ECLI:NL:GHARL:2026:1030

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
21-000922-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 138ab Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens online handelsfraude, witwassen en computervredebreuk met gevangenisstraf van 36 maanden

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 23 februari 2026 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 25 februari 2025. Verdachte werd beschuldigd van online handelsfraude, witwassen, computervredebreuk, het bezit van grote hoeveelheden persoonsgegevens en phishingsoftware, en diefstal met een valse sleutel.

Het hof bevestigde de bewezenverklaring van de rechtbank op basis van bewijsmiddelen en de bekennende verklaring van verdachte. De straf werd echter aangepast: verdachte kreeg een gevangenisstraf van 36 maanden opgelegd, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De vorderingen tot schadevergoeding van meerdere benadeelden werden grotendeels toegewezen, met enkele uitzonderingen waarbij vorderingen niet-ontvankelijk werden verklaard.

De strafrechtelijke beoordeling hield rekening met de ernst van de feiten, het hoge recidiverisico en het feit dat verdachte tijdens schorsing van voorlopige hechtenis nieuwe strafbare feiten pleegde. Het hof zag daarom geen ruimte voor een deels voorwaardelijke straf. De schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd om de benadeelden tegemoet te komen. Het vonnis van de rechtbank werd op onderdelen vernietigd en in die onderdelen opnieuw recht gedaan.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en toewijzing van diverse schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000922-25
Uitspraakdatum: 23 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland (locatie Assen) van 25 februari 2025 en het herstelvonnis daarvan van 4 maart 2025, in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-068806-24 en 18-307901-24, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-196187-20, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
op dit moment verblijvende in P.I. [locatie]

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 9 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B. van Elst, hebben aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 25 februari 2025, waartegen het hoger beroep is gericht,
  • verdachte veroordeeld voor online handelsfraude, witwassen, computervredebreuk, het voorhanden hebben van grote hoeveelheden persoonsgegevens, phishing panels en andere gegevens en software, geschikt om accounts te hacken, en het plegen van diefstal met een valse sleutel, tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 325,95 (materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en ten aanzien van het overige gevorderde (€ 500,00 immateriële schade) afgewezen,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] hoofdelijk toegewezen (€ 515,50 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] hoofdelijk toegewezen (€ 709,20 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] hoofdelijk toegewezen (€ 500,00 immateriële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 659,50 (materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en ten aanzien van het overige gevorderde (€ 250,00 immateriële schade) afgewezen,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 6] hoofdelijk toegewezen (€ 509,20 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 7] hoofdelijk toegewezen (€ 467,50 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 22] hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 329,95 (materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en geen beslissing genomen ten aanzien van het overige gevorderde (€ 100,00 materiële schade),
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 8] hoofdelijk toegewezen (€ 131,75 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 9] hoofdelijk toegewezen (€ 550,00 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 10] hoofdelijk toegewezen (€ 607,75 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 11] hoofdelijk toegewezen (€ 256,95 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 12] hoofdelijk toegewezen (€ 206,75 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 13] hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 50,00 (materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en geen beslissing genomen ten aanzien van het overige gevorderde (€ 1.325,00 proceskosten),
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 14] hoofdelijk toegewezen (€ 200,00 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 15] hoofdelijk toegewezen (€ 515,00 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 16] hoofdelijk toegewezen (€ 500,00 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 17] hoofdelijk toegewezen (€ 106,75 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 18] hoofdelijk toegewezen (€ 309,25 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 19] hoofdelijk toegewezen (€ 381,75 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 20] hoofdelijk toegewezen (€ 200,00 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 21] hoofdelijk toegewezen (€ 206,95 materiële schade), vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
  • de benadeelde partij [benadeelde 24] niet-ontvankelijk verklaard in diens vordering tot schadevergoeding,
  • de benadeelde partij [benadeelde 25] niet-ontvankelijk verklaard in diens vordering tot schadevergoeding,
  • de benadeelde partij [benadeelde 26] niet-ontvankelijk verklaard in diens vordering tot schadevergoeding,
  • de benadeelde partij [benadeelde 23] niet-ontvankelijk verklaard in diens vordering tot schadevergoeding, en
  • de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling afgewezen.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist. Op grond van de bewijsmiddelen zoals die in het vonnis zijn uitgewerkt en de bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voornoemde strafbare feiten. Het hof zal dit deel van het vonnis dan ook bevestigen, met aanvulling van de bewijsmiddelen. Het hof komt echter tot een andere straf dan de rechtbank en tot (deels) andere beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen, en zal daarom dat deel van het vonnis vernietigen.

Aanvulling van bewijsmiddelen

Het hof vult de bewijsmiddelen die in het vonnis zijn opgenomen, als volgt aan:
De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2026, inhoudende - zakelijk weergegeven:
Ik ben het eens met de beslissing van de rechtbank om mij voor medeplegen van alle feiten te veroordelen. Ik neem voor de feiten de volle verantwoordelijkheid.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft, mede gelet op de ernst van de feiten, de hoge kans op herhaling en het advies van de reclassering, gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden, met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om een lagere (gevangenis)straf op te leggen dan de straf die is opgelegd door de rechtbank. Sinds de moeder van verdachte het contact bijna geheel heeft verbroken, heeft er bij verdachte een omslag plaatsgevonden. Hij is gemotiveerd om aan zichzelf te werken. Verdachte heeft zich uit eigen beweging aangemeld voor psychologisch onderzoek en behandeling, nadat het verzoek van de verdediging om nadere rapportage door de raadsheer-commissaris was afgewezen. Hiermee zal in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling een begin worden gemaakt.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, het reclasseringsrapport van 24 januari 2025 en het strafblad van verdachte van 5 januari 2026.
Het hof verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank omtrent de op te leggen straf waar de rechtbank overweegt (hierna cursief weergegeven):
De verdachte is als medepleger betrokken geweest bij online handelsfraude door op verschillende websites goederen te koop aan te bieden, die - na ontvangst van de betaling door de slachtoffers - niet werden geleverd. Door de handelswijze van verdachte is een groot aantal slachtoffers financieel benadeeld. Daarnaast wordt door dit soort feiten ook het algemene vertrouwen dat het publiek in online handel heeft, aangetast. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van de geldbedragen, verkregen uit die online handelsfraude. Het geld dat met de online handelsfraude werd verkregen, werd naar andere rekeningen overgeboekt en vervolgens gepind door verdachte en/of aan hem overhandigd. Dit witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financiële en economische verkeer. Op die manier heeft de verdachte ook derden bij zijn strafbare feiten betrokken.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van computervredebreuk en het voorhanden hebben van onder meer een grote hoeveelheid persoonsgegevens, phishing panels en andere gegevens en software, die in verband worden gebracht met het plegen van fraude. Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van diefstal met valse sleutels, en dat in verband met bankhelpdeskfraude. Bankhelpdeskfraude is een veelvoorkomende en ingrijpende vorm van fraude, waarbij misbruik wordt gemaakt van het gewekte vertrouwen bij het slachtoffer. Verdachte heeft enkel uit financieel gewin gehandeld en heeft geen oog gehad voor de kwetsbaarheid en de belangen van de slachtoffers. (…)
De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten, waaronder online handelsfraude. (…)
Uit het reclasseringsrapport van 24 januari 2025 blijkt dat (…) het recidiverisico wordt als hoog ingeschat.
In aanvulling hierop overweegt het hof als volgt. De voorlopige hechtenis van verdachte is op 8 augustus 2024 door de rechtbank geschorst. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de schorsing van de voorlopige hechtenis bij beslissing van 17 juli 2025 van het hof is opgeheven in verband met een nieuwe verdenking wegens oplichting. Verdachte heeft deze feiten bekend.
Vanwege het hoge risico op recidive en het feit dat verdachte wordt verdacht van het plegen van nieuwe strafbare feiten tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis, ziet het hof - anders dan de rechtbank - geen mogelijkheden om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Ook wordt afgezien van het opleggen van bijzondere voorwaarden, omdat een voorwaardelijke invrijheidstelling naar het oordeel van het hof voldoende mogelijkheden biedt aan begeleiding, hulp en steun voor verdachte ten aanzien van het door hem gewenste psychologisch onderzoek en behandeling. Op het moment dat verdachte mogelijk in aanmerking komt voor een voorwaardelijke invrijheidstelling, kan beter dan bekeken worden wat verdachte nog nodig heeft aan behandeling en begeleiding. Er kunnen dan voorwaarden aan verbonden worden die aansluiten bij zijn behoeften en de noodzaak tot beperking van het recidivegevaar. Verder zal het mede van de motivatie van verdachte afhangen of verdachte hiervoor in aanmerking komt. Mocht verdachte toch laten blijken zich daarvoor onvoldoende in te zetten of opnieuw recidiveren, dan kan de voorwaardelijke invrijheidstelling eenvoudiger worden opgeheven dan het tenuitvoerleggen van een voorwaardelijk strafdeel waaraan bijzondere voorwaarden gekoppeld zijn. Verdachte zal zelf moeten laten zien dat hij blijvend gemotiveerd is tot een gedragsverandering, en dat hij bereid en in staat is zich aan de dan te stellen voorwaarden te houden.
Alles afwegende, is het hof van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, een passende en noodzakelijke bestraffing is. Als verdachte in aanmerking komt voor de volledige duur van de voorwaardelijke invrijheidstelling, betekent dit dat de tijd die verdachte in de gevangenis moet doorbrengen netto even lang duurt als de gevangenisstraf die hem door de rechtbank was opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste wijze heeft beslist ten aanzien van de ingediende vorderingen tot schadevergoeding (zoals weergegeven onder ‘Het vonnis waarvan beroep’) van de hierna vermelde benadeelde partijen. Het hof zal dit deel van het vonnis dan ook bevestigen en om die reden deze beslissingen niet nader in het arrest vermelden. Het gaat om de volgende benadeelde partijen:
[benadeelde 1]
[benadeelde 2]
[benadeelde 3]
[benadeelde 4]
[benadeelde 5]
[benadeelde 6]
[benadeelde 7]
[benadeelde 8]
[benadeelde 9]
[benadeelde 10]
[benadeelde 11]
[benadeelde 12]
[benadeelde 13]
[benadeelde 14]
[benadeelde 15]
[benadeelde 16]
[benadeelde 17]
[benadeelde 18]
[benadeelde 19]
[benadeelde 20]
[benadeelde 21]
Het hof komt echter tot andere beslissingen dan de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van de hierna vermelde benadeelde partijen, en zal daarom dat deel van het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen. Het gaat om de volgende benadeelde partijen:
22. [benadeelde 22]
22. [benadeelde 23]
Voor wat betreft de benadeelde partijen [benadeelde 24] , [benadeelde 25] en [benadeelde 26] overweegt het hof als volgt. De rechtbank heeft voornoemde benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in diens vorderingen tot schadevergoeding. Uit het dossier blijkt echter dat zij via een wensenformulier hebben aangegeven
geenvorderingen tot schadevergoeding te willen indienen. Dat betekent dat zij zich formeel in eerste aanleg niet als benadeelde partijen in het strafproces hebben gevoegd. Het hof zal de behandeling van deze vorderingen in hoger beroep dan ook achterwege laten.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen conform de beslissingen van de rechtbank dienen te worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht conform de vordering van de advocaat-generaal te beslissen.
Oordeel van het hof
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 22]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 429,95, bestaande uit materiële schade, ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 329,95 en heeft geen beslissing genomen ten aanzien van het overige gevorderde (€ 100,00). De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 329,95, door het in de zaak met parketnummer 18-068806-24 onder 1 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte en zijn medeverdachte(n). Verdachte is hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot voornoemd bedrag zal worden toegewezen.
Voor wat betreft de overige gevorderde materiële schade (€ 100,00) is het hof van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Het hof zal de benadeelde partij voor dat deel in diens vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren, omdat het aanhouden van de strafzaak om de vordering nader te laten onderbouwen een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 23]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 612,50, bestaande uit materiële schade, ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 162,50, door het in de zaak met parketnummer 18-068806-24 onder 1 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte en zijn medeverdachte(n). Verdachte is hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot voornoemd bedrag zal worden toegewezen.
Voor wat betreft de overige gevorderde materiële schade (€ 450,00), door de benadeelde partij omschreven als ‘proceskosten’, is het hof van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Het hof zal de benadeelde partij voor dat deel in diens vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren, omdat het aanhouden van de strafzaak om de vordering nader te laten onderbouwen een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 47, 57, 63, 138ab, 234, 311, 326e en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
36 (zesendertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 22]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 22] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-068806-24 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 329,95 (driehonderdnegenentwintig euro en vijfennegentig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 22] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-068806-24 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 329,95 (driehonderdnegenentwintig euro en vijfennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 januari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 23]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 23] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-068806-24 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 162,50 (honderdtweeënzestig euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 23] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-068806-24 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 162,50 (honderdtweeënzestig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 28 januari 2024.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. L. Pieters, mr. T.H. Bosma en mr. J.A.M. Kwakman, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.J. Flach en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 23 februari 2026.

Voetnoten

1.In het vonnis van de rechtbank van 25 februari 2025 staat de naam van [benadeelde 8] verkeerd in het dictum vermeld, te weten als: [benadeelde 8] . Deze kennelijke verschrijving is bij herstelvonnis van 4 maart 2025 door de rechtbank hersteld.