ECLI:NL:GHARL:2025:8618

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
200.346.430/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toedeling van perceel grond uit nalatenschap aan dochter in plaats van zoon na belangenafweging

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 23 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de toedeling van een perceel grond uit de nalatenschap van de overleden [naam1]. De appellante, dochter van [naam1], heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, die het perceel had toebedeeld aan haar broer, [geïntimeerde2]. De rechtbank had eerder geoordeeld dat het perceel aan [geïntimeerde2] moest worden toebedeeld, waarbij financiële afspraken waren gemaakt over de betaling van de waarde van de aandelen aan de andere erfgenamen. Het hof heeft de procedure na het arrest in het incident van 10 december 2024 voortgezet, waarbij de memorie van grieven en de memorie van antwoord zijn ingediend. Tijdens de mondelinge behandeling op 27 november 2025 is de zaak verder besproken.

Het hof heeft vastgesteld dat zowel de appellante als [geïntimeerde2] emotioneel belang hebben bij het perceel, dat van hun vader was. De appellante heeft aangevoerd dat er afspraken zijn gemaakt over de toedeling van het perceel aan haar, maar het hof oordeelt dat niet alle betrokken partijen hiermee hebben ingestemd. Na een belangenafweging heeft het hof besloten dat het perceel aan de appellante moet worden toebedeeld, mede gezien de eerdere toezeggingen van [geïntimeerde1] en de omstandigheden van de zaak. Het hof heeft de beslissing van de rechtbank vernietigd en bepaald dat het perceel aan de appellante wordt toegedeeld, onder de verplichting tot betaling aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2].

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.346.430/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 140666
arrest van 23 december 2025
in de zaak van
[appellante],
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie en verweerster in reconventie,
hierna:
[appellante],
advocaat: mr. J.F.M. Hanus te Groningen,
tegen

1.[geïntimeerde1] ,

die woont in [woonplaats2] ,
2. [geïntimeerde2],
die woont in [woonplaats2] ,
en bij de rechtbank optraden als gedaagden in conventie en eisers in reconventie,
hierna samen ieder afzonderlijk:
[geïntimeerde1]en
[geïntimeerde2],
advocaat: mr. J.W. Elzinga-Snoek te Groningen.

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Het verdere procesverloop na het arrest in het incident van 10 december 2024 blijkt uit:
  • de memorie van grieven van 21 januari 2025
  • de memorie van antwoord van 4 maart 2025
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 27 november 2025 is gehouden.

2.De feiten

2.1.
[appellante] en [geïntimeerde2] zijn de kinderen van [naam1] ( [naam1] ), die is overleden [in] 2002, en [geïntimeerde1] . [naam1] en [geïntimeerde1] waren gehuwd in wettelijke gemeenschap van goederen.
2.2.
Bij notariële akte van 10 september 2008 hebben [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [appellante]
in verdeling gebracht de voormalige echtelijke woning van [naam1] en [geïntimeerde1] . Deze woning is, samen met het bijbehorende perceel, toegedeeld aan [geïntimeerde2] , waarbij nadere financiële afspraken zijn gemaakt over de betaling van de koopsom door [geïntimeerde2] en voldoening van de vaderlijke erfdelen door [geïntimeerde1] .
2.3.
Tot de nalatenschap van [naam1] behoort ook een perceel gelegen aan [adres1] , kadastraal bekend als gemeente [gemeente] sectie [letters] nummer [nummer1] (hierna: perceel [nummer1] ). De waarde hiervan bedraagt € 13.500,-.

3.De vorderingen

3.1.
[appellante] heeft – voor zover in hoger beroep van belang – bij de rechtbank gevorderd dat de rechtbank perceel [nummer1] aan haar toebedeelt onder betaling aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] van de waarde van hun aandelen in het perceel, en dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] worden veroordeeld tot medewerking aan de toedeling van het perceel aan [appellante] .
3.2.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben – voor zover in hoger beroep van belang – gevorderd
dat de rechtbank de verdeling gelast van perceel [nummer1] door de aandelen van [appellante] en [geïntimeerde1] toe te delen aan [geïntimeerde2] met inbreng van de overbedelingsvordering door [geïntimeerde2] .
3.3.
De rechtbank heeft perceel [nummer1] toebedeeld aan [geïntimeerde2] en heeft hem wegens overbedeling veroordeeld tot betaling van € 9.000,- aan [geïntimeerde1] en € 2.250,- aan
[appellante] . [appellante] en [geïntimeerde1] zijn veroordeeld om hieraan hun medewerking te verlenen.
3.4.
Het doel van het hoger beroep van [appellante] is dat perceel [nummer1] alsnog aan haar wordt toebedeeld onder betaling aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] van de waarde van hun aandelen.

4.Het oordeel van het hof

Inleiding
4.1.
Het hof zal oordelen dat perceel [nummer1] aan [appellante] wordt toegedeeld. Dat wordt hierna uitgelegd. De bezwaren (grieven) zullen daarbij thematisch worden behandeld.
4.2.
Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft de advocaat van [appellante] verduidelijkt dat [appellante] beoogt dat het hof de verdeling van perceel [nummer1] vaststelt. De advocaten van beide partijen hebben daarnaast bevestigd dat de discussie over de (on-)geldigheid van de door [appellante] overgelegde pachtovereenkomst geen rol dient te spelen bij het van het hof gevraagde oordeel over de verdeling, net zo min als de vraag of sprake is van vruchtgebruik door [geïntimeerde1] . Het hof zal beide aspecten daarom in het navolgende buiten beschouwing laten.
Afspraak over verdeling perceel [nummer1] ?
4.3.
[appellante] beroept zich erop dat partijen in het verleden afspraken hebben gemaakt over toedeling van perceel [nummer1] aan haar. Deze afspraken zouden volgens [appellante] onder meer blijken uit Whatsapp-berichten uit maart 2020 tussen haar en [geïntimeerde1] , en uit e-mails die zij in de periode juli 2020 - september 2020 heeft verstuurd aan notariskantoor [naam2] , welke e-mails voor een deel ook zijn verstuurd aan [geïntimeerde1] .
4.4.
[geïntimeerde1] ontkent niet dat zij aanvankelijk heeft ingestemd met toedeling van perceel [nummer1] aan [appellante] , zo is op de mondelinge behandeling bij het hof gebleken. Zij geeft echter aan dat [appellante] haar dit heeft opgedrongen. [geïntimeerde1] durfde [appellante] nooit tegen te spreken. Om die reden had [geïntimeerde1] niet eerder aangegeven dat zij dit eigenlijk niet wilde.
4.5.
Los van de vraag of [geïntimeerde1] al dan niet toezeggingen heeft gedaan, is het hof van oordeel dat een eventuele toezegging door [geïntimeerde1] niet kan meebrengen dat alle partijen die bij de verdeling moeten worden betrokken, dus ook [geïntimeerde2] , aan deze toezegging kunnen worden gehouden. Voor een zogeheten ‘obligatoire verdeling’ is immers vereist dat duidelijk is dat alle deelgenoten daarmee instemmen. Dat is hier niet het geval. [appellante] heeft niet voldoende onderbouwd gesteld dat (ook) [geïntimeerde2] instemde met toedeling van perceel [nummer1] aan haar.
Belangenafweging
4.6.
De rechtbank heeft de verdeling vastgesteld, rekening houdend naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW. De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een grote mate van vrijheid, is niet gebonden aan wat partijen over en weer hebben gevorderd en behoeft niet expliciet in te gaan op wat partijen aanvoeren [1] . Omdat [appellante] de beslissing in eerste aanleg over de toedeling aan [geïntimeerde2] van perceel [nummer1] in hoger beroep heeft aangevochten, zal het hof hierover met inachtneming van het genoemd juridisch kader en met gebruikmaking van de hem toekomende beoordelings- en beslissingsvrijheid een nieuwe beslissing nemen. Anders dan de rechtbank ziet het hof geen reden om bij het nemen van die beslissing doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de wens van de meerderheidsgerechtigden.
4.7.
[appellante] voert aan dat haar gebruik van perceel [nummer1] bestond uit het jarenlang bewerken van het grasland door het te hooien en te onderhouden. Daarnaast heeft [appellante] met [geïntimeerde1] afgesproken dat zij haar twee paarden op het perceel zou laten weiden. Verder heeft [appellante] een emotioneel belang bij perceel [nummer1] . Het perceel was van haar vader, en vroeger ging zij met hem daarop paardrijden.
4.8.
[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] voeren onder meer aan dat [geïntimeerde2] perceel [nummer1] na het overlijden van [naam1] 12 jaren lang heeft onderhouden, en daarna over het gebruik daarvan afspraken heeft gemaakt met boer [naam3] . Ook [geïntimeerde2] is (emotioneel) betrokken bij het perceel.
4.9.
Het hof constateert dat zowel [appellante] als [geïntimeerde2] stellen een emotioneel belang te hebben bij toedeling van perceel [nummer1] , vanwege onder meer de gedachtenis aan hun vader. In het feit dat [geïntimeerde2] al een onroerende zaak van zijn vader toebedeeld heeft gekregen (de voormalige echtelijke woning) en in die zin aan dit belang al tegemoet is gekomen, ziet het hof aanleiding om te beslissen dat perceel [nummer1] aan [appellante] moet worden toebedeeld. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking de eerdere toezeggingen van [geïntimeerde1] en het feit dat toebedeling van het perceel voor geen van partijen nodig is met het oog op de eigen woonsituatie en/of broodwinning.
De conclusie
4.10.
Het hoger beroep slaagt.
4.11.
Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen).
4.12.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
5.1.
vernietigt hetgeen is beslist onder 5.3 in het dictum van het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 4 september 2024 en beslist dat het perceel gelegen aan [adres1] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie [letters] nummer [nummer1] wordt toegedeeld aan [appellante] onder de verplichting tot betaling aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] van de waarde van hun beider aandelen;
5.2.
bepaalt dat iedere partij van het geding in hoger beroep de eigen kosten draagt;
5.3.
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
bekrachtigt genoemd vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. C. Koopman, P.S. Bakker en O.E. Mulder, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.

Voetnoten

1.Hoge Raad 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631