De kinderrechter heeft een machtiging verleend voor de uithuisplaatsing van een jong kind tot 12 februari 2026. De moeder is het hier niet mee eens en gaat in hoger beroep, maar trekt haar verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid in.
Het hof heeft de stukken bestudeerd en concludeert dat de machtiging terecht is verleend. De moeder kampt met emotionele problematiek en heeft een turbulente relatie met haar moeder, wat de opvoedsituatie bemoeilijkt. Diverse hulpverleningstrajecten zijn voortijdig beëindigd vanwege het niet nakomen van afspraken door de moeder en haar beperkte medewerking.
Hoewel de moeder aangeeft open te staan voor een verblijf in een moeder- en kindhuis, is het hof van oordeel dat eerst via een gezamenlijke zorggroep zicht moet komen op haar opvoedvaardigheden. De machtiging tot uithuisplaatsing blijft daarom noodzakelijk om de veiligheid en verzorging van het kind te waarborgen.
Het hof verklaart het verzoek tot schorsing niet-ontvankelijk, bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter en wijst verdere verzoeken af.