ECLI:NL:GHARL:2025:8666

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
200.355.115/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van de moeder als mentor van haar zoon in tbs-kliniek en benoeming van een professionele mentor

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 30 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over het ontslag van de moeder als mentor van haar zoon, die verblijft in de Oostvaarderskliniek. De moeder was eerder benoemd tot mentor in 2019, maar de situatie is veranderd door de tbs-maatregel die aan de betrokkene is opgelegd in 2021. De Oostvaarderskliniek heeft verzocht om het ontslag van de moeder als mentor, omdat de relatie tussen de moeder en de betrokkene de behandeling zou belemmeren. Het hof heeft vastgesteld dat de moeder en de kliniek niet goed samenwerkten, wat leidde tot een onwerkbare situatie. De moeder heeft in het verleden de adviezen van de kliniek ter discussie gesteld en zich niet aan afspraken gehouden. Het hof heeft geoordeeld dat de moeder niet meer in staat is om de belangen van haar zoon adequaat te behartigen en heeft een professionele mentor benoemd. De beslissing van de kantonrechter om de moeder te ontslaan als mentor is bekrachtigd, maar de benoeming van de opvolgend mentor is vernietigd en opnieuw vastgesteld. De moeder en de betrokkene hebben verzocht om de Oostvaarderskliniek in de proceskosten te veroordelen, maar dit verzoek is afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.115/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11274819)
beschikking van 30 december 2025
in de zaak van
[verzoekster1](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. J.P. van Mulken te Nuth,
en
[belanghebbende1](de betrokkene),
die verblijft in Forensisch Psychiatrisch Centrum Oostvaarderskliniek in Almere,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. V.S.J. Chorus te Nuth,
en
Forensisch Psychiatrisch Centrum Oostvaarderskliniek(de Oostvaarderskliniek),
die is gevestigd in Almere,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. L.F.W. van Zuijlen te Utrecht.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
1)
[belanghebbende2] , h.o.d.n. Buitengewone Mentoren(de mentor),
kantoorhoudende te Biddinghuizen,
2)
[belanghebbende3](broer [belanghebbende3] ),
die woont in [woonplaats2] ,
3)
[belanghebbende4](broer [belanghebbende4] ),
die woont in [woonplaats3] ,
4)
[belanghebbende5](half)zus [belanghebbende5] ),
die woont in [woonplaats4] ,
5)
[belanghebbende6](zus [belanghebbende6] ),
die woont in [woonplaats5] .

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere (hierna: de kantonrechter), van 27 februari 2025 en 17 april 2025, uitgesproken onder zaaknummer 11274819.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 18 mei 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 16 juni 2025 met bijlage(n);
- een brief, gedateerd 16 juni 2025 en door het hof ontvangen op 1 juli 2025, namens de moeder, met bijlage(n);
- een brief van de mentor van 3 juli 2025;
- het verweerschrift van de betrokkene;
- het verweerschrift van de Oostvaarderskliniek met bijlage(n).
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 12 november 2025 in Zwolle plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de betrokkene (via een beeldbelverbinding), bijgestaan door zijn advocaat;
- namens de Oostvaarderskliniek: [naam1] en [naam2] , bijgestaan door hun advocaat;
- broer [belanghebbende3] ;
- broer [belanghebbende4] ;
- ( half)zus [belanghebbende5] ;
- zus [belanghebbende6] .
Tijdens de zitting hebben de advocaten van de moeder en de Oostvaarderskliniek spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.

3.De feiten

3.1.
De betrokkene is geboren [in] 1984.
3.2.
Bij beschikking van 9 december 2019 is op verzoek van de moeder een mentorschap voor de betrokkene ingesteld. De moeder is tot mentor benoemd.
3.3.
Bij uitspraak van 16 november 2021 is aan de betrokkene een gevangenisstraf en een terbeschikkingstelling-maatregel (tbs) opgelegd, met verpleging van overheidswege, wegens diefstal en afpersing, mishandeling en bedreiging.
3.4.
De betrokkene is op grond van voornoemde uitspraak gedetineerd geweest. In het kader van de hem opgelegde tbs verblijft hij sinds 25 juli 2022 in de Oostvaarderskliniek, op een structuurafdeling voor kwetsbare patiënten die voor hun dagelijkse functioneren meer individuele zorg en ondersteuning nodig hebben.
3.5.
Bij verzoekschrift van 26 juni 2024 heeft de Oostvaarderskliniek verzocht de moeder te ontslaan als mentor van de betrokkene.
4. De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden (tussen)beschikking van 27 februari 2025 heeft de kantonrechter de betrokkene in de gelegenheid gesteld om een professionele mentor voor te dragen. Daarbij heeft de kantonrechter bepaald dat bij het uitblijven van een reactie van de betrokkene de kantonrechter zal overgaan tot benoeming van een nieuwe mentor. De kantonrechter heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
4.2.
Bij de bestreden (eind)beschikking van 17 april 2025 heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, de moeder met ingang van de dag na de uitspraak van die beschikking ontslagen als mentor en een professionele mentor tot mentor van de betrokkene benoemd.
4.3.
De moeder komt met ongenummerde grieven in hoger beroep van de bestreden beschikkingen. Met deze grieven beoogt zij het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikkingen te vernietigen en het verzoek tot haar ontslag als mentor met de aanstelling van een andere mentor alsnog af te wijzen, en daarmee de moeder weer als mentor aan te wijzen. Verder verzoekt de moeder om de Oostvaarderskliniek in de kosten van deze procedure te veroordelen.
4.4.
De betrokkene is het eens met het hoger beroep van de moeder. Hij verzoekt, net als de moeder, de bestreden beschikkingen te vernietigen en het verzoek tot ontslag van de moeder als zijn mentor en de aanstelling van een andere mentor, alsnog af te wijzen en daarmee de moeder weer als zijn mentor aan te wijzen. Verder verzoekt de betrokkene om de Oostvaarderskliniek te veroordelen in de proceskosten.
4.5.
De Oostvaarderskliniek voert verweer en vraagt het hof het door de moeder ingestelde hoger beroep af te wijzen, althans ongegrond te verklaren en de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.
Verder verzoekt de Oostvaarderskliniek de moeder te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
Op grond van artikel 1:461 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een mentor ontslag verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat de mentor niet meer voldoet aan de eisen om mentor te kunnen worden, dit op verzoek van de medementor of degene die gerechtigd is mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 1:451 lid 1 en 2 BW, dan wel ambtshalve.
De Oostvaarderskliniek stelt zich op het standpunt dat er gewichtige redenen zijn (geweest) die het ontslag van de moeder van de betrokkene als mentor rechtvaardigen, zoals de kantonrechter heeft geoordeeld. De moeder betwist in hoger beroep dat die gewichtige redenen er zijn.
5.2.
De betrokkene is een 41-jarige man die een justitiële voorgeschiedenis heeft en kampt met persoonlijke problematiek. In 2017 is hij veroordeeld tot een gevangenisstraf voor een poging tot een overval, een overval op een winkel en een diefstal met geweld. In 2021 is hij opnieuw veroordeeld en is aan hem een gevangenisstraf en tbs opgelegd. Voor die strafrechtelijke procedure zijn een psychologisch en psychiatrisch rapport opgesteld over de betrokkene, waarin de volgende diagnoses zijn gesteld: schizofrenie, stoornis in het gebruik van middelen, andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale persoonlijkheidstrekken en andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis.
De betrokkene heeft een beperkt ziektebesef en -inzicht. Hij heeft behandeling nodig voor zijn problematiek. Hij verblijft inmiddels 3,5 jaar in de Oostvaarderskliniek en zit nog midden in zijn behandeltraject.
5.3.
Het verblijf en behandeltraject van de betrokkene in de Oostvaarderskliniek vraagt van een mentor meer dan gemiddelde ervaring om diens (niet-vermogensrechtelijke) belangen op een adequate manier te kunnen behartigen. Bovendien vraagt dit om een gepaste (emotionele) afstand tot de betrokkene. Daarnaast is het voor een tbs-instelling van groot belang dat zij in de samenwerking met een mentor erop kan vertrouwen dat er geen (extra) risico’s op onveilige situaties kunnen ontstaan. Het doel van een tbs-maatregel is in de eerste plaats bescherming van de samenleving - wat nog uitgaat boven het belang van de patiënt - en daarmee het beperken van risicofactoren.
Het hof verwijst naar de rechtsoverwegingen 5.3. en 5.4. van de bestreden beschikking van 27 februari 2025, waarin de kantonrechter de bijzondere verhouding tussen de kliniek en de betrokkene duidt.
Bij het uitspreken van het mentorschap voor de betrokkene in 2019 is, conform het wettelijke uitgangspunt, de voorkeur van de betrokkene gevolgd door de moeder tot mentor te benoemen. Voor het hof is duidelijk dat de moeder een toegewijde moeder is voor haar zoon. Het hof is echter ook gebleken dat de (hechte) relatie tussen de moeder en de betrokkene de afgelopen jaren een belemmering heeft gevormd en nog altijd vormt voor een effectieve behandeling van de betrokkene in de Oostvaarderskliniek. Naar het oordeel van het hof zijn bij de moeder haar rollen als moeder en als mentor van de betrokkene de afgelopen jaren te veel verstrengeld geraakt.
5.4.
Vanaf het begin van de plaatsing van de betrokkene in 2022 in de Oostvaarderskliniek is de samenwerking tussen de moeder en de kliniek moeizaam verlopen. De moeder trok de expertise van het behandelteam in twijfel en stelde meermaals adviezen en beslissingen van het behandelteam ter discussie. De moeder bleef vasthouden aan haar eigen opvattingen die ze ook overbracht op de betrokkene. Hierdoor werd de (voortgang van de) behandeling van de betrokkene belemmerd. Ook hield de moeder zich niet aan afspraken of regels van de Oostvaarderskliniek.
Eind 2023 / begin 2024 heeft de Oostvaarderskliniek de moeder voor een periode van vier weken de toegang tot de kliniek ontzegd, omdat zij tijdens een bezoek aan de betrokkene een scheermes had meegebracht. In het verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder verklaringen gegeven voor een aantal incidenten en ontstane verschillen van inzicht. Over het incident met het scheermes had zij aanvankelijk verklaard ‘iets te willen snijden’. In hoger beroep heeft zij verklaard dat zij de haren van haar zoon ‘netjes wilde zetten’. Zoals hiervoor overwogen, is het eerste belang van de kliniek het minimaliseren van gevaarzetting. Het hof begrijpt dat de Oostvaarderskliniek dit incident, ondanks de uitleg van de moeder, hoog heeft opgenomen. Op 5 januari 2024 heeft een herstelgesprek plaatsgevonden. De moeder heeft daarin erkend dat haar moederinstinct sterker was dan haar mentorinstinct.
Dit laatste is precies waar de schoen lijkt te wringen in deze zaak. Zo heeft de moeder aan de betrokkene een paar keer uit goede wil geld gegeven. Ook dat is tegen het beleid van de kliniek, en is iets wat in overleg met de kliniek behoort te gebeuren. De moeder is daarop aangesproken. Verder stelt het hof vast dat onvoldoende is weersproken dat vanaf het IP-adres van de moeder een vriendschapsverzoek is geaccepteerd op naam van de betrokkene, wat ook tegen de regels van de kliniek ingaat.
Voorts is de medicatie van de betrokkene, zo erkent de moeder ook, een terugkerend onderwerp van gesprek en discussie. De moeder benadrukt dat zij haar zoon, zijn gedrag en zijn medische- en behandelgeschiedenis het beste kent, wat regelmatig met zich brengt dat zij anders tegen het behandelplan aankijkt. Hoewel haar inbreng er uiteindelijk toe heeft geleid dat de kliniek weer is teruggekeerd naar de oude medicatie voor de betrokkene, leidt die inbreng en strijd ook tot fricties waarin de betrokkene de kant van zijn moeder ‘kiest’ wat
- uitgaande van het behandelplan - niet in zijn belang is.
Begin 2024 is voor de Oostvaarderskliniek een impasse ontstaan, door een samenloop van verschillende incidenten. Vervolgens heeft er in mei 2024 (opnieuw) een gesprek plaatsgevonden tussen de Oostvaarderskliniek en de moeder. Tijdens dit gesprek heeft de Oostvaarderskliniek aangekondigd dat er een verzoek tot ontslag van de moeder als mentor en benoeming van een professionele mentor zou worden ingediend. Ook zijn er tijdens dat gesprek afspraken gemaakt over het aanvragen van een begeleid verlof, onder de voorwaarde dat de betrokkene zich aan de gemaakte afspraken zou houden en een verbetering in zijn gedrag zou laten zien. In de periode daarna heeft de betrokkene zijn gedrag in positieve zin veranderd. De betrokkene was bereid om te werken aan bepaalde doelen om op die manier te bereiken dat hij met begeleid verlof mocht. De aanvraag voor begeleid verlof is vervolgens toegewezen, met uitzondering van netwerkverlof. De reden hiervoor was dat het netwerk - in elk geval de moeder - weerstand uitte tegen het kliniekbeleid en de houding van de moeder de behandelmotivatie van de betrokkene in negatieve zin leek te beïnvloeden. Het netwerk kan volgens het adviescollege dat adviseert over het verlof niet als beschermend worden geduid. Het hof volgt de moeder en de betrokkene dan ook niet in hun standpunt dat de positieve ontwikkeling van de betrokkene te danken is aan het door de moeder uitgevoerde mentorschap. Weliswaar was de moeder in die periode nog de mentor van de betrokkene, maar vast staat dat deze positieve ontwikkeling pas is begonnen na de hiervoor genoemde aankondiging van de Oostvaarderskliniek tot het indienen van een verzoek tot ontslag van de moeder als mentor.
Bovendien is het hof gebleken dat de moeizame verhouding tussen de Oostvaarderskliniek en de moeder daarna onvoldoende is verbeterd. De houding van de moeder, waarbij zij vasthoudt aan haar eigen opvattingen, is niet veranderd waardoor er ook na mei 2024 onvoldoende samenwerking mogelijk was voor de Oostvaarderskliniek met de moeder. Ook in de procedure in hoger beroep is het hof gebleken dat de moeder een andere zienswijze heeft over de door de Oostvaarderskliniek genoemde gebeurtenissen. Wat daar verder inhoudelijk ook van zij, het verschil van opvatting tussen de moeder en de kliniek beïnvloedt naar het oordeel van het hof de onderlinge relatie en samenwerking in negatieve zin, waarbij sprake is van wantrouwen en strijd. In het belang van de (behandeling van de) betrokkene is het echter noodzakelijk dat de Oostvaarderskliniek op een constructieve wijze kan samenwerken met de betrokkene en zijn mentor. Er is voor de Oostvaarderskliniek geen sprake van een werkbare situatie wanneer zij met de moeder als mentor van de betrokkene moet samenwerken. De behandeling van de betrokkene wordt daardoor belemmerd. Dat is niet in het belang van de betrokkene en vormt een gewichtige reden die het ontslag van de moeder als mentor rechtvaardigt.
5.5.
Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de kantonrechter terecht een professionele mentor heeft benoemd. In de bestreden beschikking is echter een naam van een mentor opgenomen die niet overeenkomt met de naam van de door de kantonrechter beoogde mentor, die ook een bereidverklaring had ingediend. Tussen partijen is niet in geschil dat het de bedoeling van de kantonrechter was om [naam3] , h.o.d.n. Buitengewone Mentoren, tot mentor te benoemen. Voor zover het hof bekend is er geen herstelbeschikking door de kantonrechter gegeven. Het hof acht het van belang dat de juridische situatie in overeenstemming is met de feitelijke situatie. Het hof zal daarom om praktische redenen de bestreden beschikking vernietigen voor zover het de benoeming van de opvolgend mentor betreft, en alsnog [naam3] , h.o.d.n. Buitengewone Mentoren, tot mentor benoemen.
5.6.
De moeder en de betrokkene hebben het hof verzocht om de Oostvaarderskliniek in de proceskosten te veroordelen en de Oostvaarderskliniek heeft verzocht de moeder te veroordelen in de proceskosten. Het hof ziet geen aanleiding om één van de partijen in de proceskosten te veroordelen. Het hof zal deze verzoeken dan ook afwijzen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 27 februari 2025,
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 17 april 2025, voor zover het de benoeming van de opvolgend mentor betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:
benoemt tot mentor: [naam3] , h.o.d.n. Buitengewone Mentoren en verstaat dat die benoeming geacht is te zijn ingegaan op 17 april 2025;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 17 april 2025 voor het overige;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.G.M.T. Weijers-van der Marck, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. E. de Boer, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 30 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.