ECLI:NL:GHARL:2026:1076

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
200.359.895
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BWArt. 283 RvArt. 130 RvArt. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging zorgregeling en afwijzing wijzigingsverzoek moeder in belang minderjarige

De zaak betreft een geschil tussen de moeder en vader over de zorgregeling voor hun minderjarige kind, waarbij de gecertificeerde instelling (GI) een wijziging van de zorgregeling had verzocht. De rechtbank had eerder een zorgregeling vastgesteld met een 50/50-verdeling van de zorg, inclusief een specifieke regeling voor weekenden, vakanties en islamitische feestdagen. De moeder was het niet eens met de gewijzigde zorgregeling en verzocht om vernietiging en aanpassing van de regeling.

In hoger beroep heeft het hof het verzoek van de moeder tot vermeerdering van haar verzoek buiten beschouwing gelaten, omdat zij onvoldoende nieuwe omstandigheden had gesteld die dit rechtvaardigen en het verzoek in strijd was met de goede procesorde. Het hof heeft vervolgens de oorspronkelijke verzoeken beoordeeld en geoordeeld dat de zorgregeling zoals vastgesteld door de kinderrechter het meest in het belang van het kind is.

De moeder had zorgen geuit over het gedrag en de vermoeidheid van het kind, maar het hof vond geen verband met de zorgverdeling. De GI en de raad voor de kinderbescherming onderschreven deze zorgen niet en gaven aan dat de 50/50-verdeling goed uitpakt. Het hof bekrachtigde daarom de beschikking van de kinderrechter en wees het verzoek van de moeder af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de zorgregeling van de kinderrechter en wijst het verzoek van de moeder tot wijziging af wegens onvoldoende nieuwe omstandigheden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.895
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 592252)
beschikking van 24 februari 2026
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.S. Rabarison,
en
de gecertifieerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering
gevestigd te Amsterdam,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de GI,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. S. Toughza.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 juni 2025, uitgesproken onder zaaknummer 592252 (hierna ook: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 juni 2025;
- het verweerschrift met producties;
- een brief van de GI van 17 november 2025 met producties;
- een journaalbericht namens de vader van 20 november 2025 met producties;
- een journaalbericht namens de moeder van 21 november 2025 met een brief met producties met een wijziging van het verzoek;
- een journaalbericht namens de vader van 1 december 2025 met producties;
- een journaalbericht namens de moeder van 6 januari 2026 met een brief en producties en
- een journaalbericht namens de vader van 12 januari 2026 met een brief en producties.
2.2
De (eerste) mondelinge behandeling heeft op 2 december 2025 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mr. Rabarison;
- de vader, bijgestaan door mr. Toughza en
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).
2.3
Tijdens de mondelinge behandeling van 2 december 2025 bleek dat de GI de oproep voor 2 december 2025 met het gewijzigde tijdstip niet had ontvangen. Om die reden heeft het hof de mondelinge behandeling aangehouden en is deze op 16 januari 2026 voortgezet. Op deze mondelinge behandeling zijn zowel de hoofdverblijfplaats (zaaknummer 200.356.306) als de zorgregeling (zaaknummer 200.359.895) besproken. Hierbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mr. Rabarison;
- de vader, bijgestaan door mr. Toughza,
- twee vertegenwoordigers van de GI en
- een vertegenwoordiger van de raad.

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader hebben de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.
3.2
De moeder en de vader zijn met elkaar getrouwd geweest. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2021.
3.3
De moeder en de vader oefenen samen het gezag uit over [de minderjarige] .
3.4
[de minderjarige] stond tot 20 december 2025 onder toezicht van de GI. Daarna is geen verlenging meer verzocht, zodat de ondertoezichtstelling inmiddels is geëindigd.
3.5
In de beschikking van 23 december 2022 heeft de rechtbank de volgende zorgregeling vastgesteld:
  • in de ene week van donderdag 12.00 uur vanaf de peuterspeelzaal tot maandagochtend naar de peuterspeelzaal;
  • in de andere week van donderdag 12.00 uur vanaf de peuterspeelzaal tot vrijdag 17.00 uur,
  • welke regeling wordt opgebouwd conform onderstaand schema:
o in de even weken elke donderdag 12.00 uur vanaf de peuterspeelzaal tot vrijdag 17.00 uur;
o in de oneven weken gedurende zes weken: van donderdag 12.00 vanaf de peuterspeelzaal tot zaterdag 17.00 uur (totaal dus driemaal);
o in de oneven weken na bovenstaande zes weken gedurende de volgende zes weken: van donderdag 12.00 uur vanaf de peuterspeelzaal tot zondag 17.00 uur (totaal dus driemaal);
o in de oneven weken na de laatste zes weken: van donderdag 12.00 uur vanaf de peuterspeelzaal tot maandagochtend naar de peuterspeelzaal;
waarna de GI de regie heeft over een verdere uitbreiding, waarbij het uitgangspunt is dat
beide ouders de helft van de tijd voor [de minderjarige] zorgen en dat de regeling uitvoerbaar is als [de minderjarige]
naar de basisschool gaat;
- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, inclusief de islamitische feestdagen, een en ander onder regie van de GI.

4.De omvang van het geschil

4.1
De ouders zijn het niet met elkaar eens over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de zorgregeling tussen de ouders en [de minderjarige] . Over de hoofdverblijfplaats zal het hof een afzonderlijke beschikking geven (zaaknummer 200.356.306).
4.2
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter – op verzoek van de GI – de zorgregeling die de rechtbank op 22 december 2023 heeft vastgesteld gewijzigd en als volgt bepaald:
Schooldagen
  • [de minderjarige] is maandagmiddag uit school tot woensdagochtend naar school bij de moeder;
  • [de minderjarige] is woensdagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school bij de vader;
Weekenden
- in de oneven weekenden is [de minderjarige] van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend
naar school bij de moeder;
- in de even weekenden is [de minderjarige] van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend
naar school bij de vader;
Vakanties en feestdagen
- de vakanties en feestdagen zullen bij helfte worden verdeeld en wel als volgt:
o vakantie van 1 week: [de minderjarige] blijft het eerste gedeelte van de vakantieweek bij de ouder van het eerste weekend van de vakantie. [de minderjarige] blijft het tweede gedeelte van de vakantieweek bij de ouder van het tweede weekend van de vakantie;
o vakantie van 2 weken: [de minderjarige] blijft de eerste week van de vakantie bij de ouder van het eerste weekend van de vakantie. [de minderjarige] blijft de tweede week van de vakantie bij de ouder van het tweede weekend
o Eid al-Fitr (Suikerfeest) en Eid al-Adha (Offerfeest): in de oneven jaren is [de minderjarige] tijdens het Suikerfeest bij de vader en tijdens het Offerfeest bij de moeder. In de even jaren is [de minderjarige] tijdens het Suikerfeest bij de moeder en tijdens het Offerfeest bij de vader;
o voor de overige feestdagen worden de afspraken over de schooldagen en de weekenden gevolgd.
Ten aanzien van het brengen en halen geldt dat de ouder waar [de minderjarige] op dat moment verblijft,
hem naar de andere ouder brengt.
4.3
De moeder is het niet eens met deze beslissing. De moeder verzoekt de bestreden beschikking ten aanzien van vastgestelde zorgregeling met betrekking tot de schooldagen en de weekenden en met betrekking tot de feestdagen Eid al-Fitr en Eid al-Adha te vernietigen en, opnieuw beschikkende:
  • te bepalen dat [de minderjarige] in de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school en in de andere week van donderdag uit school tot vrijdag naar school bij de vader verblijft;
  • voor Eid al-Fitr vast te stellen dat [de minderjarige] in de even jaren vanaf 8.30 uur tot en met 14.00 uur bij de vader verblijft en vanaf 14.00 uur tot en met 8.30 uur de volgende dag bij de moeder en de oneven jaren andersom;
  • voor Eid al-Adha vast te stellen dat [de minderjarige] in de even jaren vanaf 8.30 uur tot en met 14.00 uur bij de moeder verblijft en vanaf 14.00 uur tot en met 8.30 uur de volgende ochtend bij de vader en de oneven jaren andersom.
4.4
Bij brief van 21 november 2025 heeft de moeder haar verzoek gewijzigd.
4.5
De GI voert verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.6
De vader voert verweer en hij vraagt het hof de verzoeken van de moeder af te wijzen. Ten aanzien van het gewijzigde verzoek voert de vader aan dat dit in strijd is met de goede procesorde en daarom buiten beschouwing moet blijven.

5.De motivering van de beslissing

Wat staat in de wet?
5.1
De kinderrechter kan op verzoek van de GI een zorgverdeling wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. [1]
Wat vindt de moeder?
5.2
De rechtbank heeft de GI in de beschikking van 22 december 2023 de opdracht gegeven toe te werken naar een gelijke zorgverdeling. De moeder heeft de indruk dat het bereiken van een exacte 50/50-verdeling als doel op zich is nagestreefd, ongeacht de feitelijke omstandigheden. [de minderjarige] belang is hierin onvoldoende meegewogen. Gelijkwaardig ouderschap gaat niet om de exacte verdeling in tijd, maar om gelijkwaardige betrokkenheid en verantwoordelijkheid.
Sinds de beschikking van 22 december 2023 zijn de omstandigheden gewijzigd, aldus de moeder. De vader heeft een veeleisende baan, waardoor hij – ook als hij thuis werkt – niet daadwerkelijk beschikbaar is voor [de minderjarige] . De vader krijgt structureel hulp van zijn familie om voor [de minderjarige] te zorgen. Daarom is een regeling waarin [de minderjarige] iets meer bij de moeder verblijft dan bij de vader meer passend. De recente zorgen die de school over [de minderjarige] heeft geuit en de vermoeidheid die de moeder bij [de minderjarige] ziet, staan haaks op het standpunt van de GI dat het goed zou gaan met [de minderjarige] en dat de 50/50-zorgregeling goed voor hem uitpakt. De moeder vindt de zorgregeling, zoals die door de kinderrechter is vastgesteld, te belastend voor [de minderjarige] .
De verdeling van Eid al-Fitr en Eid al-Adha, zoals de moeder verzoekt, is wat beide ouders willen. Desondanks heeft de GI dit genegeerd en een afwijkende regeling verzocht en heeft de kinderrechter dit toegewezen.
Wat vindt de GI?
5.3
De opvoedondersteuning die gedurende een periode betrokken is geweest, heeft geen signalen van onveiligheid bij [de minderjarige] gezien. Ook de andere betrokken professionals (de GI, de raad en de peuterspeelzaal) herkennen en onderschrijven de zorgen van de moeder niet. Van de juf van [de minderjarige] heeft de GI gehoord dat [de minderjarige] over beide ouders enthousiast vertelt. De zorgen die de moeder heeft over de afwezigheid van de vader deelt de GI niet. De GI vindt dat de 50/50-zorgregeling voor [de minderjarige] goed uitpakt.
De verdeling van de feestdagen, zoals de kinderrechter die op verzoek van de GI heeft vastgesteld, zorgt voor de meeste rust en duidelijkheid voor [de minderjarige] .
Wat vindt de vader?
5.4
De vader voert aan dat de rechtbank al in de beschikking van 22 december 2023 heeft bepaald dat er een 50/50-regeling zou moeten komen. Hiertegen heeft de moeder geen hoger beroep ingesteld. Ook heeft de moeder geen gewijzigde omstandigheden aangevoerd; de argumenten die zij in hoger beroep aanvoert zijn dezelfde die zij in de echtscheidingsprocedure heeft aangevoerd en zijn dus al meegenomen in de besluitvorming die heeft geleid tot de beschikking van 22 december 2023.
De moeder wil een vermindering van de zorgregeling die nu al maanden loopt. Haar verzoek om deze zorgregeling te veranderen is tegenstrijdig met haar stelling dat [de minderjarige] behoefte heeft aan regelmaat. De vader weerspreekt dat hij geen tijd zou hebben voor [de minderjarige] . De vader is, in tegenstelling tot de moeder, op alle afspraken met de school, de GI en de hulpverlening verschenen, hij heeft [de minderjarige] altijd zelf van school gehaald en hij reageert op alle e-mailberichten. De vader heeft laten zien dat hij een stabiele factor is in het leven van [de minderjarige] .
Wat adviseert de raad?
5.5
De raad adviseert het hof om beslissingen van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling in stand te houden. De raad kan niet concluderen dat de zorgen die de moeder over [de minderjarige] heeft (bijvoorbeeld over zijn gedrag op school en zijn vermoeidheid) worden veroorzaakt door de vader, maar ook niet dat die worden veroorzaakt door de moeder. Misschien heeft [de minderjarige] wel moeite met alle prikkels op school en de wisselingen tussen de ouders. De school oppert dat het gedrag van [de minderjarige] kan voortkomen uit de echtscheidingsproblematiek tussen de ouders. Volgens de raad kan daar de kern zitten. Er wordt namelijk door de ouders al bijna het hele leven van [de minderjarige] (over hem) geprocedeerd. [de minderjarige] kan merken dat het tussen de ouders moeizaam gaat.
Er is geprobeerd om een basis te creëren tussen de ouders door de inzet van [naam praktijk] en door de ondertoezichtstelling. Wat steeds naar voren komt, aldus de raad, is dat het wantrouwen van de moeder naar de vader zo groot is dat het niet mogelijk om een gezonde basis te creëren. [naam praktijk] heeft tegen de moeder gezegd dat ze moet stoppen met het zoeken naar bewijzen dat de vader geen goede opvoeder is. De raad is het hiermee eens. De ouders moeten zich op zichzelf richten om vanuit Parallel Solo Ouderschap (PSO) de beste ouder zijn die ze kunnen zijn en elkaar loslaten.
De rechtbank heeft het hoofdverblijf van [de minderjarige] bepaald bij de ouder die de meeste ruimte kan geven aan de andere ouder, dat is de vader, en daar is de raad het mee eens.
Het oordeel van het hof
5.6
Het hof zal eerst ingaan op de vraag of het gewijzigde verzoek van de moeder door het hof wordt toegelaten. De advocaat van de moeder heeft op de mondelinge behandeling bevestigd dat het verzoek van 21 november 2025 een vermeerdering is ten opzichte van het verzoek in het beroepschrift. In beginsel heeft de moeder het recht om haar verzoek in hoger beroep te vermeerderen. [2] Maar, veranderingen of vermeerderingen van het verzoek in hoger beroep moeten bij beroepschrift worden aangevoerd. Van deze strakke regel kan worden afgeweken als er nieuwe omstandigheden zijn, die voor de juiste en volledige beoordeling van het geschil van belang zijn. [3] Daarbij blijft gelden dat toelating van de verandering of vermeerdering van het verzoek niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde.
Het hof is van oordeel dat de moeder – gelet ook op de betwisting door de vader – onvoldoende heeft gesteld dat sprake is van nieuwe omstandigheden die de vermeerdering van het verzoek in dit stadium rechtvaardigen. Het hof zal daarom het vermeerderde verzoek buiten beschouwing laten en alleen oordelen over de oorspronkelijke verzoeken.
5.7
Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat de zorgregeling, zoals die in de bestreden beschikking is bepaald, het meest in het belang van [de minderjarige] is. Het hof neemt de overwegingen van de kinderrechter na eigen onderzoek over en voegt daar het volgende aan toe.
De rechtbank heeft in de echtscheidingsbeschikking van 22 december 2023 bepaald dat het uitgangspunt bij de (verdere) vaststelling van de zorgregeling is dat beide ouders de helft van de tijd voor [de minderjarige] zorgen. Net als de kinderrechter is het hof van oordeel dat dat nog steeds het uitgangspunt is. Dat zou slechts anders zijn als sindsdien de omstandigheden zijn gewijzigd, waardoor een verdeling bij helfte niet langer in het belang van [de minderjarige] zou zijn. De moeder heeft wel gesteld dat er wijzigingen van omstandigheden zijn, maar dit is door de vader gemotiveerd betwist. Voor zover wel sprake is van nieuwe omstandigheden die door de moeder zijn gesteld, geven die naar het oordeel van het hof geen reden om de zorgregeling te wijzigen. De moeder heeft zorgen over [de minderjarige] , onder meer over zijn gedrag op school en zijn vermoeidheid bij haar thuis. In de e-mailberichten van de GI van 2 en 12 december 2025 staat dat de individueel begeleider van de school van [de minderjarige] heeft geschreven dat de school regelmatig ongewenst gedrag van [de minderjarige] ziet. Het hof begrijpt dat de moeder daarover zorgen heeft. Maar, anders dan de moeder, is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat deze zorgen verband houden met de zorgverdeling. Ook zijn er geen aanwijzingen dat de zorgen over [de minderjarige] op school zullen verminderen of verdwijnen als de zorgverdeling wordt gewijzigd en [de minderjarige] minder bij de vader is, zoals de moeder verzoekt. Daarbij vindt het hof het van belang dat de GI, naar aanleiding van het advies van de school voor een kindercoach of speltherapeut voor [de minderjarige] , bij de afronding van de ondertoezichtstelling een stap heeft gezet om deze hulp in te zetten, en op die manier de zorgen weg te nemen. Ook ten aanzien van de andere door de moeder gestelde zorgen is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat deze verband houden met huidige zorgverdeling. Het hof zal daarom de beslissing van de kinderrechter in stand te houden (te bekrachtigen).

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 juni 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, M.H.F. van Vugt en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door de griffier, en is op 24 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek
2.Artikel 283 Rv Pro in samenhang met artikel 130 Rv Pro en artikel 362 Rv Pro
3.Zie Hoge Raad 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9917