ECLI:NL:GHARL:2026:1004

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
22/1784
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens vervallen procesbelang na kwijtschelding naheffingsaanslag tabaksaccijns

Belanghebbende, exploitant van een shishalounge, kreeg een naheffingsaanslag tabaksaccijns opgelegd over de jaren 2014-2018, inclusief boete en belastingrente. Na bezwaar werden de aanslag en rente verminderd, maar het beroep bij de rechtbank werd ongegrond verklaard. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

Tijdens de procedure verleende de Ontvanger ambtshalve kwijtschelding van de naheffingsaanslag en belastingrente, waardoor het procesbelang voor de beoordeling van de aanslag kwam te vervallen. Belanghebbende maakte duidelijk dat hij het hoger beroep niet introk, maar alleen nog een vergoeding van proceskosten wenste.

Het Hof oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens het vervallen procesbelang. Wel werd belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn met anderhalf jaar, en een proceskostenvergoeding van € 233,50. De klacht over de late kwijtschelding en de vermeende onrechtmatigheid leidde niet tot een proceskostenveroordeling van de Inspecteur.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen procesbelang na kwijtschelding, met toekenning van immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 22/1784
uitspraakdatum: 13 januari 2026
Uitspraak van de vierde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna de Rechtbank) van 16 juni 2022, nummer AWB 21/2465, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst Douane/Kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De Inspecteur heeft op 15 mei 2019 over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2018 aan belanghebbende een naheffingsaanslag tabaksaccijns van € 153.749 opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag). Tevens is daarbij een boete van € 38.437 opgelegd en is bij beschikking € 15.523 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar van 8 april 2021 zijn de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking belastingrente verminderd tot respectievelijk € 149.158, nihil en € 15.049.
1.3.
De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 16 juni 2022 het beroep ongegrond verklaard. Wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft zij wel een vergoeding van immateriële schade van € 1.000 en vergoedingen van proceskosten en griffierecht toegekend.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Nadien hebben partijen nadere stukken ingediend.
1.5.
Van zijn beslissing, waarmee partijen hadden ingestemd, om geen zitting te houden, is het Hof teruggekomen. Het onderzoek ter zitting heeft op 15 december 2025 op digitale wijze plaatsgevonden. Daarbij is verschenen en gehoord mr. A.L Faber als de gemachtigde van belanghebbende. Namens de Inspecteur was aanwezig mr. [naam1] , bijgestaan door mevrouw [naam2] . De Inspecteur en haar collega hebben de zitting per telefoon bijgewoond.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende exploiteert een shishalounge, waar waterpijptabak wordt gerookt.
2.2.
Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd.
2.3.
Op 10 december 2024 heeft de Ontvanger aan belanghebbende kwijtschelding verleend van de naheffingsaanslag en de belastingrente. In de “Ambtshalve kwijtschelding zakelijke belastingschuld” is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
Waarom krijgt u deze brief?
U bent gedupeerde en/of aangemerkt als toeslagpartner van de gedupeerde van de problemen met de kinderopvangtoeslag. Het kabinet heeft besloten om onder voorwaarden ook openstaande zakelijke belastingschulden kwijt te schelden.
Wij hebben gekeken of wij dit ook met uw zakelijke belastingschuld kunnen doen.
Wij schelden € 164.223,00 kwijt
U ziet in de bijlage bij deze brief welke zakelijke belastingschuld wij kwijtschelden.”
2.3.
Belanghebbende heeft tegen de beschikking van de Ontvanger geen beroep ingesteld noch de Ontvanger verzocht om een schadevergoeding.
2.4.
In zijn brief van 17 december 2024 heeft belanghebbende het volgende bericht:
“Hierbij bericht ik u dat wij van de Belastingdienst de mededeling ontvingen dat de litigieuze aanslag in bovengenoemde procedure zal worden / is kwijtgescholden.
Dat betekent dat het belang in deze procedure voorzover het de betwiste naheffingsaanslag betreft, is komen te vervallen. Ik ga er van uit dat verweerder dit kan en zal bevestigen. Daarmee resteert in deze procedure het element proceskostenvergoeding.”

3.Geschil

3.1.
In geschil is de vraag of belanghebbende recht heeft op vergoeding van proceskosten.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend. Ter zitting van het Hof stelt belanghebbende zich op het standpunt dat hij recht heeft op een hogere vergoeding van proceskosten voor de fase van beroep dan de Rechtbank heeft vastgesteld en dat hij recht heeft op vergoeding van proceskosten voor het hoger beroep.
3.3.
De Inspecteur concludeert tot afwijzing van het verzoek om vergoeding van proceskosten.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende verklaard dat met de brief van 17 december 2024 niet is bedoeld het hoger beroep in te trekken. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof laten weten dat hij met die brief alleen kenbaar wilde maken dat hij geen beoordeling van de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag en de daarbij behorende beschikking belastingrente meer wenste. Hij verzoekt alleen nog om een vergoeding van proceskosten.
4.2.
Het Hof is van oordeel dat door de volledige kwijtschelding van de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente in beginsel het procesbelang bij een beoordeling van de naheffingsaanslag en de daarbij behorende belastingrentebeschikking is komen te ontvallen. Nu belanghebbende ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij wat betreft de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente niet wil en zal voldoen aan een resterende natuurlijke verbintenis en er ook anderszins geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken die een procesbelang veronderstellen, zal het Hof het hoger beroep wegens het vervallen van het procesbelang niet-ontvankelijk verklaren (vgl. Hoge Raad 16 december 2022, ECLI:NL:HR:202:1876). Dit betekent dat het Hof aan de beoordeling van de hoogte van de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding van proceskosten voor de beroepsfase hoe dan ook niet toekomt.
4.3.
Belanghebbende stelt dat de Ontvanger te laat en ten onrechte niet ambtshalve, maar pas na een daartoe ingediend verzoek de uit de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente voortvloeiende belastingschuld heeft kwijtgescholden. Dit vormt volgens belanghebbende een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Belanghebbende stelt dat hij als gevolg daarvan ten onrechte hoger beroep heeft ingesteld dan wel het hoger beroep heeft voortgezet en dat hij daardoor ten onrechte proceskosten heeft gemaakt. Wat hiervan ook zij, in die omstandigheid ziet het Hof geen aanleiding om de Inspecteur tot een vergoeding van proceskosten van het hoger beroep te veroordelen, omdat de Inspecteur een ander bestuursorgaan is dan de Ontvanger.. Hierin weegt het Hof ook mee dat de gronden die belanghebbende in de onderhavige procedure heeft aangevoerd volledig los staan van de beslissing om de uit de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente voortvloeiende schuld kwijt te schelden..
Overschrijding redelijke termijn
4.4.
Belanghebbende heeft verzocht om bij overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het hoger beroep, de Inspecteur te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade.
4.5.
In deze zaak is hoger beroep ingesteld op 27 juli 2022. Op de zitting is komen vast te staan, dat belanghebbende geen belang meer had bij een uitspraak over de hoofdzaak. Op dat moment kwam ook vast te staan dat niet sprake was van een intrekking, waarvan de Inspecteur en het Hof in eerste instantie waren uitgegaan en waarvan het Hof partijen de gevolgen heeft geschetst. Ten tijde van de uitspraak van het Hof is de redelijke termijn met niet meer dan anderhalf jaar overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Het Hof ziet in de toekenning van een vergoeding van immateriële schade aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Voor vergoeding van het griffierecht is geen plaats (Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567).
5.2.
Nu de proceskostenveroordeling alleen ziet op vergoeding van immateriële schade, zal het Hof overeenkomstig enkel een vergoeding voor het verzoek daartoe toekennen. Bij de berekening van de vergoeding van de proceskosten in hoger beroep gaat het Hof uit van het volgende:
  • i) Verzoek immateriële schadevergoeding: 1 punt,
  • ii) factor zeer licht: 0,25, en
  • iii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (€ 934).
Dit komt neer op een proceskostenvergoeding van € 233,50.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is hoger beroep niet-ontvankelijk. Het verzoek van belanghebbende om een vergoeding van de proceskosten van hoger beroep wordt toegewezen, alleen omdat de redelijke termijn van berechting in hoger beroep is overschreden.

6.Beslissing

Het Hof:
– verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk,
– wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade toe,
– veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.500, en
– veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.
De griffier, De voorzitter,
(K. de Jong-Braaksma) (R.F.C. Spek)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.