Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[belanghebbende2] , h.o.d.n. Buitengewone Mentoren(de mentor),
[belanghebbende3](broer [belanghebbende3] ),
[belanghebbende4](broer [belanghebbende4] ),
[belanghebbende5](half)zus [belanghebbende5] ),
[belanghebbende6](zus [belanghebbende6] ),
1.De procedure in eerste aanleg
2.De procedure in hoger beroep
3.De feiten
5.De motivering van de beslissing
De Oostvaarderskliniek stelt zich op het standpunt dat er gewichtige redenen zijn (geweest) die het ontslag van de moeder van de betrokkene als mentor rechtvaardigen, zoals de kantonrechter heeft geoordeeld. De moeder betwist in hoger beroep dat die gewichtige redenen er zijn.
Het hof verwijst naar de rechtsoverwegingen 5.3. en 5.4. van de bestreden beschikking van 27 februari 2025, waarin de kantonrechter de bijzondere verhouding tussen de kliniek en de betrokkene duidt.
Dit laatste is precies waar de schoen lijkt te wringen in deze zaak. Zo heeft de moeder aan de betrokkene een paar keer uit goede wil geld gegeven. Ook dat is tegen het beleid van de kliniek, en is iets wat in overleg met de kliniek behoort te gebeuren. De moeder is daarop aangesproken. Verder stelt het hof vast dat onvoldoende is weersproken dat vanaf het IP-adres van de moeder een vriendschapsverzoek is geaccepteerd op naam van de betrokkene, wat ook tegen de regels van de kliniek ingaat.
Voorts is de medicatie van de betrokkene, zo erkent de moeder ook, een terugkerend onderwerp van gesprek en discussie. De moeder benadrukt dat zij haar zoon, zijn gedrag en zijn medische- en behandelgeschiedenis het beste kent, wat regelmatig met zich brengt dat zij anders tegen het behandelplan aankijkt. Hoewel haar inbreng er uiteindelijk toe heeft geleid dat de kliniek weer is teruggekeerd naar de oude medicatie voor de betrokkene, leidt die inbreng en strijd ook tot fricties waarin de betrokkene de kant van zijn moeder ‘kiest’ wat
Begin 2024 is voor de Oostvaarderskliniek een impasse ontstaan, door een samenloop van verschillende incidenten. Vervolgens heeft er in mei 2024 (opnieuw) een gesprek plaatsgevonden tussen de Oostvaarderskliniek en de moeder. Tijdens dit gesprek heeft de Oostvaarderskliniek aangekondigd dat er een verzoek tot ontslag van de moeder als mentor en benoeming van een professionele mentor zou worden ingediend. Ook zijn er tijdens dat gesprek afspraken gemaakt over het aanvragen van een begeleid verlof, onder de voorwaarde dat de betrokkene zich aan de gemaakte afspraken zou houden en een verbetering in zijn gedrag zou laten zien. In de periode daarna heeft de betrokkene zijn gedrag in positieve zin veranderd. De betrokkene was bereid om te werken aan bepaalde doelen om op die manier te bereiken dat hij met begeleid verlof mocht. De aanvraag voor begeleid verlof is vervolgens toegewezen, met uitzondering van netwerkverlof. De reden hiervoor was dat het netwerk - in elk geval de moeder - weerstand uitte tegen het kliniekbeleid en de houding van de moeder de behandelmotivatie van de betrokkene in negatieve zin leek te beïnvloeden. Het netwerk kan volgens het adviescollege dat adviseert over het verlof niet als beschermend worden geduid. Het hof volgt de moeder en de betrokkene dan ook niet in hun standpunt dat de positieve ontwikkeling van de betrokkene te danken is aan het door de moeder uitgevoerde mentorschap. Weliswaar was de moeder in die periode nog de mentor van de betrokkene, maar vast staat dat deze positieve ontwikkeling pas is begonnen na de hiervoor genoemde aankondiging van de Oostvaarderskliniek tot het indienen van een verzoek tot ontslag van de moeder als mentor.