ECLI:NL:GHARL:2026:1074

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
200.356.306
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 283 RvArt. 130 RvArt. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging hoofdverblijfplaats minderjarige bij vader in geschil tussen ouders

De moeder en vader, beiden met de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit, zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk het gezag uit over hun minderjarige kind, geboren in 2021. De rechtbank had de hoofdverblijfplaats van het kind bij de vader vastgesteld, wat de moeder betwistte en in hoger beroep ging.

De moeder stelde dat zij de hoofdverzorger was en dat de vader door zijn werk en het inschakelen van grootouders niet voldoende zorg kon bieden. Zij vreesde dat de huidige regeling te belastend was voor het kind, mede door gedragsproblemen op school. De vader voerde aan dat hij zelf voor het kind zorgt en dat de moeder onvoldoende samenwerkt, terwijl er geen aanwijzingen zijn dat de vader tekortschiet in de zorg.

De raad voor de kinderbescherming adviseerde de beslissing van de rechtbank te handhaven, stellende dat de problemen van het kind mogelijk voortkomen uit de echtscheidingsproblematiek en niet direct uit de hoofdverblijfplaats.

Het hof liet een vermeerdering van het verzoek van de moeder buiten beschouwing wegens gebrek aan nieuwe omstandigheden en bevestigde de hoofdverblijfplaats bij de vader. Het hof vond geen bewijs dat de zorgen van de moeder verband hielden met de verblijfplaats en benadrukte dat de vader meer ruimte biedt aan de moeder in het ouderschap. De proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader en wijst het verzoek van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.306
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 541814)
beschikking van 24 februari 2026
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.S. Rabarison,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. S. Toughza.
Als informant is aangemerkt:
de gecertifieerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering
gevestigd te Amsterdam,
verder te noemen: de GI.

1.1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer 541814 (hierna ook: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 juni 2025;
- het verweerschrift met producties;
- een brief van de GI van 17 november 2025 met producties;
- een journaalbericht namens de vader van 20 november 2025 met producties;;
- een journaalbericht namens de moeder van 21 november 2025 met een brief met producties met een wijziging van het verzoek;
- een journaalbericht namens de vader van 1 december 2025 met producties;
- een journaalbericht namens de moeder van 6 januari 2026 met een brief en producties en
- een journaalbericht namens de vader van 12 januari 2026 met een brief en producties.
2.2
De (eerste) mondelinge behandeling heeft op 2 december 2025 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mr. Rabarison;
- de vader, bijgestaan door mr. Toughza en
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).
2.3
Tijdens die mondelinge behandeling van 2 december 2025 bleek dat de GI de oproep voor 2 december 2025 met het gewijzigde tijdstip niet had ontvangen. Om die reden heeft het hof de mondelinge behandeling aangehouden en is deze op 16 januari 2026 voortgezet.
Op deze mondelinge behandeling zijn zowel de hoofdverblijfplaats (zaaknummer 200.356.306) als de zorgregeling (zaaknummer 200.359.895) besproken. Hierbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mr. Rabarison;
- de vader, bijgestaan door mr. Toughza,
- twee vertegenwoordigers van de GI en
- een vertegenwoordiger van de raad .

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader hebben de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.
3.2
De moeder en de vader zijn met elkaar getrouwd geweest. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2021.
3.3
De moeder en de vader oefenen samen het gezag uit over [de minderjarige] .
3.4
[de minderjarige] stond tot 20 december 2025 onder toezicht van de GI. Daarna is geen verlenging meer verzocht, zodat de ondertoezichtstelling inmiddels is geëindigd.

4.De omvang van het geschil

4.1
De ouders zijn het niet met elkaar eens over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de zorgregeling tussen de ouders en [de minderjarige] . Over de zorgregeling zal het hof een afzonderlijke beschikking geven (zaaknummer 200.359.895).
4.2
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader bepaald.
4.3
De moeder is het niet eens met deze beslissing. Zij is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar vast te stellen, uitvoerbaar bij voorraad.
4.4
In de brief van 21 november 2025 heeft de moeder haar verzoek gewijzigd. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar vast te stellen en/of te bepalen dat [de minderjarige] in het BRP op haar adres wordt ingeschreven, uitvoerbaar bij voorraad.
4.5
De vader voert verweer en hij vraagt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoeken af te wijzen, en de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure. Ten aanzien van het gewijzigde verzoek voert de vader aan dat deze in strijd is met de goede procesorde en daarom buiten beschouwing moet blijven.

5.De motivering van de beslissing

Wat staat in de wet?
5.1
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Wat vindt de moeder?
5.2
De moeder stelt dat zij de hoofdverzorger van [de minderjarige] is (geweest). Zij heeft altijd het grootste deel van de dagelijkse verzorging op zich heeft genomen. De vader doet daarentegen regelmatig en voor langere periodes een beroep op zijn ouders (de grootouders van [de minderjarige] ) als oppas. De vader lijkt door zijn baan niet beschikbaar om de dagelijkse zorg zelf te dragen. De observaties van de privé detective die (door familie van de moeder) is ingeschakeld, bevestigen dat de vader en [de minderjarige] structureel zeer laat thuiskomen en dat [de minderjarige] veel bij de grootouders is.
De hoofdverblijfplaats moet worden bepaald bij de ouder waar [de minderjarige] de meeste stabiliteit, continuïteit en dagelijkse verzorging ervaart. Het huidige gedrag van [de minderjarige] op school en de zorgen die er over hem op school zijn, laten zien dat de huidige regeling niet passend en te belastend is. De beperkte beschikbaarheid van de vader, zijn hoge werkdruk en het gebrekkige toezicht op de dagen dat de vader thuis werkt, maken dat hij [de minderjarige] op die momenten niet de nodige rust, aandacht en structuur kan bieden. De moeder kan dat wel. Ten slotte stelt de moeder dat de communicatie en samenwerking tussen de ouders structureel zijn verstoord door intieme terreur tijdens huwelijk.
Wat vindt de vader?
5.3.
De vader voert aan dat de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem heeft bepaald, omdat hij de ouder is die in staat is om de moeder een rol in het leven van [de minderjarige] te gunnen. Dit in tegenstelling tot de moeder. Zij heeft in afgelopen drie jaren voldoende kansen gekregen om te laten zien dat zij bereid is om met de vader samen te werken, maar daarvan heeft zij geen gebruik gemaakt.
Er zijn geen contra-indicaties om de hoofdverblijfplaats bij de vader te bepalen. Er zijn meerdere onderzoeken (met onaangekondigde huisbezoeken) geweest en geen enkel onderzoek heeft uitgewezen dat de zorgen van de moeder gegrond zijn. De vader zorgt zelf voor [de minderjarige] en plant zijn werk om de zorgdagen heen. De vader betwist dat sprake is (geweest) van intieme terreur. Toewijzing van de hoofdverblijfplaats bij de vader is noodzakelijk om de rol van beide ouders in het leven van [de minderjarige] te kunnen garanderen.
Wat adviseert de raad?
5.4
De raad adviseert het hof om beslissingen van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling in stand te houden. De raad kan niet concluderen dat de zorgen die de moeder over [de minderjarige] heeft (bijvoorbeeld over zijn gedrag op school en zijn vermoeidheid) worden veroorzaakt door de vader, maar ook niet dat die worden veroorzaakt door de moeder. Misschien heeft [de minderjarige] wel moeite met alle prikkels op school en de wisselingen tussen de ouders. De school oppert dat het gedrag van [de minderjarige] kan voortkomen uit de echtscheidingsproblematiek tussen de ouders. Volgens de raad kan daar de kern zitten. Er wordt namelijk door de ouders al bijna het hele leven van [de minderjarige] (over hem) geprocedeerd. [de minderjarige] kan merken dat het tussen de ouders moeizaam gaat.
Er is geprobeerd om een basis te creëren tussen de ouders door de inzet van [naam praktijk] en door de ondertoezichtstelling. Wat steeds naar voren komt, aldus de raad, is dat het wantrouwen van de moeder naar de vader zo groot is dat het niet mogelijk om een gezonde basis te creëren. [naam praktijk] heeft tegen de moeder gezegd dat ze moet stoppen met het zoeken naar bewijzen dat de vader geen goede opvoeder is. De raad is het hiermee eens. De ouders moeten zich op zichzelf richten om vanuit Parallel Solo Ouderschap (PSO) de beste ouder te zijn die ze kunnen zijn en elkaar loslaten. De rechtbank heeft het hoofdverblijf van [de minderjarige] bepaald bij de ouder die de meeste ruimte kan geven aan de andere ouder, dat is de vader, en daar is de raad het mee eens.
Het oordeel van het hof
5.5
Het hof zal eerst ingaan op de vraag of het gewijzigde verzoek van de moeder door het hof wordt toegelaten. De advocaat van de moeder heeft op de mondelinge behandeling bevestigd dat het verzoek van 21 november 2025 een vermeerdering is ten opzichte van het verzoek in het beroepschrift. In beginsel heeft de moeder het recht om haar verzoek in hoger beroep te vermeerderen. [1] Maar, veranderingen of vermeerderingen van het verzoek in hoger beroep moeten bij beroepschrift worden aangevoerd. Van deze strakke regel kan worden afgeweken als er nieuwe omstandigheden zijn, die voor de juiste en volledige beoordeling van het geschil van belang zijn. [2] Daarbij blijft gelden dat toelating van de verandering of vermeerdering van het verzoek niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde.
Het hof is van oordeel dat de moeder – gelet ook op de betwisting door de vader – onvoldoende heeft gesteld dat sprake is van nieuwe omstandigheden die de vermeerdering van het verzoek in dit stadium rechtvaardigen. Het hof zal daarom het vermeerderde verzoek buiten beschouwing laten en alleen oordelen over het oorspronkelijke verzoek.
5.6
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader moet zijn. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank na eigen onderzoek over en voegt daar het volgende aan toe.
De moeder heeft zorgen over [de minderjarige] , onder meer over zijn gedrag op school en zijn vermoeidheid als hij bij haar verblijft. In de e-mailberichten van de GI van 2 en 12 december 2025 staat dat de individueel begeleider van de school van [de minderjarige] heeft geschreven dat de school regelmatig ongewenst gedrag van [de minderjarige] ziet. Het hof begrijpt dat de moeder daarover zorgen heeft. Maar, anders dan de moeder, is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat deze zorgen verband houden met de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader. Ook zijn er geen aanwijzingen dat de zorgen over [de minderjarige] op school zullen verminderen of verdwijnen als de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder zou worden bepaald. Daarbij vindt het hof het van belang dat de GI, naar aanleiding van het advies van de school voor een kindercoach of speltherapeut voor [de minderjarige] , bij de afronding van de ondertoezichtstelling een stap heeft gezet om deze hulp in te zetten, en op die manier de zorgen weg te nemen. Ook ten aanzien van de andere door de moeder gestelde zorgen is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat deze verband houden met vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader. Ten slotte vindt het hof dat de vader meer in staat lijkt om ruimte te geven aan de moeder in haar ouderschap dan andersom. Dit wordt naar het oordeel van het hof bevestigd in de door beide ouders overgelegde berichten tussen hen beide. Daaruit komt het beeld naar voren dat de moeder aanhoudend, en op detailniveau, kritisch blijft over de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] door de vader. Ook dat weegt het hof mee in zijn beslissing om de beslissing van de rechtbank in stand te houden (te bekrachtigen).
5.7
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat dat iedere partij de eigen kosten draagt, omdat de ouders echtgenoten van elkaar zijn geweest en de procedure het uit die relatie geboren kind betreft.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 maart 2025;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep en
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, M.H.F. van Vugt en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door de griffier, en is op 24 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 283 Rv Pro in samenhang met artikel 130 Rv Pro en artikel 362 Rv Pro
2.Zie Hoge Raad 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9917