De betrokkene werd bij beschikking gesanctioneerd voor het veroorzaken van onnodig geluid met een motorvoertuig. De kantonrechter matigde de sanctie en kende een proceskostenvergoeding toe. De betrokkene stelde in hoger beroep dat hem ten onrechte meerdere boetes waren opgelegd en dat de proceskostenvergoeding onjuist was berekend.
Het hof oordeelde dat de enkele betwisting van de gedraging onvoldoende was om twijfel aan het dossier te doen ontstaan en bevestigde de vaststelling van de overtreding. De stelling dat vier gedragingen aan de betrokkene konden worden toegerekend, werd niet onderbouwd en verworpen.
Hoewel de kantonrechter een te lage waarde per punt hanteerde bij de proceskostenvergoeding, achtte het hof het niet passend om de beslissing te vernietigen, omdat de matiging van de sanctie niet berustte op een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Om de betrokkene niet in een slechtere positie te brengen dan zonder hoger beroep, bleef de proceskostenvergoeding gehandhaafd.
Het gerechtshof bevestigde daarmee de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om een hogere proceskostenvergoeding af.