De moeder heeft zes minderjarige kinderen, waarvan vier uit huis geplaatst zijn. De twee jongste kinderen staan sinds september 2024 onder toezicht van de gecertificeerde instelling (GI) en zijn uit huis geplaatst in een pleeggezin. De moeder oefent alleen gezag uit over deze twee kinderen.
De GI verzocht verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot september 2026, welke door de kinderrechter werd toegewezen. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en wilde de verlenging ongedaan maken of verkorten. Het hof heeft de beslissing van de kinderrechter bevestigd.
Het hof constateert ernstige zorgen over de opvoedingsomgeving bij de moeder, waaronder verwaarlozing, hygiëneproblemen, financiële problemen en onvoorspelbaar gedrag van de moeder. Ondanks diverse hulpverlening en zorgmeldingen is de situatie niet verbeterd. De jongste kinderen vertonen minder gedragsproblemen dan hun oudere zussen, maar zijn ook ernstig tekortgekomen.
De omgang met de moeder is beperkt en vindt momenteel via beeldbellen plaats. De GI onderzoekt de mogelijkheden voor een gezinsopname, maar stelt voorwaarden zoals stabiele omgang en samenwerking van de moeder. Het hof acht terugplaatsing op dit moment niet verantwoord en bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de gevraagde termijn.