ECLI:NL:GHARL:2025:8595

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
21-003203-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak in hoger beroep voor aanranding en bedreiging met verkrachting

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 24 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland. De verdachte, geboren in 2000, was eerder veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf voor aanranding en bedreiging met verkrachting. De verdediging heeft hoger beroep ingesteld, waarbij de raadsman aanvoerde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege een schending van het recht op een eerlijk proces door een te lange tijd tussen aangifte en verhoor van de verdachte. Het hof oordeelde dat, hoewel er sprake was van een tijdsverloop, dit niet leidde tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Tijdens de zitting op 12 december 2025 heeft het hof de zaak opnieuw onderzocht. De advocaat-generaal heeft gepleit voor bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten, terwijl de verdediging heeft verzocht om vrijspraak, stellende dat de verklaringen van de aangeefster onvoldoende betrouwbaar waren en het onderzoek onvolledig. Het hof heeft vastgesteld dat er een DNA-mengprofiel was aangetroffen, maar dat het opsporingsonderzoek in relevante opzichten onvolledig was. Dit leidde tot de conclusie dat het hof niet de overtuiging had gekregen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten had begaan. Daarom sprak het hof de verdachte vrij van de beschuldigingen.

Daarnaast werd de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij afgewezen, omdat de verdachte niet schuldig was bevonden aan de feiten die de schade zouden hebben veroorzaakt. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding, waarbij beide partijen hun eigen kosten moesten dragen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003203-24
Uitspraakdatum: 24 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 15 juli 2024 met parketnummer 16-317244-22 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 december 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.H.H. Meulemeesters, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft bij vonnis van 15 juli 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van één jaar en een taakstraf voor de duur van 100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor, kort gezegd, aanranding en bedreiging met verkrachting.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 13 november 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] , door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door
- het onverhoeds betasten/bevoelen van de billen van een persoon genaamd [slachtoffer] en/of
- door op die [slachtoffer] te gaan zitten en/of door die [slachtoffer] bij de keel en/of schouders en/of hoofd te pakken, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen,
te weten het betasten/bevoelen van de billen en/of het (tong)zoenen van die [slachtoffer] ;
2.hij op of omstreeks 13 november 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] [slachtoffer] heeft bedreigd met - verkrachting, en/of - enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of - gijzeling, en/of - zware mishandeling,
door op die [slachtoffer] te gaan zitten en/of
- door de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen, althans door die [slachtoffer] bij de keel vast te grijpen en/of
- door die [slachtoffer] klem te zetten met zijn benen zodat die [slachtoffer] niet weg kon komen en/of
- door tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze naar hem, verdachte moest luisteren anders zou hij haar pijn doen en geweld gebruiken, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of
- door tegen die [slachtoffer] te zeggen "Ik wil dat je mij pijpt dan mag je naar huis" en/of "We gaan nu seks hebben en je gaat meewerken of we gaan het tegen je zin doen, anders ga je pijn krijgen", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu het recht op een eerlijk proces is geschonden. De raadsman heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat er sprake is van een tijdsverloop van bijna twee jaar tussen de aangifte en het eerste verhoor van verdachte. De verdediging heeft daardoor niet de gelegenheid gehad om al haar verdedigingsrechten naar behoren uit te oefenen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Voorop wordt gesteld dat volgens vaste rechtspraak overschrijding van de redelijke termijn niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging kan leiden, ook niet in uitzonderlijke gevallen.
Door de raadsman is echter betoogd dat als gevolg van de termijnoverschrijding het recht op een eerlijk proces is geschonden.
Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan als rechtsgevolg in beeld komen
het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair.”
In de onderhavige zaak heeft [slachtoffer] op 3 december 2020 aangifte gedaan. Verdachte is vervolgens pas op 9 september 2022, dus bijna twee jaar later, door de politie aangehouden en verhoord. Ontegenzeggelijk is dit van invloed geweest op de mogelijkheden van de verdediging haar verdedigingsrechten ten volle uit te oefenen. Het hof zal hier bij de waardering van het bewijs rekening houden. Het hof komt echter niet tot het verstrekkend oordeel dat het proces in zijn geheel niet eerlijk is geweest. De verdediging is immers in de gelegenheid gesteld getuigen te ondervragen en kritische kanttekeningen te plaatsen bij het bewijs. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wordt dan ook verworpen.

Vrijspraak

Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde nu de verklaringen van aangeefster onvoldoende betrouwbaar zijn en het onderzoek door de politie onvolledig is geweest.
Oordeel van het hof
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Op grond van de uitkomst van het DNA-onderzoek acht het hof de verdenking jegens verdachte op zichzelf gerechtvaardigd. Er is immers een DNA-mengprofiel in de broek van aangeefster aangetroffen waarbij het extreem veel waarschijnlijker is dat verdachte één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is. Niettemin is het hof van oordeel dat het opsporingsonderzoek in relevante opzichten onvolledig is gebleven, waardoor het hof onvoldoende kan vaststellen wat er precies is gebeurd.
Verdachte heeft de aan hem tenlastegelegde feiten steeds stellig ontkent. Hij heeft een alternatief scenario naar voren gebracht, inhoudende dat het DNA dat is aangetroffen aan de binnenzijde van de achterzijde van de broekrand van aangeefster, afkomstig zou kunnen zijn van zijn jongere broer. Verdachte heeft daartoe aangevoerd dat aangeefster en zijn jongere broer gedurende een periode bevriend zijn geweest en dat aangeefster ook eerder bij hen thuis zou zijn geweest. In het deskundigenrapport van het TFMI is vermeld dat niet kan worden uitgesloten dat het DNA-mengprofiel (mede) afkomstig is van een aan verdachte verwante persoon. Een vergelijkend DNA-onderzoek met het DNA-profiel van de jongere broer van verdachte had hierover uitsluitsel kunnen geven. Dit onderzoek is niet verricht, ook is geen nadere berekening gemaakt. Hierdoor kan het door verdachte geschetste alternatieve scenario niet worden uitgesloten.
Voorts is geen onderzoek verricht naar de telefoongegevens van aangeefster en verdachte. De telefoon van aangeefster is niet uitgelezen en de overgelegde Snapchatgesprekken bestaan slechts uit screenshots. De telefoon van verdachte is bij zijn eerste verhoor in beslag genomen, maar dit was inmiddels een andere telefoon, waardoor niet kon worden onderzocht of de Snapchatberichten vanaf de telefoon van verdachte zijn verzonden. Er zijn bovendien geen contactgegevens of Snapchatberichten van aangeefster op de telefoon van verdachte aangetroffen. Daarnaast is niet eenduidig en concreet vastgesteld of het door verdachte gebruikte Snapchataccount [accountnaam] – zoals zichtbaar op de screenshots - daadwerkelijk van door hem gebruikt werd. Verdachte heeft aangevoerd dat hij wel een Snapchataccount gebruikt met die naam, maar met variaties in het gebruik van hoofdletters in de accountnaam.
Daar komt bij dat geen gegevens beschikbaar zijn van de getuigen die aangeefster op straat zouden hebben aangetroffen, waardoor deze getuigen niet meer konden worden gehoord. Het hof kan op basis van de beschikbare verklaringen slechts vaststellen dat aangeefster zich in de buurt van de woning van verdachte bevond en dat zij overstuur was. Deze omstandigheden zijn echter onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.
Ten slotte heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zijn jongere broert in een andere strafzaak door aangeefster vals is beschuldigd en daarvan is vrijgesproken. Ook deze stelling is niet nader onderzocht, zodat het hof de juistheid daarvan niet kan beoordelen.
Het hof ziet geen reële mogelijkheden - gelet op het geschetste tijdsverloop en de consequenties die dit heeft gehad voor het opsporingsonderzoek – het onderzoek te heropenen en alsnog opdracht te geven tot nader onderzoek.
Gelet op het voorgaande heeft het hof niet de overtuiging gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 500,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. Verdachte wordt niet schuldig verklaard aan het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de schade zou zijn ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mr. G. Dam, mr. J. Steenbrink en mr. D. Stikkelbroeck, in aanwezigheid van de griffier mr. J. Lambriks en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 december 2025.