In deze civiele zaak stond de verdeling van een perceel grond uit de nalatenschap van de overleden vader centraal. De dochter en zoon waren beiden erfgenamen, waarbij de rechtbank het perceel aan de zoon had toegewezen met een financiële compensatie aan de dochter en de vader. De dochter ging in hoger beroep om het perceel alsnog aan haar toe te laten delen.
Het hof oordeelde dat een eventuele toezegging van de moeder aan de dochter niet bindend was voor alle erfgenamen, met name de zoon, en dat voor een verplichte verdeling instemming van alle deelgenoten vereist is. Bij de belangenafweging nam het hof mee dat zowel de dochter als de zoon een emotioneel belang hadden bij het perceel, maar dat de zoon al een ander onroerend goed uit de nalatenschap had ontvangen.
Daarnaast speelde mee dat het perceel niet noodzakelijk was voor de woonsituatie of broodwinning van een van de partijen. Het hof besloot daarom het perceel aan de dochter toe te wijzen onder de verplichting tot betaling aan de andere erfgenamen van de waarde van hun aandelen. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten vanwege de familierelaties. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.