In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 23 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de toedeling van een perceel grond uit de nalatenschap van de overleden [naam1]. De appellante, dochter van [naam1], heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, die het perceel had toebedeeld aan haar broer, [geïntimeerde2]. De rechtbank had eerder geoordeeld dat het perceel aan [geïntimeerde2] moest worden toebedeeld, waarbij financiële afspraken waren gemaakt over de betaling van de waarde van de aandelen aan de andere erfgenamen. Het hof heeft de procedure na het arrest in het incident van 10 december 2024 voortgezet, waarbij de memorie van grieven en de memorie van antwoord zijn ingediend. Tijdens de mondelinge behandeling op 27 november 2025 is de zaak verder besproken.
Het hof heeft vastgesteld dat zowel de appellante als [geïntimeerde2] emotioneel belang hebben bij het perceel, dat van hun vader was. De appellante heeft aangevoerd dat er afspraken zijn gemaakt over de toedeling van het perceel aan haar, maar het hof oordeelt dat niet alle betrokken partijen hiermee hebben ingestemd. Na een belangenafweging heeft het hof besloten dat het perceel aan de appellante moet worden toebedeeld, mede gezien de eerdere toezeggingen van [geïntimeerde1] en de omstandigheden van de zaak. Het hof heeft de beslissing van de rechtbank vernietigd en bepaald dat het perceel aan de appellante wordt toegedeeld, onder de verplichting tot betaling aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2].