ECLI:NL:GHARL:2026:1019

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
21-002220-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 310 SrArt. 321 SrArt. 326 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor oplichting, diefstal en verduistering met gevangenisstraf van vijf maanden

Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor oplichting door zich valselijk voor te doen als eigenaar van een camping in België en een chalet te verkopen zonder daadwerkelijke eigendom. Daarnaast werd hij schuldig bevonden aan diefstal van €350,- uit de muntvoorraad van de camping en verduistering van een leenauto die hij niet tijdig terugbracht.

Het hof vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht, waarbij het bewijs zorgvuldig werd gewogen aan de hand van verklaringen, proces-verbalen en schriftelijke stukken. Verdachte werd vrijgesproken van niet bewezen verklaarde tenlasteleggingen. De straf werd bepaald op vijf maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, mede gelet op eerdere veroordelingen en het frauduleuze patroon van verdachte.

De benadeelde partijen vorderden schadevergoedingen; het hof kende toe €4.075,- aan de eerste benadeelde, €350,- aan de tweede en €581,40 aan de derde, waarbij overige vorderingen werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs en verwezen naar de burgerlijke rechter. Tevens legde het hof schadevergoedingsmaatregelen op met gijzelingsbedingen.

De uitspraak benadrukt het belang van bescherming van eigendomsrechten en het tegengaan van herhaald frauduleus gedrag, waarbij verdachte geen verantwoordelijkheid nam en niet verscheen bij de zittingen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002220-24
Uitspraakdatum: 20 februari 2026
VERSTEK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 17 mei 2024 met parketnummer 18-120418-20 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1956 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres]

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 17 mei 2024. Hier was de zaak van de verdachte opnieuw aan de orde na terugwijzing door het hof op 11 november 2022, waar de eerdere veroordeling van de verdachte door de politierechter op 29 januari 2021 in de straf- en ontnemingszaak werd nietig verklaard. De politierechter heeft verdachte op 17 mei 2024 veroordeeld in de strafzaak en beslist op de vordering tot ontneming. Het hof heeft nu enkel te oordelen over de strafzaak. Tegen de beslissing tot ontneming is de verdachte niet in hoger beroep gegaan.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 6 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt dat het vonnis van de politierechter moet worden bevestigd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Het vonnis

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte voor het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest.
Het hof komt in dit arrest tot een gedeeltelijk andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 29 januari 2021 is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
1.
hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 31 december 2017 te [plaats 1] , althans (elders) in Nederland, en/of te [plaats 2] (België), althans (elders) in België, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten 4.075,- euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, door
- zich valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid voor te doen als de nieuwe campingeigenaar van [camping] te [plaats 2] (België), en/of
- aldus een chalet te koop aan te bieden aan [benadeelde 1] , en/of
- het chalet aan [benadeelde 1] te presenteren als een goed verhuurobject, en/of
- voor te wenden dat 70% van de verhuuropbrengsten voor [benadeelde 1] zou zijn, en/of
- aan te geven dat verdachte de verhuur van het chalet voor zijn rekening zou nemen, en/of
- [benadeelde 1] en/of een of meer anderen op die camping uit te nodigen voor een 'proefovernachting', en/of
- met behulp van de sleutel van een chalet en een publieke ruimte de indruk te wekken dat hij daadwerkelijk eigenaar was van die camping;
2.
hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 31
december 2017 te [plaats 3] , althans (elders) in Nederland, en/of te [plaats 2] (België), althans
(elders) in België, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
350,- euro, althans 200,- euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan
[benadeelde 2] en/of [camping] , in elk geval aan een ander of anderen dan
aan verdachte;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 31 december 2017 te [plaats 3] , althans (elders) in Nederland, en/of te [plaats 2] (België), althans (elders) in België, opzettelijk 350,- euro, althans 200,- euro, in elk geval enig goed,
geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] en/of [camping] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als (zogenaamd) aspirant-koper van [camping] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
3.
hij in of omstreeks de periode van 11 mei 2018 tot en met 26 mei 2018 te [plaats 4] , althans in Nederland en/of te [plaats 5] , althans in België opzettelijk een auto, merk Volkswagen UP, [kenteken] in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als leenauto, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Het hof bezigt de hieronder weergegeven bewijsmiddelen voor het bewijs. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens
zijn inhoud betrekking heeft.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 januari 2018, met bijlagen, opgenomen op pagina 31 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018020827 d.d. 13 mei 2019, inhoudende als verklaring van [benadeelde 1] :
Ik doe aangifte van oplichting gepleegd door [verdachte] . Omstreeks 30 oktober 2017
stelde [verdachte] mij voor om een chalet aan te schaffen op [camping] te [plaats 2] ,
België. Na aankoop zou [verdachte] de chalet voor mij verhuren en dan kreeg ik 70% van de
opbrengst van [verdachte] . Ik heb in totaal € 4.075,00 betaald voor het chalet. Er is € 1.075,00
contant betaald en op 19 november 2017 heb ik een bedrag van € 3.000,00 overgemaakt op
de bankrekening van [verdachte] . Later hoorde ik van [benadeelde 2] van [camping] dat
[verdachte] niet de eigenaar was van het chalet dat ik dacht gekocht te hebben.
Bijlagen:
- overboeking naar bankrekening op naam van [getuige] , omschrijving: bedankt, transactiedatum
€ 1.000,00, bedrag € 1.000,00;
- overboeking [rekeningnummer] , naam: [verdachte] , omschrijving: Chalet 1RM
41, transactiedatum 19 november 2017, bedrag € 3.000,00;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor aangever d.d. 30 maart 2018, met bijlagen, opgenomen op pagina 39 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [benadeelde 1] :
Van [benadeelde 2] hoorde ik dat [verdachte] de camping niet heeft gekocht en het
inmiddels door mij betaalde chalet ook niet had gekocht.
Bijlagen:
- voorwaarden koopovereenkomst;
- nota aanbetaling chalet € 1.075,00;
- e-mailberichten tussen verdachte en [benadeelde 1] over verblijf in chalet 41;
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 7 januari 2019, opgenomen op pagina 60 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige]
[verdachte] vertelde dat hij leefde van investeringen en advisering op het gebied van toerisme en
van het in- en verkopen van chalets. Deze hoedanigheid nam hij steeds aan tijdens onze
ontmoetingen. In 2017 kwam [verdachte] met het voorstel aan ons om een chalet aan te schaffen. Ik noem het meer een stacaravan.
Het chalet zouden we kunnen kopen voor € 4.000,00 en zou, volgens [verdachte] , een goed
verhuurbaar object zijn. [verdachte] zou als campingeigenaar 30% houden van de
verhuuropbrengsten en de rest zou voor ons zijn. Ik weet dat er een bedrag van € 1.075,00
contant aan [verdachte] is betaald. De eindbetaling is via de bank overgemaakt. Voordat het chalet feitelijk werd gekocht kregen [benadeelde 1] en ik van [verdachte] de uitnodiging om naar [camping]
in [plaats 2] in België te komen om daar te kunnen overnachten in het chalet.
[verdachte] vertelde dat hij eigenaar van de camping was en dat hij een aantal chalets wilde
verkopen. [verdachte] had ook de sleutel van het chalet en van een andere publieke ruimte en
wekte hiermee de indruk dat hij de eigenaar was. Het chalet werd gekocht en betaald, maar
niet geleverd.
4. Een schriftelijk stuk, te weten een handgeschreven kwitantie d.d. 7 oktober 2017, opgenomen als bijlage 5 bij de vordering benadeelde partij van [benadeelde 1] , inhoudende:
Van [benadeelde 1] [plaats 1] voor [verdachte] te voldoen:
Chalet 41 4300.- aanbetaling 25% resterende te voldoen voor 1 maart 2018.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 maart 2019 met bijlage, opgenomen op pagina 66 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [benadeelde 2] :
Samen met mijn echtgenote en mijn [B.V.] . ben ik eigenaar van
[camping] in België. In januari 2018 heeft [verdachte] een bedrag aan muntgeld
weggenomen uit de bakken die stonden in mijn privékantoor. We troffen in één van de
bakken een handgeschreven briefje aan waarop [verdachte] had geschreven dat hij een bedrag van € 200,00 had geleend, omdat hij banden voor zijn auto nodig had. [verdachte] heeft zonder onze toestemming het bedrag weggenomen.
Bijlage I: een handgeschreven briefje, door aangever aangetroffen in één van de bakken.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 12 februari 2019, opgenomen op pagina 86 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam 1]
Ik ben eigenaar van [benadeelde 3] te [plaats 4] . Op 11 mei 2018 werd door ons
bedrijf een leenauto meegegeven aan [verdachte] . Onze medewerker had met [verdachte]
de afspraak gemaakt dat hij de leenauto, een VW Up met [kenteken] , uiterlijk
16 mei 2018 terug zou brengen. De leenauto werd echter niet terug gebracht. Ik heb na
16 mei 2018 bijna dagelijks contact met [verdachte] gehad via de telefoon, sms- en WhatsApp
berichten. Ik kreeg van [verdachte] steeds als antwoord dat hij de auto terug zou gaan brengen.
Op 26 mei 2018 werd ik gebeld door de Belgische politie en hebben wij de auto uit België
opgehaald, schoon moeten maken en af moeten tanken.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 januari 2019, opgenomen op pagina 100 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik deed mij voor als eigenaar/toekomstige eigenaar. [benadeelde 1] had wel interesse in
een stacaravan. Ik legde hem uit dat hij een stacaravan zou kunnen kopen en dat ik dan de
verhuur voor hem zou regelen. [benadeelde 1] zou dan een goede huuropbrengst kunnen ontvangen.
Ondanks dat ik nog niets van de overname van de camping inclusief de stacaravans had
betaald voelde ik mij vrij om een stacaravan te gaan verkopen. [benadeelde 1] betaalde in totaal een
dikke € 4.000,00 voor dat chalet. [naam 2] betaalde op verzoek van [benadeelde 1] een bedrag van € 1.000,00 contant en de rest werd door [benadeelde 1] via de bank aan mij betaald. De koop was
omstreeks oktober 2017. De overdracht moest formeel nog plaats vinden aan [benadeelde 1] .
Ik heb op een avond € 200,00 uit de bak met wisselgeld in het bedrijfsgebouw van de
[camping] in België gehaald. Ik heb er een handgeschreven briefje achtergelaten
dat ik die € 200,00 nodig had. Ik vond dat dit geld aan [benadeelde 2] toebehoorde en niet
aan mij. Dat [benadeelde 2] zegt dat hij eigenaar is klopt precies.
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 januari 2019, opgenomen op pagina 106 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
Omstreeks 12 mei 2018 bracht ik mijn Volvo S70 naar [benadeelde 3] te
[plaats 4] . Ik vroeg prijsopgave voor de reparatie. Omdat de reparatie een aantal dagen zou kunnen duren kreeg ik een leenauto mee. Dit betrof een VW Up. Ik hield steeds contact met het bedrijf en legde hen uit dat ik de auto wat langer nodig had. Er was bijna dagelijks
contact met het bedrijf. De contacten bleven en ik begreep dat [benadeelde 3] de VW Up terug
wilde en nodig had. Ik had de auto echter nog steeds nodig. [benadeelde 3] eiste de auto terug
maar ik had die auto nog wat langer nodig.

Bewijsoverwegingen

Met betrekking tot feit 1
Verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij [benadeelde 1] heeft opgelicht.
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen met de bedoeling daarvan misbruik te maken.
Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot – voor zover hier van belang - de afgifte van een goed.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot de afgifte van een goed, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren aan de ene kant de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen. Aan de andere kant speelt mee de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een kunnen meewegen. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang bezien.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als de nieuwe eigenaar van [camping] en dat hij - in die valse hoedanigheid - een chalet op die camping te koop heeft aangeboden aan [benadeelde 1] . Daarbij heeft verdachte aan [benadeelde 1] voorgespiegeld dat verdachte het chalet voor [benadeelde 1] zou verhuren en dat [benadeelde 1] 70 procent van de verhuuropbrengsten zou krijgen. Verdachte heeft zijn valse hoedanigheid van het zijn van campingeigenaar een verdere schijn van geloofwaardigheid gegeven door [benadeelde 1] uit te nodigen voor een proefovernachting en hem te tonen dat hij beschikte over de sleutel van het chalet en van een publieke ruimte op de camping. [benadeelde 1] heeft onder invloed hiervan geldbedragen betaald van in totaal € 4.075,- ten behoeve van het chalet.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdachte door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels bij het slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen waardoor deze is bewogen tot de afgifte van geldbedragen van in totaal € 4.075,-.
Met betrekking tot feit 2 primair
Onder 2 primair wordt verdachte verweten dat hij een geldbedrag van € 350,- althans
€ 200,- heeft gestolen van [benadeelde 2] en/of [camping] .
[benadeelde 2] heeft hierover verklaard dat er een voorraad muntgeld uit zijn privékantoor op de camping is weggenomen en dat hij, in één van de bakken waarin dat geld lag, een briefje heeft aangetroffen waarop verdachte heeft geschreven dat hij € 200,- heeft geleend, terwijl verdachte geen toestemming had om geld weg te nemen. Nadat het kasboek voor de camping is opgemaakt, is gebleken dat een bedrag van € 350,- uit de muntenvoorraad miste. Deze verklaring van [benadeelde 2] vindt steun in de verklaring van verdachte dat hij inderdaad een geldbedrag uit de bak met wisselgeld heeft gehaald en een handgeschreven briefje heeft achtergelaten. Verdachte stelt weliswaar dat hij een lager bedrag van € 200,- aan wisselgeld heeft meegenomen, maar het hof heeft met betrekking tot de hoogte van het weggenomen geldbedrag geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde 2] te twijfelen, nu hij het bedrag van € 350,- heeft kunnen vaststellen aan de hand van het opgemaakte kasboek. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat een bedrag van
€ 150,- (het verschil tussen beide lezingen) op een ander moment of op andere wijze is verdwenen. Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een geldbedrag van € 350,-.
Met betrekking tot feit 3
Verdachte wordt onder feit 3 verweten dat hij een auto heeft verduisterd. Verdachte heeft op 11 mei 2018 een Volvo S70 ter reparatie aangeboden bij [benadeelde 3] en heeft toen een Volkswagen Up als leenauto meegekregen onder de afspraak dat deze op 16 mei 2018 moest worden teruggebracht. Verdachte heeft zich daaraan niet gehouden.
Na 16 mei 2018 heeft [benadeelde 3] bijna dagelijks contact met [verdachte] gehad via de telefoon, sms- en WhatsAppberichten en de auto teruggeëist, maar verdachte heeft dat telkens geweigerd en gezegd dat hij de auto nog nodig had. Uiteindelijk is de auto door de politie aangetroffen in België en heeft [benadeelde 3] deze op 26 mei 2018 zelf uit België moeten ophalen.
Het hof stelt vast dat verdachte heeft nagelaten de auto, die hij anders dan door misdrijf onder zich had, tijdig te retourneren aan het autobedrijf. De vraag die dient te worden beantwoord is of de verdachte zich de auto wederrechtelijk heeft toegeëigend. In dit geval is niet slechts sprake van een zuiver nalaten van verdachte om de leenauto aan het autobedrijf terug te geven. Namens het autobedrijf is bijna dagelijks met verdachte in contact getreden om de auto op te eisen. Verdachte heeft dat keer op keer geweigerd en is blijven volharden in zijn standpunt dat hij de auto nog nodig had.
Daaruit leidt het hof af dat de verdachte, zonder daartoe gerechtigd te zijn, in elk geval vanaf 17 mei 2018 als heer en meester over de leenauto is gaan beschikken. Hij heeft de auto kennelijk voor zichzelf willen behouden en heeft zich als eigenaar gedragen. Het hof acht ook het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij in de periode van 1 oktober 2017 tot en met 31 december 2017 te [plaats 1] en te [plaats 2] (België), met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten 4.075,- euro, door
- zich valselijk en in strijd met de waarheid voor te doen als de nieuwe campingeigenaar van [camping] te [plaats 2] (België), en
- aldus een chalet te koop aan te bieden aan [benadeelde 1] , en
- het chalet aan [benadeelde 1] te presenteren als een goed verhuurobject, en
- voor te wenden dat 70% van de verhuuropbrengsten voor [benadeelde 1] zou zijn, en
- aan te geven dat verdachte de verhuur van het chalet voor zijn rekening zou nemen, en
- [benadeelde 1] en een ander op die camping uit te nodigen voor een 'proefovernachting', en
- met behulp van de sleutel van een chalet en een publieke ruimte de indruk te wekken dat hij daadwerkelijk eigenaar was van die camping;
2 primair.
hij omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 31 december 2017 te [plaats 2] (België), met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
350,- euro, toebehorende aan [benadeelde 2] en/of [camping] ;
3.
hij in de periode van 17 mei 2018 tot en met 26 mei 2018 te [plaats 4] , opzettelijk een auto, merk Volkswagen UP, [kenteken] toebehorende aan [benadeelde 3] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als leenauto, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
oplichting.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
verduistering.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting door zich voor te doen als eigenaar van [camping] in België en vervolgens een chalet op die camping te verkopen, zonder dat hij daadwerkelijk enige zeggenschap had over dat chalet. Ook heeft verdachte een geldbedrag van € 350,- gestolen door een greep uit de muntvoorraad van de camping te doen. Naast de financiële schade die verdachte de benadeelden heeft berokkend, hebben deze feiten en de nasleep ervan ook een grote impact gehad op het welzijn van de slachtoffers, zo is gebleken uit hun verklaringen op de zitting bij het hof.
Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van een leenauto. Het betrokken autobedrijf heeft daardoor gedurende een week kosten gemaakt en veel moeite moeten doen om deze auto uiteindelijk terug te krijgen.
De bewezenverklaarde feiten laten samen een beeld zien van een verdachte die handelt in het belang van eigen financieel gewin en zich daarbij niets gelegen laat liggen aan de eigendomsrechten van anderen. Dat beeld wordt nog versterkt door een uitdraai van het strafblad van verdachte van 5 januari 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, onder andere voor oplichting en verzekeringsfraude. Daarnaast blijkt uit het dossier dat verdachte in 2019 ook in België onherroepelijk is veroordeeld voor “fraude met inbegrip van zwendel.”
Het hof ziet al met al een patroon van frauduleus gedrag van een verdachte, die andere mensen al jaren oplicht en bedondert. Verdachte lijkt daarin onverbeterlijk, aangezien eerdere veroordelingen kennelijk niet tot gedragsverandering hebben geleid en verdachte voor de nu bewezenverklaarde feiten geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen.
Over de persoon van verdachte is verder relatief weinig bekend geworden, nu verdachte bij de politierechter noch bij het hof ter zitting is verschenen. In een over hem opgemaakt reclasseringsrapport van 7 oktober 2025 is onder meer opgetekend dat verdachte gescheiden is, en dat hij kampt met schulden. Van bijzondere omstandigheden die nopen tot strafverzwaring dan wel strafmatiging is het hof niet gebleken.
Het hof is, gelet op de aard en de ernst van de feiten en op de eerdere veroordelingen van verdachte voor soortgelijke feiten van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegend, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 9.128,35 ingediend. De politierechter heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 4.075,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de politierechter gevorderde schadevergoeding.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte tot een bedrag van € 4.075,-. Het hof zal de vordering daarom tot dat bedrag toewijzen.
Het hof kan in deze procedure niet vaststellen dat de overige door de benadeelde gevorderde schade in rechtstreeks verband staat met het verwijt dat verdachte in de strafzaak wordt gemaakt. Het hof zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dat deel van de vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 35.402,81 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 200,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de politierechter gevorderde schadevergoeding.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte tot een bedrag van € 350,-. Het hof kan in deze procedure niet vaststellen dat de overige door de benadeelde gevorderde schade rechtsreeks is veroorzaakt is door het verwijt dat verdachte in de strafzaak wordt gemaakt. Hoewel die overige schadeposten weliswaar te plaatsen zijn in de context van de door verdachte gepleegde oplichting, is het samenstel van die afzonderlijke posten te complex om daarvan met de nu gegeven onderbouwing voor elk van die posten te kunnen vaststellen dat zij daadwerkelijk in
rechtstreeksverband met de door verdachte gepleegde handelingen staan. Een nader onderzoek daarnaar in deze strafprocedure zou nu een onevenredige belasting van de strafzaak opleveren. Het hof zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dat deel van de vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 703,49 ingediend. De politierechter heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 581,40. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de politierechter gevorderde schadevergoeding.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De hoogte van de schade is onderbouwd met een factuur van € 703,49, inclusief BTW. Het hof zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 581,40. Dit is het bedrag van de factuur exclusief de BTW. Het bedrag aan BTW wordt niet toegewezen, nu de benadeelde partij de mogelijkheid heeft deze te verrekenen. De benadeelde partij wordt in zoverre niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 57, 310, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 primair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 4.075,00 (vierduizend vijfenzeventig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.075,00 (vierduizend vijfenzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 oktober 2017.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 oktober 2017.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 581,40 (vijfhonderdeenentachtig euro en veertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 581,40 (vijfhonderdeenentachtig euro en veertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 mei 2018.
Dit arrest is gewezen door mr. G.A. Versteeg, mr. L.T. Wemes en mr. F. van der Maden, in aanwezigheid van de griffier D.D. Drost en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 20 februari 2026.