ECLI:NL:GHARL:2025:8718

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
21-005538-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor roekeloos rijden en rijden onder invloed met lichamelijk letsel tot gevolg

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Overijssel. De verdachte, een beginnend bestuurder, is veroordeeld voor roekeloos rijgedrag dat heeft geleid tot een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Op 19 maart 2022 reed de verdachte met een snelheid van ongeveer 97 km/u, terwijl de maximumsnelheid 50 km/u was. Hij negeerde een rood verkeerslicht dat al 327,1 seconden op rood stond en kwam in aanrijding met een andere auto, waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opliep, waaronder een enkelfractuur. De rechtbank had de verdachte eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 3 jaar. Het hof heeft het vonnis vernietigd en een gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd, waarvan de uitvoering voorwaardelijk is, met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast is een taakstraf van 240 uren opgelegd en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 3 jaar. Het hof heeft bij de straftoemeting rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, en de persoonlijke situatie van de verdachte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005538-23
Uitspraakdatum: 16 december 2025
TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 21 november 2023 met parketnummer 08-075225-22 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 december 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J. Michels, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft bewezenverklaard dat verdachte door roekeloos rijgedrag schuld heeft in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 aan een verkeersongeval, waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Daarnaast heeft de rechtbank bewezenverklaard dat verdachte onder invloed heeft gereden. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren opgelegd.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 19 maart 2022 te [plaats] in de gemeente [gemeente] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Seat), komende uit de richting van het centrum van [plaats] , gaande in de richting van [plaats] , daarmede rijdende over de weg de [straat] en roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl verdachte een beginnend bestuurder was, zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of terwijl op de kruising van de [straat] , de [straat] en de [straat] de aldaar geplaatste, voor hem, verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten reeds ongeveer 327,1 seconden rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop", in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor dat driekleurig verkeerslicht maar is hij (met onverminderde snelheid) doorgereden, en/of aldaar heeft gereden met een snelheid van ongeveer (tenminste) 97 km/uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 km/uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, en/of zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers was hij niet in staat het door hem bestuurde voertuig (tijdig) tot stilstand te brengen, bij nadering van ander voertuig (personenauto, merk Opel) en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat andere voertuig (personenauto, merk Opel), terwijl hij op dat moment verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 19 maart 2022 te [plaats] in de gemeente [gemeente] , als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Seat), komende uit de richting van het centrum van [plaats] , gaande in de richting van [plaats] , daarmede heeft gereden over de weg de [straat] en in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat (reeds 327,1 seconden) rood licht uitstraalde, maar is hij (met onverminderde snelheid) doorgereden, en/of aldaar heeft gereden met een snelheid van ongeveer (tenminste) 97 km/uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 km/uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
1. meer subsidiair
hij op of omstreeks 19 maart 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] , binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat] , heeft gereden met een snelheid van ongeveer 97 kilometer per uur, in elk geval de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden;
2. primair
hij op of omstreeks 19 maart 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,00 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven;
2. subsidiair
hij op of omstreeks 19 maart 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde onder feit 1 en 2 wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat het rijgedrag van verdachte is aan te merken als roekeloos.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gedragingen van verdachte niet leiden tot roekeloosheid, maar slechts sprake kan zijn van een zeer ernstige mate van onvoorzichtigheid.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de rechtbank de feiten op juiste wijze heeft uiteengezet en zal deze uiteenzetting dan ook grotendeels overnemen en dezelfde bewijsmiddelen gebruiken voor een bewezenverklaring.
Het hof voegt daaraan toe dat de verdachte op de zitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij schuld heeft aan het door hem veroorzaakte ongeval. Hij heeft ook opnieuw bekend dat hij gedronken had en toch heeft gereden, te hard heeft gereden en een rood stoplicht heeft gemist, waardoor hij tegen de auto van [slachtoffer] is aangereden.
Omdat de raadsman - anders dan in eerste aanleg - roekeloosheid als gradatie van schuld heeft betwist, overweeg het hof ook nog het volgende.
Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994
Bij de beantwoording van de vraag of het verkeersongeval te wijten is aan de schuld van verdachte, komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Bij de vaststelling van de mate waarin een verdachte schuld heeft aan een ongeval, wordt onderscheid gemaakt tussen i) roekeloos, ii) zeer onvoorzichtig en onoplettend en iii) aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Roekeloosheid is de zwaarste vorm van schuld.
Onder roekeloosheid moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging of gedragingen van een verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl deze verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 in samenhang met artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a, eerste lid WVW kan worden aangemerkt (zie HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405). Artikel 5a, eerste lid, WVW beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen die kunnen worden beschouwd als ernstig gevaarzettend. Als de verdachte, door één of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte voorafgaand aan het verkeersongeval heeft gereden met een snelheid van ongeveer 97 km/u. Verdachte heeft aldus de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/u in ernstige mate overschreden. Het overschrijden van de maximale snelheid is een gedraging die ingevolgde artikel 5a, eerste lid, onder g WVW uitdrukkelijk wordt aangemerkt als gedrag waarbij verkeersregels in ernstige mate worden geschonden. Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte niet voor een rood verkeerslicht, dat ongeveer 327,1 seconden rood licht uitstraalde is gestopt maar (met onverminderde snelheid) is doorgereden. Het door rood licht rijden is een gedraging die ingevolge artikel 5a, eerste lid, onder i WVW uitdrukkelijk wordt aangemerkt als gedrag waarbij verkeersregels in ernstige mate worden geschonden. Verdachte was verder beginnend bestuurder en is ook nog eens met een grote hoeveelheid alcohol op achter het stuur gaan zitten. Naar het oordeel van het hof kan worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden door onder invloed met een veel te hoge snelheid door een rood verkeerslicht te rijden, waar hij niet tijdig heeft kunnen afremmen voor een naderend voertuig. Door het rijgedrag van verdachte heeft hij geen acht geslagen op (mogelijke) andere verkeersdeelnemers zoals het slachtoffer in deze zaak, en daarmee onaanvaardbare risico’s genomen. Gelet op het voorgaande waren de gedragingen van verdachte dan ook naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige overschrijding van de verkeersregels gericht.
Door de gedragingen van verdachte was gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van andere verkeersdeelnemers te duchten. Het door verdachte gecreëerde gevaar voor andere verkeersdeelnemers heeft zich die dag ook verwezenlijkt. Als gevolg van de aanrijding door verdachte is aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toegebracht. Hij heeft door het ongeval onder meer een enkelfractuur opgelopen, waarvoor hij een operatie moest ondergaan. Er is sprake van blijvend letsel aan zijn voet.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof tot de conclusie dat het rijgedrag van verdachte gezien de daar geldende situatie is aan te merken als rijgedrag zoals omschreven in artikel 5a WVW en gelet op het hiervoor overwogene daarmee ook als roekeloos in de zin van artikel 6 WVW.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten:
1. primair
hij op
of omstreeks19 maart 2022
te [plaats] in de gemeente [gemeente],
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Seat), komende uit de richting van het centrum van [plaats] , gaande in de richting van [plaats] , daarmede rijdende over de weg de [straat]
enroekeloos
, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaamheeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl verdachte een beginnend bestuurder was,
zijn aandacht gedurende enige tijd niet,
althans in onvoldoende mate,op het overige verkeer en
/ofde (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en
/of
terwijl op de kruising van de [straat] , de [straat] en de [straat] de aldaar geplaatste, voor hem, verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten reeds ongeveer 327,1 seconden rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop", in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor dat driekleurig verkeerslicht maar is hij (met onverminderde snelheid) doorgereden, en
/ofaldaar heeft gereden met een snelheid van
ongeveer (tenminste
)97 km/uur,
althans meteen
(aanzienlijk
)hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 km/uur,
in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was,en
/ofzijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers was hij niet in staat het door hem bestuurde voertuig
(tijdig
)tot stilstand te brengen,
bij nadering van ander voertuig (personenauto, merk Citroën) en
/of is gebotst tegen, althans
in aanrijding is gekomen met dat andere voertuig (personenauto, merk Citroën),
terwijl hij op dat moment verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel
of zodanig lichamelijk letselwerd toegebracht
, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
2. primair
hij op
of omstreeks19 maart 2022 te [plaats]
, gemeente [gemeente]als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,00 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

feit 1 primair:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

en

feit 2 primair:
overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 (0,2 milligram).

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen voor de duur van drie jaren.
De raadsman heeft verzocht een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur op te leggen, met daarnaast een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. Tevens heeft de raadsman verzocht de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen te matigen tot maximaal zes maanden of gedeeltelijk voorwaardelijk op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich als beginnend bestuurder schuldig gemaakt aan roekeloos rijgedrag, waardoor hij een ernstig verkeersongeval heeft veroorzaakt. Verdachte reed op 19 maart 2022 in de vroege ochtend als bestuurder van een Seat met daarin drie passagiers (bijna) twee keer de toegestane snelheid en negeerde een rood verkeerslicht dat al minutenlang op rood stond. Zonder de snelheid te verminderen is verdachte een kruising opgereden en in aanrijding gekomen met het slachtoffer [slachtoffer] , die op dat moment een groen uitstralend verkeerslicht passeerde. Verdachte verkeerde bovendien onder invloed van alcohol. Door dit rijgedrag heeft verdachte het slachtoffer niet op tijd gezien en heeft hij zijn auto niet op tijd tot stilstand kunnen brengen. Door zich op deze manier in het verkeer te gedragen heeft verdachte de verkeersregels op ernstige wijze overschreden. Zijn gedrag was ernstig gevaarzettend en het gevaar heeft zich ook verwezenlijkt. Als gevolg van de aanrijding door verdachte is aan het slachtoffer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toegebracht, waarbij sprake is van blijvend letsel aan zijn voet. Verdachte heeft zich na het ongeval niet bekommerd om het slachtoffer [slachtoffer] en ook lange tijd nadien heeft verdachte niets van zich laten horen.
Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte volgens het uittreksel justitiële documentatie van 30 oktober 2025, ondanks zijn jonge leeftijd en het gegeven dat hij een beginnend bestuurder is, al eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Het hof constateert verder dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Het hof houdt ook rekening met de straffen die – zo blijkt uit de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (het LOVS) – in min of meer soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Voor roekeloosheid is geen oriëntatiepunt vastgesteld. Het ligt in de rede om in zaken waarin de schuld bestaat in roekeloosheid hogere straffen tot uitgangspunt te nemen dan die in de oriëntatiepunten zijn vermeld voor ‘zeer hoge mate van schuld’. Het oriëntatiepunt voor zaken waarin sprake is van een zeer hoge mate van schuld, alcoholgebruik, én waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren.
Het hof heeft ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking genomen zoals deze door verdachte en zijn raadsman ter zitting van het hof naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft een vaste baan, is vader geworden en heeft een stabiele relatie. Het hof ziet dat het ongeval een grote impact op verdachte heeft gehad en dat hij inmiddels inzicht heeft gekregen in de ernst van zijn handelen. Het hof houdt bij het opleggen van de straf rekening met het feit dat verdachte jong is.
De ernst van het feit rechtvaardigt naar het oordeel van het hof in beginsel een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur. Het hof ziet echter, mede gelet op de jeugdige leeftijd, het tijdsverloop sinds het ongeval en dat verdachte zijn leven inmiddels op orde heeft, aanleiding om de gevangenisstraf in voorwaardelijke zin op te leggen. Verder zal het hof aan verdachte de maximale taakstraf opleggen. Ter bescherming van de verkeersveiligheid, zal het hof een lange ontzegging van de rijbevoegdheid aan verdachte opleggen.
Alles afwegende acht het hof de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, passend en geboden. Daarnaast zal het hof aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren opleggen.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
3 (drie) jaren.
Dit arrest is gewezen door mr. Th.C.M. Willemse, mr. K. Gilhuis en mr. D.J. Stahlie, in aanwezigheid van de griffier mr. S. Berendsen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 16 december 2025.