ECLI:NL:GHARL:2025:8638

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
200.359.983
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad van een vonnis in kort geding met betrekking tot stalking en contactverbod

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een hoger beroep tegen een vonnis in kort geding van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo. De appellant, die in hoger beroep ging, had bezwaar tegen een eerder vonnis waarin aan de geïntimeerde een gebieds- en contactverbod was opgelegd vanwege stalking. De voorzieningenrechter had geoordeeld dat er voldoende bewijs was voor de stelling van de geïntimeerde dat de appellant haar persoonlijke levenssfeer structureel en stelselmatig inbreuk maakte. De appellant voerde aan dat hij niet degene was die stalkte en dat de opgelegde maatregelen onterecht waren. Het hof heeft de vordering van de appellant tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis afgewezen. Het hof oordeelde dat de belangen van de geïntimeerde bij handhaving van het vonnis zwaarder wegen dan die van de appellant. De appellant had niet voldoende onderbouwd op welke wijze hij in zijn vrijheid werd belemmerd door de opgelegde verboden. Het hof concludeerde dat er geen sprake was van een kennelijke misslag in het vonnis van de voorzieningenrechter en dat de belangenafweging niet leidde tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.983
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 336253
arrest in het incident in kort geding van 30 december 2025
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. J.F. Vanhommerig
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. L.M. Scherphof

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis in kort geding dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, (hierna: de voorzieningenrechter) op 21 augustus 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven inclusief incidentele vordering op grond van artikel 223 Rv;
  • de memorie van antwoord in het incident.

2.De kern van de zaak

2.1.
[geïntimeerde] zegt dat [appellant] al geruime tijd structureel en stelselmatig inbreuk maakt op haar persoonlijke levenssfeer (belaging, hierna ook: stalking). Zij heeft in kort geding bij de voorzieningenrechter gevorderd om aan [appellant] een gebieds- en contactverbod op te leggen, op straffe van verbeurte van een dwangsom en in het uiterste geval (als de dwangsommen zijn verbeurd en het stalken niet is gestopt): lijfsdwang.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat een gebieds- en contactverbod alleen kan worden toegewezen als sprake is van feiten en omstandigheden die in hoge mate aannemelijk zijn en die zo’n inbreuk kunnen rechtvaardigen. [geïntimeerde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat die situatie zich voordoet en dat [appellant] – al dan niet via en/of met anderen – achter de stalking zit. Daarom heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen.
2.3.
[appellant] is het niet eens met het (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) vonnis in kort geding en heeft daartegen hoger beroep ingesteld. Hij heeft ook een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad (schorsingsverzoek) van dit vonnis ingesteld. Het hof zal die vordering afwijzen en zal hierna uitleggen waarom.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.
[appellant] heeft zijn schorsingsverzoek gebaseerd op artikel 223 Rv. Nu het in deze zaak echter niet gaat om het vorderen van een voorlopige voorziening voor de duur van de procedure, begrijpt het hof de incidentele vordering van [appellant] als een vordering ex artikel 351 Rv. Het hof zal de vordering van [appellant] daarom beoordelen aan de hand van het in artikel 351 Rv beschreven toetsingskader.
Juridisch kader
3.2.
Wanneer een veroordeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is deze uitvoerbaar, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij uitvoering van het vonnis. Het hof gaat daarbij uit van de overwegingen en beslissingen van het vonnis van de voorzieningenrechter en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de voorzieningenrechter op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten wel kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken. [1]
Er is geen sprake van een kennelijke misslag
3.3.
[appellant] stelt dat sprake is van kennelijke feitelijke misslagen, omdat het oordeel van de voorzieningenrechter volgens hem berust op onbewezen aannames. Volgens [appellant] zijn de feiten onvoldoende aannemelijk om de opgelegde, verstrekkende maatregelen te dragen. [appellant] stelt dat hij niet degene is die [geïntimeerde] stalkt en dat hij tot op heden elke betrokkenheid bij die stalking heeft ontkend. Hij heeft op 2 oktober 2025 bij de politie aangifte gedaan van identiteitsfraude. Een kopie van die aangifte heeft hij als productie 2 bijgevoegd bij zijn memorie van grieven. [appellant] vermoedt dat de vermoedelijke dader de zoon van [geïntimeerde] is.
3.4.
Naar het oordeel van het hof is geen sprake van een kennelijke misslag. Van een kennelijke juridische of feitelijke misslag is pas sprake wanneer het evident is dat de bestreden vonnis op een onjuistheid berust. Het moet gaan om een zodanig duidelijke fout of vergissing in het recht of de feiten, dat daarover geen redelijke twijfel kan bestaan. Dat is iets anders dan dat ook een andere beslissing mogelijk was geweest of sprake is van een motiveringsgebrek. Duidelijk is dat [appellant] het inhoudelijk niet eens is met het vonnis van de voorzieningenrechter, maar [appellant] heeft niet uitgelegd waarom de voorzieningenrechter
evidenteen fout heeft gemaakt. Het standpunt van [appellant] dat hij niets met de stalking te maken heeft en waarom dat zo is, is uitvoerig bij de voorzieningenrechter naar voren gebracht en maakte ook toen al onderdeel uit van de inhoudelijke juridische discussie tussen partijen. De voorzieningenrechter heeft daar in het bestreden vonnis gemotiveerd over beslist. Gelet op het hiervoor genoemde beoordelingskader, bestaat in dit schorsingsincident voor het hof geen ruimte om inhoudelijk te beoordelen of de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant] – al dan niet via en/of met anderen – achter de stalking zit. Evenmin bestaat ruimte om vooruit te lopen op het inhoudelijke oordeel van het hof over deze argumenten. Dat zal het hof in het kader van de beoordeling van de hoofdzaak doen.
De belangen van [appellant] rechtvaardigen geen schorsing
3.5.
De voorzieningenrechter heeft niet gemotiveerd waarom hij het bestreden vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Dat maakt dat er plaats is voor een afweging van de belangen van partijen.
3.6.
Het belang van [geïntimeerde] bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis bestaat erin dat zij direct wordt beschermd door het opgelegde gebieds- en contactverbod. De daaraan gekoppelde dwangsom (in het uiterste geval gevolgd door lijfsdwang) zorgt voor een pressiemiddel om deze bescherming af te dwingen. Deze bescherming heeft zij nodig, omdat [geïntimeerde] door de stalking psychische stress, angst en onveiligheid ervaart en bovendien blijkt dat andere maatregelen (het stopbericht, het stopgesprek met de politie, de aangiftes en de artikel 12 Sv-procedure) niet helpen om de stalking te stoppen. Tegenover dit belang staat het belang van [appellant] . [appellant] heeft gesteld dat de uitvoering van het vonnis voor hem tot onomkeerbare gevolgen zal leiden, omdat hij in een sociaal isolement zal raken, zijn inkomen en werk zal verliezen, reputatieschade zal lijden en de dreiging van lijfsdwang boven zijn hoofd hangt. Bovendien heeft hij aangevoerd dat hij lijdt onder bezoeken van deurwaarders en de dreiging van hoge dwangsommen. Ten slotte heeft hij nog aangevoerd dat hij als onschuldige tot zware beperkingen is veroordeeld.
3.7.
Het hof stelt vast dat de argumenten die [appellant] aanvoert in de eerste plaats te maken hebben met (de financiële consequenties van) de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsommen. De argumenten van [appellant] komen er op neer dat de opgelegde verboden versterkt met dwangsommen onterecht zijn opgelegd, omdat niet híj maar iemand anders degene is die [geïntimeerde] stalkt, terwijl het [appellant] is die dwangsommen verbeurt en op wie mogelijk lijfsdwang zal worden toegepast. Daarnaast, zo begrijpt het hof, vormen de opgelegde verboden op zichzelf een onterechte inbreuk op zijn vrijheid.
3.8.
Wat [appellant] heeft aangevoerd over de dwangsommen (en de lijfsdwang), valt buiten het bereik van het door hem ingestelde schorsingsincident waaraan het hof zijn bevoegdheid ontleent. In het geval het [appellant] onmogelijk is gehoor te geven aan het vonnis (bijvoorbeeld doordat iemand anders zich voor [appellant] uitgeeft en doorgaat met de stalking), of in het geval van executiegeschillen, kan hij gebruik maken van de daarvoor door artikel 611d Rv dan wel artikel 438 Rv gegeven mogelijkheden.
3.9.
Hoewel het hof begrijpt dat [appellant] een belang heeft bij het schorsen van de uitvoerbaarheid van het bestreden vonnis, is het hof van oordeel dat de belangen van [geïntimeerde] bij handhaving ervan zwaarder wegen dan het belang van [appellant] . Behalve zijn bezwaren tegen het verbeurd worden van dwangsommen door handelen dat, naar hij stelt, niet zijn handelen is, heeft [appellant] niet concreet onderbouwd op welke wijze hij daadwerkelijk in zijn vrijheid wordt belemmerd door de opgelegde verboden en de beperkingen die daaraan inherent zijn en dus ook niet waarom zijn belangen zwaarder moet wegen dan die van [geïntimeerde] . De belangenafweging zal daarom niet leiden tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis van 21 augustus 2025. [appellant] heeft geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd op basis waarvan het hof tot een andersluidend oordeel zou kunnen komen.
De conclusie
3.10.
Het hof zal de vordering van [appellant] afwijzen en toe en houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak.
3.11.
De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vordering af;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.2.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.M.E. Lagarde, K. Mans en R. Verkijk, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025.

Voetnoten

1.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:2026)