vader zijn, dan een week bij de moeder, dan een week bij de vader en de laatste twee weken bij de moeder.
4.3
De vader voert verweer en vraagt het hof de verzoeken van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De GI voert verweer en vraagt het hof de verzoeken van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.
De zorgregeling
De reguliere zorgregeling
5.2
Als reguliere zorgregeling is in de bestreden beschikking een zogenoemde week-om-week-zorgverdeling vastgesteld. Het hof ziet geen aanleiding om een andere reguliere zorgregeling vast te stellen. Deze beslissing van de rechtbank zal dan ook in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof vindt dat de rechtbank die beslissing goed heeft uitgelegd en het hof neemt die uitleg daarom na eigen onderzoek over. Het hof vult die uitleg hieronder nog aan.
5.3
Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat de moeder zorgen heeft over het gedrag dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] [sinds] 2025 (de bestreden beschikking) in de eerste dagen van de week dat zij bij de moeder zijn, laten zien. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder deze zorgen benoemd en geconcretiseerd, zoals het angstvallig vastklampen van de kinderen aan de moeder. Wat het hof echter opvalt is dat deze zorgen niet uit de stukken blijken, zoals de gegevens van school en terugkoppeling van [naam1] . Dat heeft de moeder beaamd. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat het gedrag van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] door de hulpverleners en de GI mogelijk anders wordt gekwalificeerd dan door de moeder. Voor het hof is het duidelijk is dat de moeder zich, mede als gevolg daarvan, onvoldoende gehoord voelt. Van belang is dat hier aandacht voor is en dat de moeder serieus wordt genomen in haar zorgen. In dat kader heeft de GI tijdens de mondelinge behandeling benadrukt dat zij de moeder gelooft, maar dat de GI de signalen anders duidt. Het kan bijvoorbeeld verband houden met de verschillende opvoedstijlen van de ouders, en de wisselingen daartussen. Daarnaast is besproken dat [naam1] de moeder gaan begeleiden bij het ondersteunen van de [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en dat gekeken wordt naar eventueel andere passende hulpverlening voor de moeder en kinderen.
De zorgregeling tijdens de zomervakantie
5.4
Over de zorgregeling tijdens de zomervakantie is in de bestreden beschikking bepaald dat de zomervakantie gelijkelijk wordt verdeeld in drie om drie weken.
Tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over deze verdeling. Het hof is het met de moeder eens dat drie weken, gelet op de nog jonge leeftijd van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , best een lange periode is om een van hun ouders niet te zien. Op dit moment zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] er in het kader van de reguliere zorgregeling aan gewend om hun ouders om de week te zien, zodat de door de moeder verzochte verdeling, waarbij de kinderen een van de ouders maximaal twee weken zullen moeten missen, naar verwachting beter te overzien zal zijn voor de nog jonge kinderen. Het hof vindt het dan ook in het belang van de kinderen om een andere zorgregeling tijdens de zomervakantie vastleggen dan die in de bestreden beschikking is bepaald en zal daarbij aansluiten bij de door de moeder verzochte regeling. Dat de vader zoals hij tijdens de mondelinge behandeling heeft laten weten, in de zomer tweeëneenhalve week aansluitend weg wil met de kinderen, maakt het voorgaande niet anders.
Wel is tijdens de mondelinge behandeling gesproken over het verbinden van een leeftijdsgrens aan de door de moeder verzochte regeling, opdat de ouders, als de kinderen wat ouder zijn, de mogelijkheid hebben om langer met de kinderen met vakantie te gaan.
5.5
Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling tijdens de zomervakantie niet in stand laten (vernietigen) en de door de moeder verzochte wijziging van de zorgregeling tijdens de zomervakantie toewijzen (dus: ‘twee-één-één-twee’ weken), met dien verstande dat het hof zal bepalen die regeling geldt totdat [de minderjarige2] zeven jaar is en dat vanaf het moment dat [de minderjarige2] zeven jaar is (2030) een zorgregeling zal gelden waarbij de kinderen tijdens de zomervakantie drie weken bij de ene en drie weken bij de andere ouder zullen verblijven.
De zorgregeling tijdens de kerstvakantie
5.6
Over de zorgregeling tijdens de kerstvakantie is in de bestreden beschikking bepaald dat de reguliere zorgregeling gewoon doorloopt en de feestdagen (25 en 26 december en 31 december en 1 januari) worden opgedeeld. Het hof ziet in wat de moeder heeft aangedragen op dit moment geen aanleiding om een andere zorgregeling tijdens de kerst vast te stellen, zodat die beslissing van de rechtbank in stand zal blijven (worden bekrachtigd). De kinderen zijn vooral gebaat bij rust.
Daarbij merkt hof het volgende op. Het hof is het met de moeder eens dat het, ook voor de binding met de familie, fijn is voor de kinderen om bij elke ouder een gedeelte van de kerstdagen te kunnen doorbrengen. Positief is dat ook dat de ouders tijdens de mondelinge behandeling hebben laten weten dat zij het belang van een wisseling (eerder) op tweede kerstdag inzien, zodat de kinderen op tweede kerstdag ook met de andere ouder nog wat tijd hebben om kerst te vieren. Gebleken is dat de ouders in dat kader voor komend jaar hebben afgesproken dat de wisseling op tweede kerstdag (ruim) voor het avondeten zal plaatsvinden.
5.7
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof het volgende op. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI laten weten dat de ouders op dit moment onder begeleiding van [naam1] in gesprek zijn over het moment van de overgang van de verantwoordelijkheid voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op de overgangsdagen en het maken van een ouderschapsplan. Het hof vindt het positief dat de ouders in dat kader samen proberen tot overeenstemming te komen en benadrukt dat het ouders vrij staat om samen afspraken te maken die afwijken van de door de rechtbank en/of het hof vastgelegde verdeling.
De hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2]
5.8
Omdat de reguliere zorgregeling ongewijzigd blijft en wat de moeder stelt over de overstijgende kosten veeleer ziet op de inschrijving van [de minderjarige2] in de Basisregistratie Personen (BRP), ziet het hof in hetgeen de moeder aandraagt geen aanleiding om anders te oordelen over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] . Het hof zal de beslissing van de rechtbank over het hoofdverblijf van [de minderjarige2] dan ook in stand laten (bekrachtigen).

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 31 maart 2025, ten aanzien van de daarin opgenomen zorgregeling tijdens de zomervakantie, en in zoverre opnieuw beschikkende:
stelt als regeling voor de verdeling van zorg- en opvoedingstaken tijdens de zomervakantie met betrekking tot de kinderen vast:
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven totdat [de minderjarige2] zeven jaar is tijdens de zomervakantie de eerste twee weken bij de vader, dan een week bij de moeder, dan een week bij de vader en de laatste twee weken bij de moeder;
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven vanaf het moment dat [de minderjarige2] zeven jaar is tijdens de zomervakantie in de oneven jaren de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader en in de even jaren andersom;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 31 maart 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, P.B. Kamminga en D.J.I Kroezen, bijgestaan door M.A. Mertens als griffier, en is op 23 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.