ECLI:NL:GHARL:2026:1029

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
21-002295-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens openlijke geweldpleging met taakstraf en gedeeltelijke schadevergoeding

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 23 februari 2026 het vonnis van de politierechter vernietigd en in hoger beroep opnieuw recht gedaan. Verdachte werd bewezen verklaard dat hij op 1 januari 2024 in vereniging openlijk geweld heeft gepleegd tegen een persoon door onder meer te duwen, slaan, trappen en bedreigen met een stok.

De verdediging voerde een beroep op noodweer(exces) en putatief noodweer aan, maar het hof verwierp deze verweren op basis van camerabeelden en verklaringen. Het hof oordeelde dat het geweld na het beëindigen van een mogelijke noodweersituatie plaatsvond en dat verdachte zich direct in het gevecht mengde.

De straf bestaat uit een taakstraf van 150 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest. Verdachte had geen eerdere veroordelingen. De benadeelde partij kreeg een gedeeltelijke schadevergoeding toegewezen van €5.977,99, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 2024. De overige schadevorderingen werden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, deels voorwaardelijk, en gedeeltelijke schadevergoeding aan het slachtoffer toegekend.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002295-24
Uitspraakdatum: 23 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland (locatie Groningen) van 15 mei 2024 met parketnummer 08-003934-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 9 februari 2026 en wat er op de zitting bij de politierechter besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. van den Hoonaard, en de benadeelde partij en zijn advocaat, mr. C.E. Jeekel, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 15 mei 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte voor openlijke geweldpleging veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, met aftrek van het voorarrest, waarvan 80 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft de politierechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 8.997,47, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij ten aanzien van het overige gevorderde (€ 6.298,61) niet-ontvankelijk verklaard in diens vordering.
Het hof heeft het bewijs dat de politierechter heeft gebruikt aangevuld, en komt tot een andere uitkomst bij de vordering benadeelde partij. Het hof zal voor de leesbaarheid en duidelijkheid het vonnis vernietigen, en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de politierechter is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 januari 2024 te [plaats] , openlijk, op de weg [straatnaam 1] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde] door tegen die [benadeelde] - te schreeuwen en/of te joelen en/of die [benadeelde] te duwen en/of (terwijl voornoemde [benadeelde] op de grond lag) die [benadeelde] meermalen, althans eenmaal op/tegen het gezicht/hoofd en/of borst, althans op/tegen diens lichaam, te slaan en/of te stompen en/of te stoten en/of te trappen en/of te schoppen en/of schoppende en/of trappende en/of zwaaiende bewegingen te maken in de richting van die [benadeelde] en/of met een stok die [benadeelde] te bedreigen en/of met een stok te zwaaien en/of die [benadeelde] te slaan met een stok en/of (als die [benadeelde] is opgestaan) die [benadeelde] te volgen en/of achter die [benadeelde] aan te rennen en/of die [benadeelde] in te sluiten en/of om die [benadeelde] heen te staan en/of te springen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor het plegen van openlijke geweldpleging.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van openlijke geweldpleging. Daartoe heeft hij aangevoerd dat uit de camerabeelden die zich in het dossier bevinden, niet blijkt dat verdachte geweldshandelingen heeft verricht ten aanzien van aangever. Verdachte heeft enkel de groep getalsmatig versterkt en dat is onvoldoende voor een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging.
Oordeel van het hof
Door het hof gebuikte bewijsmiddelen
1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 15 mei 2024, inhoudende - zakelijk weergegeven:
Op de camerabeelden is te zien dat ik als vierde persoon bij de groep aankom. Ik probeerde met mijn been het been van de aangever te haken.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 2 januari 2024, opgenomen op pagina 47 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0600-2024000553 van 10 januari 2024, inhoudende als verklaring van [benadeelde] - zakelijk weergegeven:
Op 1 januari 2024 was ik thuis in mijn woning aan de [straatnaam 1] te [plaats] .
Ik heb me omgedraaid en ben weer richting mijn huis van de groep vandaan gelopen. Na vijf of tien stappen, ik was ongeveer ter hoogte van huisnummer [nummer] , voelde ik ineens een hevige klap en pijn aan mijn achterhoofd. Daarna voelde ik een aantal harde klappen op mijn rug. Ik viel door de aanval op de grond en voelde dat ik van meerdere kanten hard werd geschopt. Ik voelde dat ik harde schoppen tegen mijn hoofd kreeg. Ik heb zes of zeven jongeren om mij heen gezien. Het lukte mij om op te staan en ik ben verder gelopen maar de groep kwam achter mij aan. Verderop op het [straatnaam 1] werd ik door de groep ingehaald en voelde ik dat ik weer aan aantal klappen kreeg.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 4 januari 2024, opgenomen op pagina 76 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas - zakelijk weergegeven:
Ik, verbalisant, zag op de camerabeelden van de openlijke geweldpleging, gepleegd in de nacht van 1 januari 2024 te [plaats] , het volgende:
Omstreeks 03.19.49 zie ik dat er over diezelfde stoep alwaar het slachtoffer loopt, uit dezelfde richting een persoon aan komt rennen. Deze persoon, hierna te noemen verdachte (
het hof begrijpt: [medeverdachte 1]), komt vanaf de achterzijde van het slachtoffer. Ik zie dat de verdachte een opvallende witte broek aan heeft. Ik zie dat de verdachte het slachtoffer ter hoogte van zijn hoofd raakt en daardoor ter val komt. Ik zie dat het slachtoffer dan nog op de grond ligt. Ik zie dat er achter de verdachte nog twee verdachten aan komen rennen (
het hof begrijpt: [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]). Ik zie dat één van deze verdachten (
het hof begrijpt: [medeverdachte 2]) het slachtoffer een harde trap geeft. Ik zie dat de verdachte die het slachtoffer de eerste klap vanachter gaf (
het hof begrijpt: [medeverdachte 1]), opnieuw meerdere trappen tegen het slachtoffer geeft. Ook de derde verdachte (
het hof begrijpt: [medeverdachte 3]) geeft trappen tegen het slachtoffer, ook tegen zijn hoofd. Ik zie dat de verdachte die als eerste het slachtoffer van achter een klap gaf, meerdere trappen tegen het hoofd van het slachtoffer geeft (
het hof begrijpt: [medeverdachte 1]). Ik zie dat de verdacht die als eerste het slachtoffer van achteren sloeg, iets oppakt bij een put die zich in de weg bevindt. Ik vermoed dat dit een stok is. Ik zie dat die verdachte de stok naar achter beweegt om vervolgens het slachtoffer te slaan. Omstreeks 03.20.00 zie ik dat het slachtoffer ruimte heeft om op te staan. Ik zie dat de twee verdachten nog steeds doorslaan in de richting van het slachtoffer, ook tegen het hoofd. Ik zie dat de verdachte die als eerste sloeg, nog steeds aanwezig is en ook slaat (
het hof begrijpt: [medeverdachte 1]). Ik zie dat er nog een aantal verdachten uit de richting van de [straatnaam 2] komen rennen (
het hof begrijpt: [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7]). Ik zie dat deze naar het slachtoffer rennen en slaande bewegingen maken. Ik zie dat er ongeveer zes verdachten het slachtoffer maar blijven slaan en trappen. Dit gaat door, totdat ik omstreeks 03.20.15 zie dat het slachtoffer in de richting van het [straatnaam 3] rent. Ik zie dat alle verdachten mee rennen met het slachtoffer.
4. Een naar wettelijk opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 4 januari 2024, opgenomen op pagina 102 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas - zakelijk weergegeven:
Hieronder is omschreven wat er bij het analyseren van de beelden is waargenomen:
Verdachte 4:
- Rent snel naar bovenstaande verdachte en slachtoffer toe
- Komt als eerste bij dit groepje aan
5. De eigen waarneming van het hof, gedaan ter terechtzitting van 9 februari 2026, inhoudende - zakelijk weergegeven:
Op de camerabeelden van de openlijke geweldpleging op 1 januari 2024 is te zien dat aangever met een stok in zijn hand richting de groep jongens loopt. Daarop gaat de groep uiteen, waarbij een deel richting de tunnel rent en een ander deel richting de [straatnaam 4] . Aangever maakt een slaande beweging naar iemand. Vervolgens loopt aangever uit beeld richting de [straatnaam 4] . Enige tijd later is te zien dat aangever weer in beeld komt en richting zijn huis loopt. Hij heeft de stok nog in zijn handen. Dan wordt hij door diegene waarvan uit het dossier blijkt dat het medeverdachte [medeverdachte 1] is, in de rug gesprongen en valt hij op de grond. Vervolgens wordt aangever door medeverdachte [medeverdachte 1] en nog twee andere medeverdachten, waarvan uit het dossier blijkt dat dit [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn, geschopt en slagen, waarbij hij zijn stok kwijtraakt. Medeverdachte [medeverdachte 1] pakt de stok op en dreigt meermalen aangever daarmee te slaan. Op enig moment weet aangever op te staan. Het gevecht gaat door als aangever overeind is gekomen. Dan komt verdachte samen met nog drie andere medeverdachten uit de richting van de tunnel aanrennen. Verdachte rent voorop en komt als eerste bij de vechtende groep aan. Verdachte mengt zich direct in het gevecht door bij aankomst met kracht zijn knie op te trekken en (te proberen) aangever zo te raken. Op enig moment rent aangever naar zijn huis. De groep jongens, waaronder verdachte, rent dan achter aangever aan.
Bewijsoverweging
Het hof stelt voorop dat van het ‘in vereniging’ plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.
Op de ter terechtzitting in hoger beroep getoonde camerabeelden heeft het hof waargenomen dat nadat het slachtoffer ten val is gebracht, hij door drie medeverdachten wordt geschopt en geslagen terwijl hij op de grond ligt. Wanneer aangever op enig moment weet op te staan, komt verdachte samen met drie andere medeverdachten aanrennen en mengt verdachte zich direct in het gevecht. Het kan niet anders dan dat verdachte heeft gezien dat er een gevecht gaande was. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het been van aangever wilde haken. Met de politierechter is het hof van oordeel dat voornoemd handelen van verdachte een voldoende significante bijdrage aan het geweld oplevert, zodat de tenlastegelegde openlijke geweldpleging wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 1 januari 2024 te [plaats] , openlijk, op de weg [straatnaam 1] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde] door tegen die [benadeelde] te duwen en (terwijl voornoemde [benadeelde] op de grond lag) die [benadeelde] meermalen tegen het hoofd en borst, te slaan en te trappen en te schoppen en met een stok die [benadeelde] te bedreigen en met een stok te zwaaien en die [benadeelde] te slaan met een stok en (als die [benadeelde] is opgestaan) die [benadeelde] te volgen en achter die [benadeelde] aan te rennen
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van verdachte

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een geslaagd beroep op noodweer(exces), dan wel putatief noodweer toekomt. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte enkel een vriend, die door aangever met een stok werd geslagen, wilde verdedigen. Daarbij is verdachte in de richting van aangever gerend en heeft hij vervolgens geprobeerd het been van aangever te haken om de stok van hem af te kunnen pakken. Door zo te handelen heeft verdachte niet de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit overschreden.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer(exces), dan wel putatief noodweer dient te worden verworpen.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) onder meer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
Op de ter terechtzitting in hoger beroep waargenomen camerabeelden is te zien dat, nadat aangever richting één van de medeverdachten een slaande beweging met een stok heeft gemaakt, aangever aanvankelijk achter medeverdachten aanloopt, maar dan terugloopt richting zijn huis. De groep jongens is op dat moment uiteen gegaan en niet in beeld. Vervolgens wordt aangever door medeverdachte [medeverdachte 1] in de rug getrapt, waardoor aangever ten val komt. Kort daarna komen nog twee andere medeverdachten aanrennen en beginnen zij, samen met medeverdachte [medeverdachte 1] , aangever te schoppen en te slaan. Dat verdachte naar eigen zeggen medeverdachte [medeverdachte 3] wilde helpen en daarom richting aangever is gerend om hem de stok afhandig te maken, komt niet overeen met hetgeen op de beelden te zien is. Te zien is immers dat verdachte bij aankomst zich direct in het gevecht mengt door (te proberen) aangever met zijn knie te raken. Op het moment dat verdachte bij de vechtende groep aankomt is de stok waarover verdachte spreekt bovendien al enige tijd niet meer in handen van aangever, maar in handen van medeverdachte [medeverdachte 1] . Hieruit leidt het hof af dat een (mogelijke) noodweersituatie reeds was geëindigd op het moment dat aangever terug naar zijn eigen huis liep en een trap in zijn rug kreeg en op de grond viel. Het beroep op noodweer(exces) wordt daarom verworpen. Daarbij merkt het hof op dat de stelling van de verdediging dat sprake was van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, op geen enkele wijze is onderbouwd.
Naar het oordeel van het hof biedt het dossier ook geen aanknopingspunten op grond waarvan geoordeeld kan worden dat verdachte (abusievelijk) redelijkerwijs mocht veronderstellen dat van een noodweersituatie sprake was, waarbij aangever opnieuw de aanval zou inzetten. Immers, op het moment dat verdachte richting aangever rende, bevond [medeverdachte 7] zich achter hem. [medeverdachte 7] heeft verklaard dat hij aangever op dat moment op de grond zag liggen en er een paar jongens om aangever heen stonden. Naar het oordeel van het hof kan het gelet daarop niet anders dan dat verdachte ook gezien heeft dat deze bij aangever stonden en zij hem trapten en sloegen. De verklaring van verdachte dat hij niet heeft gezien van wat er op dat moment gaande was, wordt dan ook terzijde gelegd. Het hof verwerpt daarom het beroep op putatief noodweer.
Het bewezenverklaarde is daarmee strafbaar en levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte, conform de beslissing van de politierechter, wordt veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, met aftrek van het voorarrest, waarvan 80 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en het feit dat verdachte
first offenderis, en aan verdachte een lagere straf op te leggen dan de politierechter heeft gedaan.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich in de nacht van 31 december 2023 op 1 januari 2024 in [plaats] samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Nadat het slachtoffer verdachte en de medeverdachten had aangesproken op hun gedrag in verband met het afsteken van vuurwerk, ontstond er een woordenwisseling en een handgemeen. Daarna werd het slachtoffer ten val gebracht en meermalen door verdachte en de medeverdachten geschopt en geslagen. Verdachte heeft, door zo te handelen, een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dit gewelddadig handelen vond bovendien plaats op de openbare weg, hetgeen in de samenleving gevoelens van onrust en onveiligheid kan veroorzaken. Tot aan de zitting in hoger beroep heeft verdachte geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen, ook niet nadat hij nog eens met de beelden is geconfronteerd. Wel weegt het hof mee dat verdachte aan kleiner aandeel in het geweld heeft gehad dan een aantal van zijn medeverdachten en geen initiërende rol in het geweld had.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 5 januari 2026. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Verder heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die blijken uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep door verdachte en zijn raadsman naar voren zijn gebracht.
Alles afwegende, acht het hof, net als de politierechter en de advocaat-generaal, oplegging van een taakstraf van 150 uren, met aftrek van het voorarrest, waarvan 80 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, een passende en noodzakelijke bestraffing. Daarbij dient het voorwaardelijke strafdeel als stok achter de deur, om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst (soortgelijke) strafbare feiten te plegen, al dan niet door het zich laten leiden door het gedrag van anderen. Het lijkt er namelijk volgens het hof op dat verdachte zich in dit geval heeft laten meeslepen door de andere jongens van de groep in combinatie met het gebruik van alcohol. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om een lagere straf op te leggen. Oplegging van een lagere straf zou naar het oordeel van het hof onvoldoende recht doen aan de ernst van het feit.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingediend. Deze vordering bedraagt € 15.296,08, bestaande uit € 5.296,08 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 8.997,47.
De benadeelde partij heeft zijn vordering in hoger beroep aanvankelijk gehandhaafd en vervolgens het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering verlaagd tot een bedrag van € 12.404,07, bestaande uit € 6.404,08 uit materiële schade en € 6.000,00 aan immateriële schade.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich, onder verwijzing naar jurisprudentie, op het standpunt gesteld dat het verhogen van reeds gevorderde schadeposten in hoger beroep niet mogelijk is. Verder heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering voor wat betreft de materiële en immateriële schade hoofdelijk wordt toegewezen conform de beslissing van de politierechter, met uitzondering van de schadepost ‘tandartskosten’. Deze schadepost is in hoger beroep verlaagd tot € 1.047,09 en dient tot dat bedrag hoofdelijk te worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht, bij veroordeling, conform de vordering van de advocaat-generaal te beslissen.
Oordeel van het hof
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Het hof is van oordeel dat de volgende gevorderde schadeposten kunnen worden toegewezen. Deze kosten zijn niet door de verdediging betwist:
- Eigen risico zorgverzekering € 385,00
- Kledingschade € 75,00
- Kosten gebitsletsel € 1.047,09
- Eigen bijdrage ARAG rechtsbijstand € 250,00
Voor wat betreft de gevorderde schadepost ‘reiskosten’ overweegt het hof als volgt.
De artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geven, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling van de kosten waarin een in het ongelijk gestelde partij kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 238, eerste en tweede lid, en artikel 239 Rv Pro, in onderlinge samenhang bezien, komen alleen voor vergoeding in aanmerking reis-, verlet- en verblijfkosten voor het bijwonen van de zitting van de partij die aanspraak heeft op proceskostenvergoeding indien in persoon mag worden geprocedeerd en in persoon is geprocedeerd. Voor andere reis-, verlet- en verblijfkosten - zoals voor een bezoek aan de politie, een advocaat en mediation - kent de proceskostenregeling geen vergoeding.
De gevorderde reiskosten voor een bezoek aan de politie, een advocaat en mediation zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen. Het hof is van oordeel dat de gevorderde reiskosten die gemaakt zijn om de zitting in eerste aanleg bij te wonen ook niet toewijsbaar zijn, omdat de benadeelde partij heeft geprocedeerd met bijstand van een advocaat en dus niet in persoon. Deze reiskosten worden daarom ook afgewezen.
De benadeelde partij heeft de gevorderde schadepost ‘verlies aan verdienvermogen’ in hoger beroep verhoogd naar € 4.170,00. Ingevolge artikel 421, derde lid van het Wetboek van Strafvordering kan, voor zover de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen, de benadeelde partij zich in hoger beroep voegen binnen de grenzen van de eerste vordering. Deze beperking betekent dat de benadeelde partij in hoger beroep geen nieuwe schadeposten mag opvoeren of reeds gevorderde schadeposten mag verhogen. Het hof zal de benadeelde partij om die reden niet-ontvankelijk verklaren in diens vordering voor zover het gaat om deze verhoogde schadepost. De schadepost zoals reeds gevorderd in eerste aanleg, levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op nu onvoldoende is onderbouwd wat maakt dat de benadeelde partij dit schadebedrag heeft geleden terwijl hij zijn salaris ondertussen wel heeft genoten. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in deze schadepost en kan deze vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Gelet op de bedragen die in soortgelijke gevallen in strafzaken worden toegewezen, zal het hof de immateriële schade naar billijkheid begroten op een bedrag van € 4.000,00. Het hof zal de benadeelde partij ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Het hof zal voor zowel de materiële als de immateriële schade de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 januari 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering grotendeels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de wettelijke rente over de toegewezen schadebedragen en de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of wettelijke rente en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte of zijn mededaders wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 5.977,99 (vijfduizend negenhonderdzevenenzeventig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 1.977,99 (duizend negenhonderdzevenenzeventig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 256,08 (tweehonderdzesenvijftig euro en acht cent) aan materiële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.977,99 (vijfduizend negenhonderdzevenenzeventig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 1.977,99 (duizend negenhonderdzevenenzeventig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 54 (vierenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 januari 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. J.A.M. Kwakman en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.J. Flach en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 23 februari 2026.