ECLI:NL:GHARL:2025:8663

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
200.352.523/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoeken tot vervangende toestemming voor erkenning en omgangsregeling in een familiezakenkwestie

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 30 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de verzoeken van een man tot vervangende toestemming voor de erkenning van zijn 16-jarige dochter en tot het vaststellen van een omgangsregeling. De man, die niet in Nederland staat geregistreerd, had eerder bij de rechtbank Midden-Nederland een verzoek ingediend, dat was afgewezen. Het hof heeft de procedure in eerste aanleg en de eerdere beschikkingen van de rechtbank in acht genomen, evenals de rol van de bijzondere curator en de raad voor de kinderbescherming. De man heeft een verleden van geweld en heeft sinds 2020 geen contact meer gehad met zijn dochter, die bij de vrouw woont. De dochter heeft tijdens een gesprek met het hof duidelijk gemaakt dat zij niet wil dat de man haar erkent en ook geen omgang met hem wil. Het hof heeft geconcludeerd dat de belangen van de minderjarige zwaarder wegen dan die van de man, en heeft de verzoeken van de man afgewezen. De beslissing van de rechtbank is bekrachtigd, en de bijzondere curator is ontslagen van haar taak.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.523/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 509799)
beschikking van 30 december 2025
in de zaak van
[appellant](de man),
die volgens de Basisregistratie Personen niet in Nederland staat geregistreerd,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. R.H. Wormhoudt te Ruinerwold,
en
mr. D.G. Nagel(de bijzondere curator),
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige]( [minderjarige] ),
verweerster in hoger beroep,
kantoorhoudend te Almere,
en
[geïntimeerde](de vrouw),
die woont in [woonplaats1] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. A.S. Bissumbhar te Almere.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Midden Nederland, locatie Utrecht.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 30 oktober 2020, 21 juni 2021, 8 juli 2022, 12 oktober 2023 en 23 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De laatstgenoemde beschikking wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 18 maart 2025;
- een journaalbericht namens de man van 4 april 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 22 mei 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift van de bijzondere curator;
- een brief van de raad van 27 augustus 2025 waarin de raad zich afmeldt voor de zitting.
2.2.
Bij beschikking van 17 april 2025 van dit hof is mr. D.G. Nagel (opnieuw) tot bijzondere curator over [minderjarige] benoemd. De bijzondere curator is daarbij verzocht om uiterlijk twee weken voor de nog te bepalen zitting schriftelijk haar standpunt aan het hof en partijen kenbaar te maken.
2.3.
De minderjarige [minderjarige] heeft op 3 december 2025 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de verzoeken.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft op 4 december 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- mr. Wormhoudt namens de man;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de bijzondere curator.

3.De feiten

3.1.
De man en de vrouw hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de (biologische) ouders van [minderjarige] , die is geboren [in] 2009. [minderjarige] woont bij de vrouw, met twee halfzusjes en een halfbroer.
3.2.
De man is in 1996 in het kader van gezinshereniging naar Nederland gekomen voor verblijf bij de vrouw. In 2001 heeft hij een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gekregen. Deze vergunning is [in1] 2016 ingetrokken in verband met het plegen van (zware) openbare orde-delicten door de man.
3.3.
De relatie tussen de ouders is begin 2012 verbroken. De vrouw heeft kort daarna een
(lat-)relatie gekregen met haar huidige partner, met wie zij een dochter heeft.
3.4.
De man is bij vonnis van 7 mei 2012 veroordeeld voor het gooien van een vaas door een raam in de woning van de vrouw. [minderjarige] was getuige van dit voorval.
3.5.
Tussen [minderjarige] en de man is sinds begin 2012 sporadisch contact geweest en vanaf 2020 in het geheel niet meer.
3.6.
De man heeft in het kader van de onderhavige zaak op 23 september 2020 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank tot het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning van [minderjarige] door de man en tot het vaststellen van een omgangsregeling.
3.7.
Bij (tussen)beschikking van 21 juni 2021 heeft de rechtbank de verzoeken van de man voor een periode van zes maanden aangehouden in afwachting van het verloop en de uitkomst van de hulpverlening (ouderschapsbemiddeling) en de raad verzocht bij een niet positief resultaat indien nodig een advies uit te brengen.
3.8.
De man heeft vanaf oktober/november 2021 vijf maanden in vreemdelingenbewaring gezeten.
3.9.
Bij (tussen)beschikking van 8 juli 2022 is de beslissing op de voorliggende verzoeken opnieuw aangehouden in afwachting van de uitkomst van de ingezette hulpverlening.
3.10.
Bij (tussen)beschikking van 12 oktober 2023 heeft de rechtbank de beslissing weer aangehouden en de raad verzocht te onderzoeken:
- in hoeverre de erkenning door de man de ontwikkeling van [minderjarige] kan schaden of de relatie tussen de vrouw en [minderjarige] kan verstoren;
- of er bezwaren zijn tegen het opbouwen van contact dan wel het vaststellen van een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] , en, indien er geen bezwaren zijn, welke regeling het meest in het belang van [minderjarige] is.
3.11.
De raad heeft in april 2024 aan de rechtbank geadviseerd de verzoeken van de man over de vervangende toestemming voor erkenning en over de omgangsregeling af te wijzen.
3.12.
In september 2025 is de man uitgezet uit Nederland. Het door de man ingestelde beroep hiertegen is naar het hof van de advocaat van de man heeft begrepen gegrond verklaard. Op dit moment geldt volgens de advocaat wel een inreisverbod voor de man voor Nederland.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking zijn, voor zover hier van belang, de verzoeken van de man om hem vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] te verlenen en een omgangsregeling vast te stellen, afgewezen.
4.2.
De man komt met twee grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover daarbij zijn verzoeken zijn afgewezen en, opnieuw rechtdoende, hem alsnog vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen en alsnog een omgangsregeling vast te stellen, zoals in eerste aanleg verzocht dan wel zoals het hof juist acht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
4.3.
De bijzondere curator voert verweer (gelet op haar taak alleen gericht tegen de grief die ziet op de erkenning) en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover daarbij het verzoek van de man is afgewezen om hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen. Subsidiair, indien het hof van oordeel is dat de bestreden beschikking ten aanzien van het verzoek tot erkenning vernietigd moet worden, verzoekt de bijzondere curator het hof om het verzoek van de man in hoger beroep om hem alsnog vervangende toestemming tot erkenning te verlenen, af te wijzen.
4.4.
De vrouw heeft tijdens de zitting verweer gevoerd en het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De man heeft de Surinaamse nationaliteit en de vrouw de Nederlandse nationaliteit. Het hof moet daarom beoordelen of de Nederlandse rechter ten aanzien van de verzoeken over de erkenning en de omgangsregeling rechtsmacht heeft.
5.2.
Ten aanzien van het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning van [minderjarige] door de man, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 aanhef en onder a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht toe, omdat de vrouw en [minderjarige] hun woonplaats in Nederland hebben.
5.3.
Omgang is een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid en valt daarmee, nu het inleidend verzoek is ingediend vóór 1 augustus 2022, onder het toepassingsgebied van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003 (hierna: Brussel II-bis). Gelet op artikel 8 lid 1 Brussel II-bis zijn ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind de gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Omdat [minderjarige] op het moment van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg haar gewone verblijfplaats in Nederland had, waar zij overigens ook nu nog woont, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
5.4.
De rechtbank heeft op beide verzoeken het Nederlandse recht van toepassing geacht. Nu tegen dit oordeel geen grieven zijn gericht, zal ook het hof bij de beoordeling het Nederlandse recht tot uitgangspunt nemen.
Vervangende toestemming erkenning
5.5.
Op grond van artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, worden vervangen door de toestemming van de rechtbank, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon:
a. de verwekker van het kind is; of
b. de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Hierbij dient een afweging te worden gemaakt tussen de belangen van betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als familierechtelijke betrekking.
5.6.
Tussen de partijen is niet in geschil dat de man de verwekker is van [minderjarige] .
5.7.
Het hof stelt voorop dat [minderjarige] [in] 2025, dus tijdens de procedure in hoger beroep, zestien jaar is geworden. Zoals ter zitting door het hof besproken, gaat het gelet op het bepaalde in artikel 1:204 lid 3 BW dus nu niet meer om vervanging van de toestemming van de moeder (de vrouw), maar van de toestemming van [minderjarige] zelf.
5.8.
[minderjarige] heeft tijdens het gesprek met een raadsheer van het hof duidelijk gezegd dat zij niet wil dat de man haar erkent. Zij heeft dit als volgt toegelicht. [minderjarige] heeft de man sinds 2020 in het geheel niet meer gesproken, ook niet via de telefoon. In de jaren ervoor is er ook nauwelijks contact geweest. Ze is erg teleurgesteld in de man dat hij er nooit voor haar is geweest, zowel feitelijk als in zijn rol als vader. Ook heeft de man het volgens [minderjarige] laten afweten in de gedane pogingen om contactmomenten af te spreken.
[minderjarige] heeft verder verteld dat ze aan het begin van 2025 EMDR-therapie heeft gehad voor de angsten en trauma’s die zij tot nu toe in haar jeugd heeft opgelopen, waaronder de angst dat de man plotseling bij haar woning staat. Deze therapie heeft [minderjarige] erg geholpen, zo heeft zij in het gesprek aangegeven.
[minderjarige] staat wel open voor een gesprek met de man in het bijzijn van de bijzondere curator. Tijdens dit gesprek zou zij aan de man bepaalde vragen willen stellen, willen vertellen wat haar dwars zit en vertellen wat het allemaal met haar heeft gedaan. Maar dit gesprek zou voor haar uitsluitend als doel hebben om dit hoofdstuk te kunnen afsluiten; zij ziet dit niet als een nieuw begin met de man, want dat wil zij niet.
5.9.
Namens de man is tijdens de zitting verklaard dat de man de overtuiging heeft dat de aversie tegen hem die er lijkt te bestaan bij [minderjarige] , is ingegeven door de vrouw. Hij vindt dat in de bestreden beschikking geen recht is gedaan aan hem als vader. De man heeft met name moeite met twee kwesties. Ten eerste heeft hij er moeite mee dat de psychische problemen van [minderjarige] - naar zijn beleving - in de loop van de gerechtelijke procedures in relatie met hem zijn gebracht. [minderjarige] zit volgens de man klem tussen de vrouw en hem. Hij vindt dat niet kan worden vastgesteld dat de problemen van [minderjarige] (alleen) door hem komen, maar dat daarvoor ook andere factoren zijn aan te wijzen. De tweede kwestie waar de man moeite mee heeft is dat hij al lange tijd geen rol meer lijkt te krijgen in het leven van [minderjarige] . Hij wil die rol wel. Het voelt voor hem als dat hij geen enkele betekenis en waarde heeft voor [minderjarige] en dat steekt hem.
5.10.
De bijzondere curator heeft tijdens de zitting verklaard dat de wens van [minderjarige] duidelijk is en dat zij niet wil dat de man haar erkent. De bijzondere curator is van mening dat deze wens gerespecteerd moet worden. Er zijn de afgelopen jaren meerdere behandelingen voor [minderjarige] nodig geweest om sociaal-emotioneel stabiel te worden. Deze behandelingen hadden mede te maken met de man. De bijzondere curator ziet, ook gelet op de reacties van [minderjarige] op de man in het verleden, een risico voor (een terugval in) de ontwikkeling van [minderjarige] wanneer de man toestemming zou krijgen om haar te erkennen.
5.11.
Namens de vrouw is ter zitting met betrekking tot de erkenning onder meer aangevoerd dat de man er, ondanks het advies van de raad en de bijzondere curator, toch voor heeft gekozen om hoger beroep in te stellen. Hiermee is hij volgens de vrouw voorbij gegaan aan het belang en de wens van [minderjarige] . Het ingestelde hoger beroep heeft voor onrust bij [minderjarige] gezorgd en haar belemmerd in haar ontwikkeling.
5.12.
Het hof is van oordeel dat - ongeacht de vraag of de problematiek van [minderjarige] al dan niet (uitsluitend) aan de man te wijten is - uit de stukken, het gesprek met [minderjarige] en de verklaringen tijdens de zitting voldoende is gebleken dat een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] in het gedrang komt wanneer de man toestemming zou krijgen om [minderjarige] te erkennen.
[minderjarige] heeft een belast verleden, mede door wat zij met de man heeft meegemaakt. De raad heeft in 2024 in zijn rapport geconstateerd dat alles rondom de man [minderjarige] angst inboezemt. Zij raakt erg van slag bij het idee dat de man haar zou erkennen of dat zij omgang met de man zou hebben. Deze forse angst heeft een grote impact gehad op het leven van [minderjarige] en haar dagelijkse functioneren. Bepaalde situaties doen [minderjarige] herinneren aan nare gebeurtenissen die zij heeft meegemaakt. Zij heeft de afgelopen jaren hard gewerkt om meer grip op haar angsten te krijgen. Zo heeft zij in 2021/2022 cognitieve gedragstherapie bij De Kinderkliniek gehad. Toen ze daarna een terugval had in haar angsten, is ze opnieuw aangemeld bij De Kinderkliniek. In 2025 heeft [minderjarige] EMDR-therapie gehad. Dit heeft haar dusdanig geholpen dat ze nu weer alleen over straat durft, wat zij eerder niet durfde uit angst om de man tegen te komen. Na een lange moeilijke periode heeft [minderjarige] het afgelopen jaar een enorme positieve ontwikkeling doorgemaakt.
Het hof deelt de visie van de bijzondere curator, zoals hiervoor onder 5.10 weergegeven, en acht het risico te groot dat de ontwikkeling van [minderjarige] in gevaar komt als de man toestemming krijgt om haar te erkennen. Gebleken is dat de angst voor de man tot ongeveer een jaar geleden nog veel met [minderjarige] heeft gedaan. Weliswaar gaat het nu naar het hof begrijpt wel beter met [minderjarige] , maar dit is pas heel pril en het hof acht het risico te groot dat [minderjarige] (opnieuw) een terugval krijgt in haar ontwikkeling wanneer de man toestemming voor erkenning zou krijgen. Daarom is het hof van oordeel dat het belang van [minderjarige] bij een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling zwaarder weegt dan het belang van de man bij het vastleggen van de familierechtelijke betrekking door middel van erkenning.
5.13.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de beslissing van de rechtbank om het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor erkenning van [minderjarige] af te wijzen, in stand moet blijven.
Omgangsregeling
5.14.
De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.15.
Voor het hof telt de mening van [minderjarige] , die inmiddels 16 jaar is, zwaar mee. [minderjarige] heeft tijdens het gesprek met een raadsheer van het hof duidelijk gezegd dat zij geen omgang wil met de man, om dezelfde redenen als dat zij niet wil dat de man haar erkent. Uit het dossier blijkt dat zij dit standpunt al langere tijd consequent heeft, ondanks dat de vrouw, zo heeft [minderjarige] zelf ook verklaard, haar wel heeft gestimuleerd om contact te hebben met de man. Het hof ziet dan ook, mede gelet op wat het hof hiervoor heeft overwogen over het verzoek tot erkenning, geen mogelijkheden voor omgang. Daarbij komt dat de man op dit moment in het buitenland verblijft en een inreisverbod voor Nederland heeft. Het zou dus ook praktisch gezien zeer lastig tot onmogelijk zijn om een omgangsmoment te organiseren. Het hof is dan ook van oordeel dat het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling terecht is afgewezen.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 23 december 2024;
beëindigt de taak van mr. D.G. Nagel als bijzondere curator over [minderjarige] ;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. J.G. Knot en mr. P.B. Kamminga, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 30 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.