ECLI:NL:GHARL:2025:8693

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
21-003468-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor belaging, bedreiging, schuldwitwassen en diefstal met valse sleutel

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 12 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een veroordeling van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. De verdachte is schuldig bevonden aan belaging en bedreiging van zijn ex-partner, alsook aan schuldwitwassen en diefstal door middel van een valse sleutel. De feiten zijn als volgt: de verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van zijn ex-partner door herhaaldelijk contact te zoeken via sociale media en dreigende berichten te sturen. Daarnaast heeft hij goederen van een ander ontvreemd door gebruik te maken van een valse sleutel. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Tevens zijn er bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een contact- en locatieverbod. De vordering van de benadeelde partij is deels toegewezen. Het hof heeft geoordeeld dat aan het klachtvereiste voor belaging is voldaan, ondanks dat er geen formele klacht was ingediend. De uitspraak benadrukt de ernst van de feiten en de impact op het slachtoffer, evenals de noodzaak van behandeling en begeleiding van de verdachte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003468-24
Uitspraakdatum: 12 december 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden , van 19 augustus 2024 met parketnummer 18-240909-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-312126-23, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,
op dit moment vanwege een andere strafzaak verblijvende in [PI] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 5 september 2025 en 12 december 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan acht voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden;
  • de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden;
  • toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging met het parketnummer 18-312126-23;
  • toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , deze te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B. Helmich, hebben aangevoerd.
Ook heeft het hof kennisgenomen van wat door en namens de benadeelde partij [benadeelde partij 1] is aangevoerd.
Het hof heeft onmiddellijk na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan.

De ontvankelijkheid van verdachte in het hoger beroep

Verdachte is door politierechter in de rechtbank Noord-Nederland vrijgesproken van wat aan hem onder 5 is ten laste gelegd. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak.

Het vonnis

De politierechter heeft bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep gericht is:
  • verdachte ter zake van het onder 5 tenlastegelegde vrijgesproken;
  • verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden waarvan vier voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en daar een aantal bijzondere voorwaarden aan gekoppeld. De politierechter heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevolen;
  • de maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgelegd, inhoudende dat verdachte zich onthoudt van contact met het slachtoffer [benadeelde partij 1] en zich niet zal ophouden in [plaatsnaam] en bij het werkadres van het slachtoffer. De politierechter heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel bevolen;
  • de vordering van de benadeelde partij volledig toegewezen, dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd;
  • de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 18-312126-23 toegewezen.
Het hof vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Het hof doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover dit door het hof moet worden beoordeeld, ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 8 mei 2024 t/m 15 juli 2024 te [plaatsnaam] , gemeente [naam gemeente] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij 1] , door de dochter van die [benadeelde partij 1] herhaaldelijk te benaderen via Snapchat en/of WhatsApp, dan wel andere (sociale) mediakanalen, en/of middels spraak- en/of tekstberichten en/of middels videobellen en/of door die dochter te ontmoeten en mondeling toe te spreken, waarbij hij, verdachte, telkens die dochter op te roepen tot contact met die [benadeelde partij 1] en/of aan te dringen op het doorgeven van een of meerdere boodschappen en/of te dreigen dat hij, verdachte, bij haar, [benadeelde partij 1] , althans in haar woonplaats, langs zal komen, met het oogmerk die [benadeelde partij 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
2.
hij in of omstreeks de periode van 16 juli 2024 t/m 17 juli 2024 te [naam gemeente] , althans in Nederland, (van) een laptop, een hoofdtelefoon en/of een controller, althans één of meer voorwerpen
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
3.
hij op of omstreeks 16 juli 2024 te [naam gemeente] , (een tas met daarin) een of meerdere lege blikjes en/of flesjes en/of een of meerdere rollen toiletpapier, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door de deur van de kamer van die [benadeelde partij 2] te openen met de bijbehorende sleutel en/of loper en/of tag, tot welk gebruik hij, verdachte, onbevoegd en/of niet gerechtigd was;
4.
hij in of omstreeks de periode van 15 juli 2024 t/m 22 juli 2024 te [plaatsnaam] , gemeente [naam gemeente] , althans in Nederland, [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling en/of brandstichting, immers heeft verdachte de dochter van die [benadeelde partij 1] via een of meerdere Snapchatberichten en/of via videobellen dreigend de volgende woorden toegevoegd:
- dat hij, verdachte, haar, die [benadeelde partij 1] , zal krijgen en/of
- dat zij, die [benadeelde partij 1] en/of hun kinderen, zich moeten voorbereiden omdat de oorlog is begonnen en/of
- dat hij, verdachte, ervoor zal zorgen dat zij, die [benadeelde partij 1] en/of hun kinderen, naar een safehouse in Turkije gaan en/of
- dat hij, verdachte, het huis en/of het paardenhok van die [benadeelde partij 1] in de brand gaat steken en/of
- dat zij, die [benadeelde partij 1] , heel gauw heel veel pijn moet gaan lijden en/of
- dat hij, verdachte, haar, die [benadeelde partij 1] , dood laat maken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 1

Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. Zij heeft aangevoerd dat in deze zaak een klacht tot vervolging ontbreekt. Daarnaast is er geen aangifte gedaan tegen verdachte voor belaging. De wens van aangeefster [benadeelde partij 1] dat er actie zou worden ondernomen tegen verdachte is niet voldoende om de formele vereisten voor vervolging van belaging over te slaan.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde ontvankelijk is in de vervolging. De Hoge Raad heeft het klachtvereiste gerelativeerd met de redenering dat het klachtvereiste is bedoeld om de aangeefster of het slachtoffer te beschermen tegen een vervolging die niet wordt gewenst. Het klachtvereiste dient niet ter bescherming van de verdachte. In deze zaak gaat het om huiselijk geweld dat verder is gegaan nadat dat ver daarvoor al was begonnen. Aangeefster heeft heel duidelijk te kennen gegeven dat zij wil dat dat stopt. Of zij dat zelf nu als bedreiging of belaging aanmerkt, is haar niet aan te rekenen. Er is evident geen sprake van dat zij geen vervolging wenst. Gelet op de bedoeling van de wetgever met het klachtvereiste, dient het Openbaar Ministerie in de vervolging te worden ontvangen.
Het oordeel van het hof
Belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Sr is een klachtdelict. Ingevolge het tweede lid van artikel 285b Sr vindt een vervolging wegens belaging niet plaats dan op klacht van hem of haar tegen wie het misdrijf is begaan. Een klacht bestaat, zo bepaalt artikel 164, eerste lid, Sv, in een aangifte bij de bevoegde ambtenaar met het verzoek tot vervolging. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt in de gevallen waarbij een klacht ontbreekt het volgende. Bevat de aangifte geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging, dan kan alsnog het bestaan van een klacht worden aangenomen indien op grond van het onderzoek op de zitting wordt vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken daarvan de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld. Die bedoeling volgt niet uit het enkele feit dat aangifte is gedaan. De klacht als zodanig hoeft niet uit de bewijsmiddelen te volgen. Voldoende is dat op de zitting van het bestaan van de klacht is gebleken. Het indienen van een klacht is op grond van artikel 66, eerste lid Sr gebonden aan een termijn van drie maanden na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit. Wanneer de klacht weliswaar niet voldoet aan alle formele wettelijke eisen, of niet is ingediend bij de bevoegde ambtenaar, maar vaststaat dat de klachtgerechtigde de vervolging heeft gewenst, zal van die wens binnen die termijn van drie maanden moeten zijn gebleken. Daarbij mogen, zo volgt ook uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad, ook omstandigheden worden meegewogen die zich ná deze termijn hebben voorgedaan, nu deze in feite een bevestiging opleveren van de omstandigheid dat die wens er eerder (en tijdig) al was. Ontbreekt een (tijdige) klacht, dan is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging ter zake van het klachtdelict.
Uit de inhoud van de verklaring van aangeefster [benadeelde partij 1] van 17 juli 2024 volgt naar het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat zij ten tijde van het opmaken van de aangifte de bedoeling had dat vervolging van verdachte voor belaging zou worden ingesteld. In de tekst van haar aangifte van 17 juli 2024 verwijst aangeefster namelijk naar het contact- en locatieverbod dat verdachte opgelegd heeft gekregen naar aanleiding van stalking en dat verdachte op 11 april 2024 door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland is veroordeeld voor belaging van aangeefster. Het verbod was vanaf 18 december 2023 tot en met 17 december 2024 van kracht. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij ‘
een verklaring wil afleggen over het overtreden van het contactverbod’ en dat zij meerdere meldingen heeft gedaan van het overtreden van het contactverbod. Daarbij geeft aangeefster aan dat zij grote angst heeft voor verdachte en dat dit haar helemaal leeg zuigt. Dat het proces-verbaal met de verklaring van aangeefster niet als ‘aangifte’ is aangeduid, doet er naar het oordeel van het hof niet toe gezien de inhoud van de verklaring; het hof beschouwt de verklaring als een aangifte. Daarnaast heeft aangeefster ook een verzoek tot schadevergoeding ingediend en is zij op de zitting van het hof als benadeelde partij verschenen. Het hof is dan ook van oordeel dat aan het klachtvereiste van artikel 285b Sr is voldaan. Gelet op het feit dat de belaging voortduurde, was de verklaring ook tijdig, als bedoeld in artikel 66 Sr, mede gelet op de aard van dit delict. Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Bewijsoverweging

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft – kort samengevat – het volgende bepleit.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw bepleit dat de stelselmatigheid van het handelen van verdachte ontbreekt en dat hij daarom vrijgesproken dient te worden van belaging. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat een deel van de berichten zijn gericht aan de zoon van aangeefster en verdachte, terwijl belaging door middel van contact met zijn dochter ten laste is gelegd. Gelet hierop heeft verdachte in een periode van tien weken vier berichten gestuurd en eenmaal in persoon tegenover zijn dochter een uitspraak gedaan die onder de ten laste gelegde gedraging valt. Het doel van zijn contact met de kinderen was om de omgang en het contact met hen in stand te houden. Hoewel de invloed van de contactmomenten op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster duidelijk is geworden, kan volgens de verdediging niet zonder meer worden aangenomen dat sprake is van stelselmatigheid.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van dit feit. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat op basis van de verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen in het dossier niet bewezen kan worden verklaard dat de goederen van verdachte afkomstig waren uit eigen misdrijf, dat bij verdachte sprake was van enige vorm van wetenschap over de herkomst van de goederen en dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan enige verbergings- en/of verhullingshandelingen.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van dit feit. Hiertoe heeft zij primair aangevoerd dat verdachte heeft aangegeven dat hij toestemming had om de blikjes/flesjes mee te nemen. Subsidiair stelt de verdediging dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat verdachte gebruik zou hebben gemaakt van een valse sleutel. Op de beelden is volgens de verdediging niet te zien dat verdachte de deur opent door een tag te gebruiken.
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw geen opmerkingen.
Het oordeel van het hof
Verdachte heeft voor een deel van de ten laste gelegde feiten aangevoerd dat vrijspraak moet volgen. Het hof is van oordeel dat er voldoende bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Ten aanzien van feit 1 (belaging)
Het hof stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Sr zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte en aangeefster [benadeelde partij 1] hebben gedurende een lange periode een relatie met elkaar gehad. Uit die relatie zijn hun dochter en zoon geboren. In juni 2023 is de relatie tussen verdachte en aangeefster beëindigd. Op 18 december 2023 is verdachte in een andere zaak door de politierechter veroordeeld voor het handelen in strijd met een gedragsaanwijzing en heeft hij onder meer een gebieds- en locatieverbod opgelegd gekregen van één jaar. Verdachte is in weer een andere zaak op 11 april 2024 door de politierechter veroordeeld voor belaging van aangeefster.
In de ten laste gelegde periode van 8 mei 2024 tot en met 15 juli 2024 heeft verdachte zijn dochter middels spraak- en tekstberichten en middels videobellen benaderd. Ook heeft hij zijn dochter ontmoet en mondeling toegesproken. De strekking van deze momenten was steeds: in contact komen met aangeefster.
Het hof is van oordeel dat gelet op de verklaring van aangeefster en uit het samenspel van de eerder bewezenverklaarde feiten en de context die hier aan de orde is – namelijk een verdachte die via zijn kinderen in contact probeert te komen met aangeefster – de gedragingen van verdachte zoals tenlastegelegd naar objectieve maatstaven bezien zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Uit het dossier en wat op de zitting is besproken volgt duidelijk dat verdachte op geen enkele manier contact mag hebben met aangeefster. Ook is duidelijk dat aangeefster geen contact met verdachte wil hebben. Het feit dat verdachte sommige berichten naar hun zoon heeft gestuurd doet geen afbreuk aan de stelselmatigheid van de opzettelijke inbreuk op aangeefsters persoonlijke levenssfeer. Die volgt genoegzaam uit de aan de dochter gestuurde berichten in combinatie met de voorgeschiedenis die uit de eerdere veroordelingen volgt. De berichten aan de zoon zijn zo bezien eerder een bevestiging van de stelselmatigheid. De berichten hebben aangeefster bereikt en de inhoud van de berichten hadden betrekking op aangeefster.
Het hof is dan ook van oordeel dat de hoeveelheid, de aard en de intensiteit van de ten laste gelegde handelingen van verdachte zodanig zijn dat gesproken kan worden van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Sr.
Het hof acht daarmee bewezen dat verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.
Ten aanzien van feit 2 (witwassen)
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een laptop, een hoofdtelefoon en een controller heeft overgedragen, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig waren. Van de overige delen van de tenlastelegging zal het hof verdachte vrijspreken.
Ten aanzien van feit 3 (diefstal)
Uit de aangifte van [aangever] , namens de opvang genaamd [instelling] , volgt dat bewoner [benadeelde partij 2] aan de medewerkers van [instelling] heeft verteld dat hij op 16 juli 2024 eigendommen kwijt was vanuit zijn appartement. Hij was onder meer zijn twee wc rollen en een tas met lege flesjes/blikjes kwijt. Tijdens onderzoek van [instelling] is gebleken dat een tag/loper weg was.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 25 juli 2025 volgt dat [instelling] camerabeelden heeft verstrekt aan de politie. Hieruit volgt dat een medewerker van [instelling] verdachte herkende op de beelden. Ook herkende de medewerker dat verdachte de kamer van bewoner [benadeelde partij 2] binnenliep en vertrok met verschillende goederen naar buiten.
Op deze beelden is te zien dat verdachte op 16 juli 2024 om 09:15:00 uur een kamer inloopt door een tag te gebruiken. Volgens de melder zou dit de kamer van [benadeelde partij 2] zijn. Om 09:29:30 uur is te zien dat verdachte de kamer uitloopt met verschillende goederen in zijn hand, waaronder een voorwerp dat lijkt op wc papier.
Op de zitting heeft verdachte verklaard dat als [benadeelde partij 2] er niet was, hij niet zonder sleutel naar binnen kon. Hij erkent dat hij in de kamer van [benadeelde partij 2] is geweest.
Gelet op al het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte door middel van een tag/loper de kamer van bewoner [benadeelde partij 2] binnen is gegaan en dat hij daar meerdere blikjes/flesjes en meerdere rollen toiletpapier heeft gestolen. Het hof wijst er in dit verband in het bijzonder op dat verdachte door een medewerker van de opvang wordt herkend op de beelden. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan deze herkenning. Daarnaast wijst het hof erop dat uit de feiten en omstandigheden volgt dat verdachte geen toestemming had om de voornoemde voorwerpen mee te nemen. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.
Ten aanzien van feit 4 (bedreiging)
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde bedreiging. Verdachte heeft dit feit bekend en de raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten:
1.
hij in de periode van 8 mei 2024 t/m 15 juli 2024 te [plaatsnaam] , gemeente [naam gemeente] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij 1] , door de dochter van die [benadeelde partij 1] herhaaldelijk te benaderen via Snapchat en WhatsApp en/of middels spraak- en tekstberichten en door die dochter te ontmoeten en mondeling toe te spreken, en daarbij telkens die dochter op te roepen tot contact met die [benadeelde partij 1] en/of aan te dringen op het doorgeven van een of meerdere boodschappen en te dreigen dat hij, verdachte, bij haar, [benadeelde partij 1] , althans in haar woonplaats, langs zal komen, met het oogmerk die [benadeelde partij 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen;
2.
hij in de periode van 16 juli 2024 t/m 17 juli 2024 te [naam gemeente] . een laptop, een hoofdtelefoon en een controller heeft overgedragen terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
3.
hij op 16 juli 2024 te [naam gemeente] , een tas met daarin een of meerdere lege blikjes en flesjes en meerdere rollen toiletpapier die aan [benadeelde partij 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel, door de deur van de kamer van die [benadeelde partij 2] te openen met de bijbehorende loper en tag, tot welk gebruik hij, verdachte, onbevoegd en niet gerechtigd was;
4.
hij in de periode van 15 juli 2024 t/m 22 juli 2024 in Nederland. [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en brandstichting, immers heeft verdachte de dochter van die [benadeelde partij 1] via meerdere Snapchatberichten dreigend de volgende woorden toegevoegd:
- dat hij, verdachte, haar, die [benadeelde partij 1] , zal krijgen en
- dat zij, die [benadeelde partij 1] en/of hun kinderen, zich moeten voorbereiden omdat de oorlog is begonnen en
- dat hij, verdachte, ervoor zal zorgen dat zij, die [benadeelde partij 1] en/of hun kinderen, naar een safehouse in Turkije gaan en
- dat hij, verdachte, het huis en het paardenhok van die [benadeelde partij 1] in de brand gaat steken en
- dat zij, die [benadeelde partij 1] , heel gauw heel veel pijn moet gaan lijden en
- dat hij, verdachte, haar, die [benadeelde partij 1] , dood laat maken.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
belaging.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
schuldwitwassen.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en brandstichting.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft, mocht het hof tot een bewezenverklaring van een of meer feiten komen, verzocht om niet over te gaan tot het opleggen van een langdurige detentie, in ieder geval niet langer dan de tijd die verdachte in deze zaak in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast wordt verzocht om de bijzondere voorwaarde van opname in een zorginstelling en klinische opname zoals de reclassering dit adviseert niet over te nemen. De raadsvrouw heeft ter onderbouwing hiervan onder meer verwezen naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte en dat hij met zichzelf aan de slag is gegaan.
Het oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging van zijn ex-partner, zoals in de bewezenverklaring nader is omschreven. Na de relatiebreuk heeft de verdachte langs verschillende wegen contact gezocht met het slachtoffer, die hier niet van gediend was. Veel van die berichten bevatten dwingende en/of dreigende teksten. Door zo te handelen heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn ex-partner en bij haar angstgevoelens teweeg gebracht, zo blijkt ook uit de op de zitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring.
Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal door middel van een valse sleutel. Door te handelen zoals bewezen is verklaard heeft de verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander. Diefstal is een feit dat naast financiële schade voor de benadeelde ook onrustgevoelens en overlast met zich meebrengt.
Verdachte heeft zich ten slotte schuldig gemaakt aan schuldwitwassen van voorwerpen. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Bovendien bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten, omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst aan criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.
Persoon van verdachte
Bij de op te leggen straf heeft het hof gekeken naar het strafblad van verdachte van 6 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten, waaronder voor belaging van het slachtoffer in deze zaak.
Het hof heeft acht geslagen op het rapport van [verslavingszorg] van 28 november 2025. Hieruit volgt dat verdachte tot halverwege 2023 een relatie had met aangeefster, met wie hij een zoon van tien en een dochter van zestien heeft. Hij had moeite de relatiebreuk te accepteren en ervaart dat hem het contact met de kinderen wordt onthouden. Hij heeft inmiddels geen gezag meer. Verdachte woont bij zijn moeder en broer in [plaatsnaam] , heeft geen werk, ontvangt een uitkering en er is sprake van een schuldenlast, waarvoor bewindvoering is aangevraagd. Een eerdere inschrijving voor beschermd wonen werd beëindigd vanwege het voortijdig stoppen van een klinisch traject.
De reclassering schat de risico’s op recidive en letselschade momenteel als hoog. Met name het stalkingsgedrag lijkt een hardnekkig karakter te hebben gekregen. Als delictgerelateerde factoren merkt de reclassering aan de gewezen partnerrelatie, het middelengebruik en het psychosociaal functioneren. Zijn alcohol- en cocaïnegebruik vergroot zijn impulsiviteit, dwingend gedrag en emotionele uitbarstingen. Verdachte heeft moeite met emotieregulatie, wat volgens de reclassering bijdraagt aan het vermeende delictgedrag van stalking, belaging en bedreiging. Eerdere klinische opnames, zowel in forensisch als vrijwillig kader in 2024 en 2025 werden voortijdig beëindigd vanwege overtreding van het middelenverbod.
De reclassering adviseert – kort samengevat – de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij reclassering, een opname in een zorginstelling, een ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een alcohol- en drugsverbod, een contactverbod (met slachtofferdevice) en een locatieverbod (met elektronische monitoring).
De op te leggen straf
Het hof is van oordeel dat op de bewezenverklaarde feiten niet anders dan met een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden gereageerd.
Ook ziet het hof aanleiding om de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden (grotendeels) op te leggen en dus ook – anders dan verdachte wil – de opname in de zorginstelling, maar met uitzondering van het slachtofferdevice.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof passend en geboden de oplegging van gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met daaraan gekoppeld de hierboven vermelde bijzondere voorwaarden. Met de oplegging van deze straf beoogt het hof verdachte te doordringen van de noodzaak zich in de toekomst ver te houden van het plegen van strafbare feiten.
Het hof is verder van oordeel dat gezien de hierboven genoemde zorgen die er zijn omtrent verdachte er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte – zonder de juiste behandeling en begeleiding – wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Het hof zal daarom ook de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen.
Vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr)
Het hof ziet ook aanleiding om naast de op te leggen (voorwaardelijke) straf met bijzondere voorwaarden een vrijheidsbeperkende maatregel aan verdachte op te leggen. In het geval dat het voorwaardelijk deel van de aan verdachte opgelegde straf ten uitvoer zou worden gelegd omdat verdachte zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden, dient er daarnaast een vangnet te zijn zodat verdachte geen contact mag opnemen met aangeefster [benadeelde partij 1] . Dit vangnet kan – ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten – door middel van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr worden vormgegeven. Deze maatregel houdt in dat de verdachte gedurende een periode van drie jaren zich niet mag bevinden in de in de beslissing aangeduide gebieden en dat hij geen contact mag zoeken of hebben met aangeefster [benadeelde partij 1] . De vervangende hechtenis wordt vastgesteld op twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.
Naar het oordeel van het hof moet er – mede gelet op hetgeen eerder is overwogen – ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen tegenover aangeefster [benadeelde partij 1] . Gelet hierop zal het hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel bevelen.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,00 ingediend. De politierechter heeft dit bedrag toegewezen.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de immateriële schade wordt toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot schadevergoeding. In de vordering wordt beschreven dat [benadeelde partij 1] al eerder kampte met psychische klachten en dat zij ook last heeft gehad van het uitblijven van handelen door de politie. De vordering ligt er, met een toelichting, maar op basis van het dossier kan geen goede schatting van de omvang van de schade worden gemaakt. Daarom levert de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering te matigen, nu de jurisprudentie waarnaar wordt verwezen in de vordering niet relevant is voor de onderhavige zaak.
Het oordeel van het hof
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 en 4 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
Het hof stelt voorop dat artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek inhoudt dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen, maar deze kan zich ook voordoen indien uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij volgt dat van een aantasting ‘op andere wijze’ sprake is.
Uit het dossier en het verhandelde op de zitting is het hof gebleken dat verdachte gedurende meerdere maanden stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde. Verdachte heeft contact met haar gezocht en haar bedreigd. De uitingen van verdachte veroorzaakten gevoelens van stress en spanningen bij de benadeelde. Een en ander is nader toegelicht in het schade-onderbouwingsformulier en de slachtofferverklaring. Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof een aantasting in de persoon worden aangenomen.
Het hof schat de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op het bedrag van € 1.500,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op:
  • het stelselmatige karakter van het bewezenverklaarde handelen van verdachte;
  • de ingrijpende inbreuk die hij daarmee heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij;
  • de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.
Het ter compensatie van immateriële schade méér gevorderde zal worden afgewezen. Daarbij heeft het hof betrokken dat in een eerdere procedure al een bedrag van € 1.500,00 is toegekend aan immateriële schadevergoeding wegens stalking.
Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 18-312126-23 is verdachte op 11 april 2024 door de politierechter veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van drie jaren. Het Openbaar Ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Verdachte heeft een nieuw strafbaar feit gepleegd voor het einde van de proeftijd. Daarom beveelt het hof de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 63, 285, 285b, 311 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 5 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Heft op het door de politierechter gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de politierechter opgelegde bijzondere voorwaarden en vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende een contact- en locatieverbod.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- veroordeelde zich meldt binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd bij de reclassering van [verslavingszorg] op het adres [adres] te [naam gemeente] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- veroordeelde zich laat opnemen in een nader te bepalen zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, indien en zodra de vrijwillige opname in de verslavingskliniek [instelling] niet tot stand komt, voortijdig wordt afgebroken of onvoldoende effect sorteert.
De opname start zodra de reclassering dit nodig acht en de instelling daartoe een aanbod kan doen.
De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling.
Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing. Veroordeelde werkt ook mee aan overbruggingszorg, indien van toepassing;
- veroordeelde zich laat behandelen door de forensische polikliniek van [verslavingszorg] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering.
De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering en indien de reclassering dit nodig acht. Het verblijf start aansluitend op de klinische opname. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- veroordeelde geen alcohol en/of drugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek en/of ademonderzoek (blaastest) om dit verbod te controleren. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;
- veroordeelde op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met mevrouw [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedatum] 1991) en de kinderen [naam] (geboren op [geboortedatum] 2009) en [naam] (geboren op [geboortedatum] 2015). Veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring van dit contactverbod zolang de reclassering dat nodig vindt. Met elektronische monitoring via enkelband kan de reclassering het genoemde slachtoffer informeren als betrokkene dichtbij komt;
- veroordeelde zich niet bevindt in het gebied van een straal van 5000 meter rond het adres [adres] te [plaatsnaam] en een straal van 350 meter rond het schooladres van zijn dochter de [adres] [naam gemeente] . Veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op deze locatieverboden.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat voormelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 jaren, inhoudende dat de veroordeelde:
- zich niet zal ophouden in het navolgende gebied: een straal van 5000 meter rond het adres [adres] te [plaatsnaam] en een straal van 350 meter rond het schooladres van zijn dochter de [adres] [naam gemeente] ;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedatum] 1991).
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de politierechter opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 juli 2024.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 11 april 2024, parketnummer 18-312126-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Dit arrest is gewezen door mr. L.T. Wemes, mr. Z.J. Oosting en mr. E.W. van Weringh, in aanwezigheid van de griffier mr. A. Abdulkarim en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 12 december 2025.