In deze zaak heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, op 3 oktober 2025 een machtiging verleend voor de uithuisplaatsing van het kind [naam1] tot 12 februari 2026. De moeder, die het niet eens is met deze beslissing, heeft hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof heeft op 23 december 2025 de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd, omdat de moeder zich niet aan afspraken met de hulpverlening houdt en er onvoldoende zicht is op haar opvoedvaardigheden. De moeder heeft een verleden van persoonlijke problematiek en heeft meerdere hulpverleningstrajecten niet succesvol doorlopen. Het hof oordeelt dat de belangen van [naam1] voorop staan en dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk blijft. De moeder heeft tijdens de zitting aangegeven open te staan voor een verblijf in een moeder- en kindhuis, maar het hof benadrukt dat er eerst zicht moet komen op haar opvoedvaardigheden voordat dit kan plaatsvinden. De beslissing van het hof houdt in dat de moeder niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van de kinderrechter, en dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt bekrachtigd.