ECLI:NL:GHARL:2025:8738

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
21-001266-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid van de tardieve schriftuur van de officier van justitie in hoger beroep

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 24 december 2025 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de officier van justitie. De officier van justitie had hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Overijssel, maar de schriftuur met grieven was zestien dagen te laat ingediend. Het hof moest beoordelen of het belang van het hoger beroep zwaarder weegt dan het verzuim van het openbaar ministerie om tijdig een schriftuur in te dienen. Het hof oordeelde dat de belangen van de behandeling van het hoger beroep in dit geval niet prevaleren boven het verzuim van de officier van justitie. Het hof verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, met toepassing van artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De zaak betrof een incident dat had geleid tot blijvend letsel bij het slachtoffer, en het hof hield rekening met de maatschappelijke belangen en de lange duur van de procedure. De beslissing werd genomen na een zitting op 11 december 2025, waar de advocaat-generaal en de verdediging hun standpunten naar voren brachten.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001266-22
Uitspraakdatum: 24 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 17 maart 2022 met parketnummer 08-994537-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres]

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 11 december 2025 is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. van der Goot, hebben aangevoerd en van wat namens de benadeelde partij is aangevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep, hoewel de grieven tegen het vonnis ruim twee weken te laat zijn ingediend. Hiertoe heeft zij – kort samengevat – aangevoerd dat het voor verdachte duidelijk was dat de officier van justitie hoger beroep had ingesteld en dat het niet op tijd indienen van een schriftuur geen nadeel voor verdachte heeft opgeleverd. Het belang van het slachtoffer is groot. Als benadeelde partij is zij door de vrijspraak niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Met het argument dat de civiele rechtsgang voor het slachtoffer open staat, wordt voorbij gegaan aan het belang van het slachtoffer om zich – op eenvoudige en minder kostbare wijze – te kunnen voegen in het strafproces. Daarnaast is een belang gelegen in de erkenning van hetgeen het slachtoffer is overkomen als jong meisje. Complicaties hebben geleid tot blijvend letsel, waaronder blijvende functiebeperkingen aan haar polsen. Een inhoudelijke behandeling in hoger beroep dient ook het maatschappelijk belang. Activiteiten zoals de activiteit die heeft geleid tot de val van het slachtoffer vinden dagelijks plaats door heel Nederland. Behandeling van deze zaak in hoger beroep zal bijdragen aan erkenning van het belang van afdoende kennis van veiligheidsprocedures bij degenen die dergelijke activiteiten begeleiden. Het moet voor iedereen die in deze branche werkzaam is duidelijk zijn dat geen enkele onduidelijkheid of onzekerheid mag bestaan als dergelijke activiteiten worden uitgevoerd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter zitting van het hof bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep. Daartoe heeft hij – onder verwijzing naar een aantal uitspraken – bepleit dat een te volle agenda van de officier van justitie niet tot een verschoonbare termijnoverschrijding kan leiden. Bij de belangenafweging moet worden meegewogen de ouderdom van de zaak en de daarmee gepaard gaande onzekerheid over de afloop van de zaak bij verdachte en de inactiviteit van het openbaar ministerie gedurende het hoger beroep. Met het standpunt van het openbaar ministerie dat het maatschappelijk belang vergt dat deze zaak inhoudelijk wordt behandeld, valt niet te rijmen dat deze zaak in hoger beroep nu al zo’n drie jaren en acht maanden stil ligt.
Oordeel van het hof
Volgens artikel 410, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dient de officier van justitie binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen.
De officier van justitie heeft op 30 maart 2022, en derhalve tijdig, hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis. Vervolgens heeft de officier van justitie op 29 april 2022 een schriftuur houdende grieven ingediend, en daarmee niet binnen de voorgeschreven termijn van veertien dagen. De termijn voor het indienen van een schriftuur is met zestien dagen overschreden door de officier van justitie. De officier van justitie heeft als reden voor deze vertraging aangegeven dat hij een volle agenda had en in verband met zijn naderende pensioen veel zaken wilde afdoen.
Het hof acht de door de officier van justitie opgegeven redenen voor de vertraging van het indienen van de schriftuur niet valide. Van de officier van justitie mag, als professionele procespartij, worden verwacht dat ook bij drukte de bij wet voorgeschreven termijnen worden nageleefd.
Uit artikel 416, derde lid Sv, volgt dat, indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven als bedoeld in artikel 410, eerste lid, Sv is ingediend, het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Deze bepaling is mede van toepassing op gevallen waarin de schriftuur niet tijdig is ingediend. Beoordeeld moet worden of het belang van het hoger beroep in de onderhavige zaak - ook maatschappelijk gezien - zwaarder weegt dan het verbinden van niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van het openbaar ministerie om (tijdig) een appelschriftuur in te dienen.
In zijn beoordeling van het belang van het hoger beroep weegt het hof mee dat wat het slachtoffer is overkomen heeft geleid tot blijvend letsel, waaronder blijvende functiebeperkingen aan haar polsen. Het hof merkt in het licht van hetgeen de advocaat-generaal naar voren heeft gebracht op dat het slachtoffer zich in eerste aanleg weliswaar heeft gevoegd als benadeelde partij, maar geen schadevergoeding heeft gevorderd.
Namens het slachtoffer is op de zitting naar voren gebracht dat zij niet specifiek vervolging van verdachte wenst, maar dat zij wil weten wie verantwoordelijk is voor het incident en dat zij hoopt dat van de behandeling van de zaak een preventief effect zal uitgaan. Ook de advocaat-generaal heeft in verband met normbevestiging aangevoerd dat activiteiten die tot het onderhavige incident hebben geleid dagelijks plaatsvinden door heel Nederland.
Het hof is – evenals de verdediging – van oordeel dat het maatschappelijke belang van normbevestiging in deze zaak wordt ondergraven door het tijdsverloop en de inactiviteit van het openbaar ministerie. De aan verdachte verweten gedraging dateert van 4 september 2018 en de rechtbank heeft verdachte vrijgesproken op 17 maart 2022. De officier van justitie heeft op 30 maart 2022 hoger beroep ingesteld. Daarna heeft de officier van justitie zestien dagen later dan voorgeschreven op 29 april 2022 een schriftuur ingediend. De officier van justitie heeft aanvullende processen-verbaal laten opmaken door verbalisanten van de NVWA ten behoeve van het hoger beroep. Dit heeft processen-verbaal van 6 december 2022 en 19 januari 2023 opgeleverd. Vervolgens is de strafzaak pas op de zitting van het hof behandeld op 11 december 2025 ter beoordeling van de ontvankelijkheid.
Voorts is van belang dat ook verdachte al lang in onzekerheid verkeert over de uitkomst van de tegen hem ingestelde vervolging. Het hof houdt er daarbij rekening mee dat verdachte een culpoos delict wordt verweten, namelijk overtreding van artikel 308, eerste lid, Sr.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat de belangen die gemoeid zijn met de behandeling van het hoger beroep in dit geval niet prevaleren boven het verbinden van niet-ontvankelijkheid aan het verzuim om tijdig een schriftuur in te dienen. Het hof zal de officier van justitie daarom met toepassing van artikel 416, derde lid, Sv niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. J.A.M. Kwakman en mr. J. Bijlsma, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 december 2025.