ECLI:NL:GHARL:2026:1101

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
200.312.251/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:167 BWArt. 3:178 BWArt. 3:181 BWArt. 3:185 BWArt. 3:186 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van landgoederen en nalatenschap tussen vier erfgenamen met vaststelling overbedelingsschulden

Deze zaak betreft de verdeling van de nalatenschap van de heer [erflater], bestaande uit drie landgoederen, tussen zijn vier dochters. Het hof bouwt voort op eerdere tussenarresten en behandelt onder meer de waardering van de percelen, de wijze van verdeling, de gevolgen voor overbedelingsschulden en de verdeling van inboedel en geldmiddelen.

De deskundigen hebben de waarden van de landgoederen per 1 oktober 2024 vastgesteld, welke het hof heeft aanvaard. De verdeling van de landgoederen vindt plaats in overeenstemming met de wens van de erflater dat landgoed [naam1] zoveel mogelijk in één hand blijft, wat betekent dat dit landgoed wordt toegedeeld aan twee zussen, met uitzondering van de woning waar een derde zus woont. De overige landgoederen worden aan de andere twee zussen toegedeeld. Hierbij worden overbedelingsschulden en onderbedelingsvorderingen vastgesteld en een regeling getroffen voor betaling, inclusief rente en zekerheidstelling.

De verdeling van de inboedel van landhuis [naam1] wordt overgedragen aan de boedelnotaris, waarbij een bepaling geldt dat bepaalde familiegebonden objecten niet mogen worden verwijderd zonder unanieme toestemming. De aanwezige geldmiddelen worden verdeeld in vier gelijke delen bij het passeren van de notariële akte. Het hof handhaaft de benoeming van de boedelnotaris en wijst verzoeken tot wijziging af.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad en vervangt het vonnis van de rechtbank.

Uitkomst: Het hof stelt de verdeling van de landgoederen en nalatenschap vast met toedeling conform de wens van de erflater en regelt de betaling van overbedelingsschulden met zekerheid en rente.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.312.251/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 154086
arrest van 24 februari 2026
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats1] (gem. [gemeentenaam] )
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie en verweerster in reconventie
hierna:
[appellante]
advocaat mr. G.M. de Weerd, die kantoor houdt in Doorn
tegen

1.[geïntimeerde1]die woont in [woonplaats1]hierna: [geïntimeerde1]

advocaat mr. A. van Weverwijk, die kantoor houdt in Geldermalsen

2. [geïntimeerde2]

die woont in [woonplaats2]
hierna:
[geïntimeerde2]
advocaat mr. M.S. van Gaalen, die kantoor houdt in Amsterdam

3. [geïntimeerde3]

die woont in [woonplaats1]
hierna:
[geïntimeerde3]
advocaat mr. J.H. Hermsen, die kantoor houdt in Zutphen
die ook hoger beroep hebben ingesteld
en bij de rechtbank optraden als gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie
hierna gezamenlijk te noemen:
[geïntimeerden] c.s.
Alle partijen gezamenlijk worden ook genoemd: de zussen.

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Eerder zijn in deze zaak tussenarresten uitgesproken op 21 maart 2023, 23 januari 2024, 9 april 2024 en 18 maart 2025. Na het laatste tussenarrest heeft ieder van partijen een akte genomen als in dat arrest bepaald onder 3.3. Vervolgens is op 12 december 2025 een nadere mondelinge behandeling gehouden. Van die mondelinge behandeling is een proces-verbaal (verslag) opgesteld dat is toegevoegd aan het dossier. Hierna heeft het hof (opnieuw) arrest bepaald. [appellante] heeft in een H-16 formulier nog een opmerking gemaakt over de inhoud van het proces-verbaal, maar de opmerking is niet van belang voor de beslissing.

2.De nadere beoordeling

2.1
Het gaat om de verdeling van de nalatenschap van mr. [erflater] (hierna ook te noemen: vader). Zijn erfgenamen zijn de dochters [appellante] , [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] , die volle zussen zijn van elkaar. Het hof blijft bij de beslissingen die hij in de voorgaande tussenarresten heeft gegeven en bouwt in dit arrest daarop voort.
Voor de volledigheid herhaalt het hof dat onder de nalatenschap ook wordt verstaan die goederen die na het overlijden van vader door de zussen zijn verworven in – voor ieder één vierde – onverdeelde eigendom. De vraag of daarbij sprake is van zaaksvervanging (artikel 3:167 BW Pro) en die verworven goederen dus tot de nalatenschap van vader behoren, of dat
– naast de goederen van de nalatenschap – sprake is van een of meer eenvoudige gemeenschappen die tussen de zussen zijn ontstaan, kan in het midden blijven, omdat het gaat om een gehele verdeling van een bijzondere gemeenschap (van nalatenschap) en mogelijk een of meer eenvoudige gemeenschappen. Het hof realiseert zich dat dit onderscheid voor andere regelingen, zoals ter zake van de overdrachtsbelasting, wel van belang kan zijn.
2.2
Gelet op de stellingen van partijen en de eerder al gegeven beslissingen, worden in dit arrest nog de volgende thema’s behandeld:
a) op welk bedrag dient de waarde te worden bepaald van de percelen grond (met de daar al dan niet op staande gebouwen) die behoren tot de nalatenschap van vader; de percelen van de landgoederen [naam1] , [naam2] en [naam3] ;
b) hoe moeten die percelen verdeeld worden over zijn erfgenamen, te weten zijn dochters [appellante] , [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] ;
c) wat betekent die verdeling voor de hoogte van overbedelingsschulden en onderbedelingsvorderingen die de zussen daardoor over en weer op elkaar verkrijgen, en hoe moeten de overbedelingsschulden voldaan worden;
d) op welke wijze dient de inboedel van landhuis [naam1] te worden verdeeld over de zussen;
e) kan de door de rechtbank als boedelnotaris benoemde notaris mr. [notaris1] , aanblijven als boedelnotaris;
f) kan aan [geïntimeerde1] een voorschot worden verstrekt op de te verdelen geldmiddelen;
g) kan het hof beslissen over een verdeling van het personeel van landgoed [naam1] ;
h) dient het arrest in de plaats van de wilsverklaring van een niet meewerkende partij te kunnen worden gesteld (art. 3:300 BW Pro).
de waarde van de percelen van de landgoederen [naam1] , [naam2] en [naam3]
2.3
In het tussenarrest van 23 januari 2024 heeft het hof aan dezelfde deskundigen die eerder aan de rechtbank hadden gerapporteerd over de waarde van de percelen (per 1 maart 2019), opdracht gegeven om van hun eerdere rapport een markttechnische update te maken, d.w.z. een overzicht te maken van de geactualiseerde waarden van de percelen gebaseerd op dezelfde uitgangspunten die zij in hun eerdere rapport hebben gehanteerd.
2.4
Op 29 november 2024 hebben de deskundigen hun rapport uitgebracht.
Zij komen daarin tot de volgende geactualiseerde (totaal)waarden per 1 oktober 2024:
landgoed [naam1] : € 31.030.468,66
landgoed [naam3] € 923.104,00
landgoed [naam2]
€ 10.056.208,55
€ 42.009.781,21
2.5
Partijen hebben in hun memories na deskundigenbericht verschillende opmerkingen gemaakt over het rapport. Het hof heeft in het tussenarrest van 18 maart 2025 een nadere mondelinge behandeling bepaald in aanwezigheid van de voorzitter van de deskundigen, de heer mr. ing. [naam4] . Daarbij is aan partijen opdracht gegeven om op basis van het deskundigenrapport hun vorderingen met betrekking tot de verdeling van de verschillende percelen van de landgoederen nader te concretiseren/verduidelijken in een voorafgaand aan die behandeling te nemen akte. Partijen hebben die akten genomen.
2.6
Op basis van het deskundigenbericht en de memories en akten van partijen die daarna zijn gewisseld, dient het hof in de eerste plaats te beoordelen welke waarde toekomt aan de percelen van de landgoederen bij de verdeling ervan.
2.7
Die waarden kunnen worden vastgesteld op de door de deskundigen in hun rapport vastgestelde waarden nu dat rapport met de daarop ter zitting door [naam4] gegeven toelichting het hof overtuigt van de zorgvuldigheid waarmee het tot stand is gebracht en de aannemelijkheid van de inhoud daarvan.
De door diverse partijen gemaakte opmerkingen over het rapport geven geen aanleiding om daarvan af te wijken. Daarbij wordt het volgende nog opgemerkt:
i) Het hof gaat voorbij aan de door [geïntimeerde2] ingebrachte bezwaren van de heer ing. [naam5] , een adviseur van [geïntimeerde2] . [naam5] heeft zijn bezwaren tegen het deskundigenbericht in eerste instantie kenbaar gemaakt in een brief opgesteld naar aanleiding van het conceptbericht. In hun eindbericht zijn de deskundigen ingegaan op die bezwaren. Voor zover zij die bezwaren hebben erkend, hebben zij die verwerkt in hun eindbericht. Na het eindbericht heeft [naam5] in een brief van 16 januari 2025 aan [geïntimeerde2] - kort gezegd - zijn niet overgenomen bezwaren gehandhaafd. Zijn conclusie is dat het landgoed [naam1] € 6.499.966 te hoog is gewaardeerd.
Tijdens de mondelinge behandeling, waarbij [naam5] niet aanwezig was ondanks dat [geïntimeerde2] uitdrukkelijk in de gelegenheid was gesteld zich door hem te laten vergezellen, is [naam4] ingegaan op de bezwaren van [naam5] en gemotiveerd gebleven bij de eerdere weerlegging van die bezwaren in het deskundigenrapport.
Het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan wat door de deskundigen in hun rapport en door [naam4] tijdens de zitting is aangevoerd als weerlegging van de bezwaren van [naam5] .
Daarbij weegt mee dat [naam5] in zijn brief van 16 januari 2025 weliswaar zijn bezwaren tegen het deskundigenrapport heeft gehandhaafd, maar dat hij geen nadere onderbouwing daarvan heeft verstrekt. Zijn bezwaren zijn hoofdzakelijk blijven steken in niet onderbouwde stellingen tegen door de deskundigen gehanteerde uitgangspunten voor de waardering. Die uitgangspunten lagen echter al vast omdat het deskundigenrapport alleen een markttechnische update diende te zijn van het deskundigenbericht dat eerder al aan de rechtbank was uitgebracht. De uitgangspunten die in dat eerdere rapport zijn gehanteerd hadden daarmee ook te dienen als uitgangspunten voor het rapport uitgebracht aan het hof. Voor zover [naam5] daarnaast andere bezwaren heeft gehandhaafd tegen de geactualiseerde waarden van diverse percelen en/of van op die percelen staande gebouwen, geldt ook dat hij zijn betreffende bezwaren niet heeft voorzien van de nodige onderbouwing.
ii) [geïntimeerde1] heeft verzocht om zo mogelijk een indexatiepercentage te bepalen waarmee de waarden van de verschillende percelen/gebouwen per 1 oktober 2024 kunnen worden herleid naar hun huidige waarden.
[naam4] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er niet één index zal kunnen worden bepaald, maar dat het er zeker drie zullen moeten zijn, afhankelijk van de verschillende soorten percelen, waarvan de waarde per regio kan verschillen. Die bepaling zal volgens de deskundige echter nog wel enig onderzoek vergen, waarmee diverse weken, ongeveer zes tot acht, gemoeid zullen zijn. Bovendien, zo heeft hij gezegd, zal geen indexatie kunnen en mogen worden afgegeven voor de toekomst, omdat nu eenmaal niet in de toekomst kan worden gekeken.
Uitgangspunt bij een verdeling is dat het moment van verdeling de peildatum is voor de waardering van de te verdelen goederen. Bij goederen waarvan die waarde getaxeerd moet worden geldt in dat verband dat die taxatie zo dicht mogelijk tegen de datum van verdeling moet plaatsvinden. Aan een verdeling als waar het hier om gaat is inherent dat er een zeker tijdsverloop zal zitten tussen de datum waarop de te verdelen goederen worden getaxeerd en de datum waarop de daadwerkelijke verdeling plaatsvindt, de datum van dit arrest. Het tijdsverloop tussen de taxatie van de percelen en de gebouwen die zich daarop bevinden en de datum van de onderhavige beslissing is naar het oordeel van het hof in dat licht zodanig beperkt dat in de concrete omstandigheden van dit geval nog steeds wordt voldaan aan voormeld uitgangspunt. Voor een indexatie van de getaxeerde waarden is daarom geen grond.
Hier komt nog bij dat indexatie leidt tot een verlenging van deze procedure, waarin nu een eindbeslissing kan worden gegeven. De andere partijen hebben er een gerechtvaardigd belang bij dat die beslissing ook nu wordt gegeven en dat zekerheid bestaat over de bij de verdeling te hanteren waarden, zonder nog weer nader onderzoek.
Daarbij geldt dat waardestijging en -daling in de tijd die is gelegen tussen de datum waartegen de onroerende zaken zijn getaxeerd (1 oktober 2024) en het tijdstip waarop de verdeling daarvan plaatsvindt, voor rekening en risico van partijen dient te worden gelaten. Dat geldt in beginsel ook voor de periode die zal verstrijken tussen de verdeling van de onroerende zaken -de datum van dit arrest - en de overgang daarvan aan de betreffende deelgenoot, via een notariële akte.
iii) [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hebben gevraagd hoe het kan dat de oppervlakte van het perceel [adres1] (het perceel met daarop de woning van [appellante] ) is toegenomen van 3.200 m2 bij de taxatie voor de rechtbank tot 6.950 m2 bij de taxatie voor het hof.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam4] toegelicht dat bij de waardebepaling in het rapport voor de rechtbank ten onrechte over het hoofd is gezien dat tot dat perceel ook een paardenwei behoort. Door partijen is niet weersproken dat die verklaring toereikend is voor het verschil in oppervlakte tussen de beide taxaties. Daarmee kan voor de oppervlakte en de waarde van het perceel [adres1] worden uitgegaan van de oppervlakte en de waarde in het laatste deskundigenrapport.
iv) [geïntimeerde1] heeft aangevoerd dat er sprake is van een dubbeltelling bij perceel [naam6] , het perceel met daarop de woning waarin zij woont, en/of bij andere percelen, in die zin dat van percelen waarop zich kavels bevinden van erven met woningen, die kavels niet zouden zijn afgetrokken van de perceelsoppervlakten. [naam4] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat van een dergelijke dubbeltelling geen sprake is. [geïntimeerde1] heeft daarop haar bezwaar teruggenomen. Daarmee is van een dubbeltelling niet gebleken.
2.8
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat inmiddels de pacht van de heer [naam7] - pachter van diverse percelen op landgoed [naam1] - is beëindigd en dat de huurovereenkomsten van de woningen op de adressen [adres2] en [adres3] , en van de [adres4] zijn beëindigd. [appellante] heeft gelet op de door de deskundigen in hun rapport gehanteerde uitgangspunten, berekend dat de waarde van landgoed [naam1] daardoor met € 821.809 is toegenomen (door het vervallen van de door de deskundigen gehanteerde waarde verminderende pachtdruk respectievelijk huurdruk). De andere partijen hebben niet gemotiveerd weersproken dat het eindigen van de pacht respectievelijk de huur, de waarde van de percelen heeft doen toenemen met het door [appellante] berekende bedrag. Zij hebben ook niet weersproken dat met die waardevermeerdering rekening dient te worden gehouden bij de verdeling. De door de deskundigen berekende waarde van het landgoed [naam1] dient dus nog te worden vermeerderd met € 821.809.
de verdeling van de percelen van de landgoederen
2.9
In hun akten na het tussenarrest van 18 maart 2025 hebben partijen hun vorderingen met betrekking tot de verdeling van de landgoederen [naam1] , [naam2] en [naam3] nader gepreciseerd. De zussen staan twee aan twee tegenover elkaar.
2.1
Aan de ene kant staan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] , die toedeling willen van landgoed [naam1] , met uitzondering van de woning met erf op het adres [adres1] (huis [naam8] , waar [appellante] woont). Die woning met erf kan volgens [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] worden toegedeeld aan [appellante] , samen met nog een paar (bos)percelen om [appellante] in staat te stellen om in aanmerking te komen voor de NSW-status.
Verder zijn [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] bereid om aan [geïntimeerde1] het zakelijk recht van bewoning en gebruik te verschaffen van de woning met erf op het adres [adres5] (huis [naam6] , waar [geïntimeerde1] woont). Zij willen niet dat [geïntimeerde1] de eigendom krijgt van [naam6] om cultuurhistorische redenen; volgens hen is het bezit door het geslacht [naam9] van het landgoed [naam1] begonnen met het bezit van [naam6] . Dat is door [appellante] en [geïntimeerde1] niet weersproken. Voor [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] is de eigendom van [naam6] daarom essentieel als onderdeel van de eigendom van het landgoed [naam1] .
[geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] zeggen dat zij toedeling aan hen willen van landgoed [naam1] om gevolg te kunnen geven aan de uitdrukkelijke wens van hun vader in zijn testament om dat landgoed zoveel mogelijk bij elkaar te houden, en ook om het door te kunnen geven aan het nageslacht. Landgoed [naam2] kan dan worden toegedeeld aan [appellante] en [geïntimeerde1] . [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] realiseren zich daarbij dat zij bij een dergelijke verdeling aanzienlijk overbedeeld zullen worden, maar verwachten dat zij hun aanzienlijke overbedelingsschuld aan [appellante] en [geïntimeerde1] deels zullen kunnen voldoen in geld bij de overgang van landgoed [naam1] aan hen en voor een ander deel uit de opbrengst van de verkoop van verschillende percelen van het landgoed die zijn gelegen aan de rand ervan.
2.11
Aan de andere kant staan [appellante] en [geïntimeerde1] die juist willen dat de verdeling zo plaatsvindt dat deze resulteert in zo laag mogelijke vorderingen uit onderbedeling / schulden uit overbedeling. Zij willen daartoe dat landgoed [naam1] verdeeld wordt, waarbij het “hart van het landgoed”, het huis [naam1] met enige omliggende gronden, aan hen toegedeeld wordt. De buiten dat hart liggende percelen kunnen dan worden toegedeeld aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] . Daarnaast willen zij toedeling aan hen van landgoed [naam2] . Volgens [appellante] is de door haar en [geïntimeerde1] voorgestane verdeling niet in strijd is met de wens van vader, omdat sprake is van een “papieren verdeling”, waarbij vereniging van het landgoed [naam1] door het nageslacht mogelijk blijft.
2.12
Over het landgoed [naam3] heeft geen van partijen zich in de precisering van hun (primaire) vorderingen uitgelaten.
2.13
Het hof stelt voorop dat artikel 3:185 BW Pro de rechter die een wijze van verdeling gelast, of die verdeling zelf vaststelt, een grote mate van vrijheid laat, waarbij hij naar billijkheid rekening moet houden met de belangen van partijen en het algemeen belang, niet gebonden is aan wat partijen hebben gevorderd en niet expliciet hoeft in te gaan op wat partijen hebben aangevoerd. [1] De vorderingen van partijen strekken ertoe dat het hof zelf de verdeling van de landgoederen zal vaststellen. Daarbij geldt dat voor de effectuering van die verdeling nog wel levering nodig zal zijn via een notariële akte (art. 3:186 BW Pro).
2.14
Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat bij de verdeling van de landgoederen veel gewicht toekomt aan de uitdrukkelijke wens van vader in zijn testament dat landgoed [naam1] in stand blijft. Een wens die ook strookt met de kennelijke cultuurhistorische waarde die toegekend kan worden aan landgoed [naam1] . Onweersproken is namelijk dat dit landgoed al meer dan 400 jaar in bezit is van de familie [naam9] , die in die tijd het landgoed heeft bestierd en ontwikkeld tot wat het nu is. Het vooruitzicht dat het landgoed ook gedurende volgende geslachten nog in het bezit zal blijven van de familie, al dan niet via aandelen in het kapitaal van NSW B.V’s [hof: NSW staat voor Natuurschoonwet 1928], acht het hof, net als de rechtbank, iets waarmee ook de cultuurhistorie gediend is, een aspect van het in artikel 3:185 BW Pro genoemde algemeen belang.
2.15
Een verdeling zoals [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] voor ogen staat, strookt naar het oordeel van het hof het meest met de wens van vader en het algemeen belang; in dat voorstel blijft landgoed [naam1] grotendeels in “één hand” (dat van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] , die op één lijn liggen) en kan dat – naar verwachting - worden doorgegeven aan volgende generaties [naam9] . Of [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] na verkrijging nu wel, zoals zij hebben gezegd, of niet zullen overgaan tot een onderlinge verdeling van het landgoed [naam1] doet daaraan niet af, omdat zij bij deze verdeling gezamenlijk optrekken. Verwacht mag dan worden dat zij dat ook zullen doen in hun nalatenschappen.
2.16
De stelling van [appellante] dat een verdeling volgens haar wensen (en die van [geïntimeerde1] ) alleen maar een “papieren verdeling” betreft, die er niet aan in de weg staat dat opvolgende generaties het landgoed weer onder één beheer kunnen samenvoegen, deelt het hof niet.
Met de door [appellante] en [geïntimeerde1] voorgestane verdeling wordt het landgoed opgesplitst in twee afzonderlijke delen. Het risico dat het landgoed niet ‘als zodanig’ in stand blijft acht het hof dan groter, gelet op de slechte verhoudingen tussen [appellante] en [geïntimeerde1] enerzijds en [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] anderzijds.
[geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hebben bovendien aangegeven dat zij geen belang stellen in toedeling van alleen het restant van landgoed [naam1] . Voor de hand ligt dan dat bij een verdeling zoals door [appellante] en [geïntimeerde1] wordt gewenst, het restant verkocht zal gaan worden door [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] . Toedeling volgens de wensen van [appellante] en [geïntimeerde1] zal dus vermoedelijk resulteren in het uiteenvallen van landgoed [naam1] .
De hierboven geschetste nadelen van een verdeling overeenkomstig de wensen van [appellante] en [geïntimeerde1] wegen zwaarder dan het nadeel dat bij een toedeling volgens de wensen van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] er aanzienlijke overbedelingsschulden en daarmee corresponderende onderbedelingsvorderingen zullen ontstaan. Het hof onderkent daarbij het (fiscale) belang van [appellante] en [geïntimeerde1] dat zij liever grond toegedeeld krijgen dan geld, maar is van oordeel dat dat belang toch minder zwaar dient te wegen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat vermogen in geld geïnvesteerd kan worden in (mogelijk) renderende bezittingen, waaronder grond.
2.17
Dat betekent dat de verdeling van de landgoederen zal plaatsvinden op de wijze zoals [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] voorstaan, die in grote lijnen overeenkomt met de verdeling door de rechtbank. Dat betekent dat landgoed [naam1] aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] zal worden toegedeeld, aan ieder voor de onverdeelde helft, met uitzondering van de woning met erf op het adres [adres1] ( [naam8] ), dat aan [appellante] zal worden toegedeeld (perceel [nummer1] gedeeltelijk, 0.6950 ha groot en gewaardeerd op € 501.500). Daarnaast zullen aan haar de (bos)percelen [nummer2] , [nummer3] en [nummer4] worden toegedeeld; percelen met een oppervlakte van respectievelijk 0.9040, 0.1660 en 1.7070 ha en een gezamenlijke onweersproken waarde van € 55.540. De toedeling van die (bos)percelen is, als gezegd, voorgesteld door [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] , en [appellante] heeft zich daartegen niet verzet.
2.18
Daarnaast wordt als onderdeel van de verdeling bepaald dat ten behoeve van [geïntimeerde1] een zakelijk recht van bewoning en gebruik dient te worden gevestigd op de woning met erf op het adres [adres5] , de woning genaamd [naam6] (perceel [nummer5] gedeeltelijk, 0.6041 ha groot). [geïntimeerde1] heeft weliswaar verzocht om de eigendom daarvan toegedeeld te krijgen, maar het hof honoreert het door [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] gestelde (cultuurhistorische) belang om [naam6] onderdeel te laten blijven van het huidige landgoed [naam1] , in die zin dat de percelen van landgoed [naam1] bij elkaar blijven en aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] worden toegedeeld.
Onweersproken is gesteld dat de waarde van dat zakelijk recht kan worden gewaardeerd op 30% van de getaxeerde waarde van [naam6] = 0,3 x € 682.000 = € 204.600.
2.19
Het hof ziet geen grond om, zoals [appellante] heeft verzocht, aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] een verplichting op te leggen om ten behoeve van [appellante] een (zakelijk) recht te vestigen zodat [appellante] altijd het graf zal kunnen bezoeken van haar ouders en zoon, die zijn begraven op [naam1] op een bijzondere begraafplaats in de zin van artikel 37 e.v. van de Wet op de lijkbezorging. Er bestaat geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat die toegang [appellante] geweigerd zal worden door [geïntimeerde2] en/of [geïntimeerde3] of hun rechtsopvolgers.
2.2
Verder zal aan [appellante] en [geïntimeerde1] worden toegedeeld, aan ieder voor de onverdeelde helft, de eigendom van de landgoederen [naam2] en [naam3] . Die landgoederen zijn ook door de rechtbank aan hen toegedeeld. Weliswaar heeft [appellante] tijdens de laatste mondelinge behandeling verklaard dat zij bij toedeling van landgoed [naam3] geen belang heeft, maar zij heeft zich daartegen ook niet uitdrukkelijk verzet. Na de toedeling en levering zijn [appellante] en [geïntimeerde1] vrij om, als zij de landgoederen niet willen behouden, deze te vervreemden.
2.21
De roerende zaken die behoren bij de verschillende percelen en geen eigendom zijn van derden maken deel uit van de toedeling van de betreffende percelen, nu van die roerende zaken geen nadere verdeling is gevorderd. Schulden (terzake van bepaalde goederen) gaan overigens niet zonder meer over op degene aan wie het goed wordt toegedeeld, omdat voor de externe werking van de overneming van een schuld ook de medewerking van de schuldeiser nodig is.
Overbedelingsschulden en onderbedelingsvorderingen
2.22
Op basis van de getaxeerde waarden van de landgoederen [naam1] , [naam2] en [naam3] in het laatste deskundigenbericht, aangevuld met het hierboven onder 2.8 genoemde bedrag van € 821.809, betekent deze verdeling het volgende voor de schulden uit overbedeling / vorderingen uit onderbedeling.
waarde [naam1] : € 31.030.468,66
waardevermeerdering:
€ 821.809,00€ 31.852.277,66
waarde [naam3] € 923.104,00
waarde [naam2]
€ 10.056.208,55
€ 42.831.590,21
ieder heeft recht op 25% van die waarde = € 10.707.897,55
a. toedeling aan [geïntimeerde2] : 0,5 x € 31.852.277,66 = € 15.926.138,83
in verband met toedeling aan [appellante]
verminderd met:
waarde [naam8] : 0,5 x € 501.500 € 250.750,00 -/-
waarde extra percelen 0,5 x € 55.540 € 27.770,00 -/-
in verband met zakelijk recht ‘t Wormer
voor [geïntimeerde1] verminderd met:
helft waarde zakelijk recht [naam6]
€ 102.300,00 -/-€ 15.545.318,83
b. de toedeling aan [geïntimeerde3] heeft dezelfde waarde als de toedeling aan [geïntimeerde2] ;
c. toedeling aan [appellante] : 0,5 x € 923.104 = € 461.552,00
0,5 x € 10.056.208,55= € 5.028.104,27
waarde [naam8] € 501.500,00
waarde extra percelen
€ 55.540,00
€ 6.046.696,27
d. toedeling aan [geïntimeerde1] is: 0,5 x € 923.104 = € 461.552,00
0,5 x € 10.056.208,55= € 5.028.104,27
waarde zakelijk recht [naam6]
€ 204.600,00
€ 5.694.256,27
De overbedeling van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] is
voor ieder: € 15.545.318.83
€ 10.707.897,55-/-
€ 4.837.421,28
De onderbedeling van [appellante] is: € 10.707.897,55
€ 6.046.696,27 -/-
€ 4.661.201,28
De onderbedeling van [geïntimeerde1] is: € 10.707.897,55
€ 5.694.256,27-/-
€ 5.013.641,28
2.23
[geïntimeerde3] heeft aangevoerd dat op haar overbedelingsschuld nog een aantal posten in mindering zou moeten worden gebracht. Die posten hebben voor een deel betrekking op te maken kosten voor onderhoud en reparatie van het landhuis [naam1] . Voor het aanmerking nemen van dergelijke kosten bij de overbedelingsschuld van [geïntimeerde3] ziet het hof geen aanleiding; die kosten zijn nu eenmaal verbonden aan de toedeling van het landhuis aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] en moeten geacht worden te zijn verdisconteerd in de waardebepaling van het huis [naam1] .
Voor een ander deel betreft het de omstandigheid dat in het testament van vader aan [geïntimeerde3] het zakelijk recht van gebruik en bewoning is gelegateerd van het huis met erf genaamd [naam10] ( [nummer6] gedeeltelijk), met bepaling dat voor het bewoonbaar maken van die woning een bedrag van fl. 200.000 ten laste van de erfgenamen kan worden gebracht. [geïntimeerde3] heeft van dat legaat geen gebruik gemaakt en heeft daarmee de gemeenschap een bedrag van omgerekend € 791.518 bespaard, zo stelt zij. In plaats van in een gerestaureerd huis [naam10] te hebben gewoond, heeft zij jarenlang in het koude en oncomfortabele huis [naam1] gewoond, naar haar zeggen op aandringen van haar zusters. [geïntimeerde3] vindt het redelijk dat haar voor een en ander compensatie wordt geboden in de vorm van het in mindering brengen op haar overbedelingsschuld van het door haar voor de gemeenschap bespaarde bedrag. Het hof ziet niet in waarom de gestelde besparing nu op haar overbedelingsschuld in mindering zou komen; de keus van [geïntimeerde3] om het legaat niet te aanvaarden en in plaats daarvan in huis [naam1] te gaan wonen, dient voor haar rekening te worden gelaten, ook als dat, zoals zij stelt, de wens van [appellante] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] geweest zou zijn. Daarbij geldt dat niet is gesteld dat indertijd afspraken zouden zijn gemaakt over een verrekening van het bespaarde bedrag bij een eventuele verdeling.
Het hof ziet dus geen grond voor vermindering van de overbedelingsschuld van [geïntimeerde3] op de door haar daarvoor aangevoerde gronden. Overigens heeft [appellante] aangevoerd dat al voor meer dan fl. 200.000 aan [naam10] is verspijkerd, zodat van een besparing voor de nalatenschap geen sprake is.
de betaling van de overbedelingsschuld
2.24
[appellante] en [geïntimeerde1] hebben erop gewezen dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hun overbedelingsschuld niet zullen kunnen voldoen. En dat als zij dat toch wel mochten kunnen. zij daarvoor in ieder geval percelen zullen moeten verkopen van landgoed [naam1] . Ook bij een verdeling volgens de wensen van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] zal het landgoed volgens hen dus niet een geheel blijven, maar verbrokkeld raken. Verder hebben zij nog aangevoerd dat het landgoed [naam1] niet rendabel te exploiteren zal zijn na een verdeling volgens de wens van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] , omdat voor een rendabele exploitatie van landgoed [naam1] ook landgoed [naam2] nodig is.
2.25
[geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hebben betwist dat zij de overbedelingsschuld niet zullen kunnen voldoen. Volgens [geïntimeerde2] kan zij, onderbouwd met een rapport, € 5.000.000 voldoen bij de overdracht en zal de rest kunnen worden voldaan uit (inderdaad) verkoop van percelen. Die percelen zullen echter gelegen zijn aan de rand van landgoed [naam1] . Tijdens de mondelinge behandeling is verder door [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] gezegd dat ook externe financiering van de overbedelingsschuld (al dan niet in de vorm van erfpachtfinanciering) nog niet uit zicht is.
2.26
Het hof is op grond van wat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hebben aangevoerd niet van oordeel dat ervan uitgegaan kan worden dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hun overbedelingsschuld niet zullen kunnen voldoen en dat ook bij een verdeling volgens hun wensen het landgoed versnipperd zal raken. Het is verder de verantwoordelijkheid van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] om hun overbedelingsschulden ook daadwerkelijk te voldoen.
2.27 [appellante] en [geïntimeerde1] hebben verder nog aangevoerd dat landgoed [naam1] na de toedeling daarvan aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] niet meer rendabel te exploiteren zal zijn. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hebben dat betwist en [appellante] en [geïntimeerde1] hebben hun stelling verder niet voldoende onderbouwd met financiële gegevens waaruit dat aannemelijk wordt. Het hof stelt vast dat volgens overgelegde jaarrekeningen nu wel een rendabele exploitatie van de landgoederen plaatsvindt. Dat in ieder geval [geïntimeerde2] daar daadwerkelijk vertrouwen in heeft, leidt het hof af uit het feit dat zij € 5.000.000 eigen vermogen wil steken in de overgang van landgoed [naam1] naar haar en [geïntimeerde3] . Of de exploitatie daadwerkelijk rendabel zal zijn moet nog blijken, maar komt verder voor rekening en risico van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3]
2.28
[geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] moeten bij de levering € 5.000.000 in geld voldoen aan [appellante] en [geïntimeerde1] , aan ieder van hen de helft. Dit is het bedrag waarvan [geïntimeerde2] heeft verklaard dat zij dat op dat moment zal kunnen voldoen. Het restant van de overbedelingsschuld mogen zij, omdat daar door hen om is verzocht, voldoen in termijnen. Zij zullen die mogen voldoen in vier gelijke opeenvolgende jaarlijkse termijnen van ieder € 1.168.710,64 (waarvan telkens € 628.410,32 aan [geïntimeerde1] en € 540.300,32 aan [appellante] ), waarbij de eerste termijn vervalt een jaar nadat de overgang op [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] van de aan hen toegedeelde percelen heeft plaatsgevonden. Die schuld zullen [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] ineens of vervroegd mogen aflossen, waarbij een vervroegde aflossing in een bepaald jaar naar keuze van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] in mindering mag worden gebracht op de aflossingsverplichting voor het volgende jaar c.q. de volgende jaren.
2.29
Als zekerheid voor de voldoening van hun schulden uit overbedeling zullen [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] ten behoeve van [appellante] en [geïntimeerde1] zekerheid dienen te stellen in de vorm van het geven van hypotheekrechten aan [appellante] en [geïntimeerde1] op aan hen toegedeelde percelen van landgoed [naam1] tot een bedrag gelijk aan 120% x € 4.674.842,56 (zijnde de resterende overbedelingsschuld na betaling van € 5.000.000) ofwel € 5.609.811,07. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] mogen bepalen op welke percelen de zekerheid zal worden gevestigd bij de overgang van de percelen aan hen. Als waarden van de in hypotheek te geven percelen dienen dezelfde waarden te worden gehanteerd als waarvoor de toedeling plaatsvindt.
2.3
Het hof merkt bij het vorenstaande nog op dat – als onderdeel van de verdeling – [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hoofdelijk verbonden zullen zijn voor de overbedelingsschuld. Het is aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hoe zij onderling de draagplicht van die schuld verdelen. Het hof heeft er nota van genomen dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hebben gezegd dat onderling te regelen, bijvoorbeeld bij de nadere onderlinge verdeling van de aan hen in eigendom toegedeelde onroerende zaken. Met het oog op de overdrachtsbelasting wordt voor de goede daarbij opgemerkt dat een dergelijke verdeling voor hen onderling geldt als behorend tot de tussen hen beiden nog onverdeelde nalatenschap (voor zover de onroerende zaken althans – al dan niet krachtens zaaksvervanging – ook tot de nalatenschap van vader behoorden, bij gebreke waarvan sprake is van een eenvoudige gemeenschap). Datzelfde geldt voor een verdeling van de overbedelingsschuld aan [appellante] en [geïntimeerde1] . Met betrekking tot de aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] toegedeelde onroerende zaken zijn slechts [appellante] en [geïntimeerde1] “uitgeboedeld”. Omgekeerd geldt overigens hetzelfde: [geïntimeerde1] en [appellante] kunnen onderling tot een nadere verdeling komen van de aan hen in eigendom toegedeelde onroerende zaken, die voor hen onderling ook nog geldt als behorend tot de tussen hen beiden onverdeelde nalatenschap (voor zover de onroerende zaken althans – al dan niet krachtens zaaksvervanging – ook tot de nalatenschap van vader behoorden, bij gebreke waarvan sprake is van een eenvoudige gemeenschap). Met betrekking tot de aan [appellante] en [geïntimeerde1] toegedeelde onroerende zaken zijn slechts [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] “uitgeboedeld”.
rente over de overbedelingsschulden
2.31
Over hun overbedelingsschuld zullen [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] rente verschuldigd zijn, zoals door [appellante] en [geïntimeerde1] is gevorderd, voor welke rente [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] eveneens hoofdelijk verbonden zullen zijn. [appellante] en [geïntimeerde1] hebben een rente gevorderd die in het zakelijk verkeer gebruikelijk is, volgens hen 8%, of de wettelijke rente, thans 4%. Het hof zal de rente in redelijkheid en billijkheid vaststellen op 3% per jaar, bij achterafbetaling te voldoen, tegelijk met de aflossingstermijnen. Voor een hogere rente ziet het hof in dit geval geen aanleiding, gelet op de eigen aard van de onderhavige verdeling. Die rente gaat in op de dag dat de levering van de toegedeelde percelen aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] plaatsvindt, doch uiterlijk vanaf 1 juli 2026. Dat is de datum waarop naar het hof aanneemt de verdeling uiterlijk geëffectueerd zou moeten kunnen zijn; is dat niet het geval, dan acht het hof het niettemin redelijk en billijk om, gelet op de huidige verdeling, de rente eerder te doen starten dan de dag waarop geleverd wordt.
voorkeursrecht
2.32
[appellante] en [geïntimeerde1] hebben nog bepleit dat in geval [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] mochten willen overgaan tot de verkoop van percelen van landgoed [naam1] , aan hen een voorkeursrecht tot koop daarvan toekomt. Zij hebben daarbij verwezen naar het in het testament opgenomen voorkeursrecht. Het hof ziet geen grond voor een voorkeursrecht voor [appellante] en [geïntimeerde1] , omdat dat voorkeursrecht geacht moet worden te zijn geëindigd met de verdeling als in dit arrest opgenomen. Naar zijn bewoordingen moet het voorkeursrecht zo uitgelegd worden dat deze slechts geldt voor de situatie dat – buiten de verdelingsprocedure bij de rechter om – één of meer deelgenoten hun aandeel in het gehele landgoed [naam1] hadden willen vervreemden aan derden, in welk geval de andere deelgenoten voorrang zouden moeten genieten bij koop/toedeling. Van een andere bedoeling van vader met het in het testament genoemde voorkeursrecht is verder niet gebleken. Nu de rechter de verdeling vaststelt, geldt dit voorkeursrecht niet meer voor zover partijen zijn “uitgeboedeld” (zie hierboven rov. 2.30).
Daarbuiten vindt het hof toekenning aan [appellante] en [geïntimeerde1] van een voorkeursrecht een te ver strekkende inbreuk op de vrijheden die [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] na de verdeling toekomen met betrekking tot hun eigendomsrechten. Iets anders is dat het [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] vanzelfsprekend wel vrij staat om [appellante] en [geïntimeerde1] te betrekken in een voorgenomen verkoop. [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hebben in dat verband tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat als een of meer percelen verkocht moeten worden, ook [appellante] en [geïntimeerde1] in aanmerking kunnen komen voor de verkrijging daarvan, als zij de hoogste koopprijs bieden.
anti speculatiebeding
2.33
[appellante] en [geïntimeerde1] hebben betoogd dat aan de toedeling aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] een anti-speculatiebeding verbonden dient te worden, omdat de waarde van grond en huizen snel stijgt. Het hof ziet daar echter geen grond voor. De verdeling vindt plaats op de basis van de door de deskundigen in hun rapport getaxeerde waarden. Bij die verdeling is geen sprake van een bevoordeling van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] ; de percelen worden aan hen toegedeeld voor de door de deskundigen getaxeerde waarden. Verder is tijdens de laatste mondelinge behandeling gebleken dat het plan voor de bouw van windmolens op en/of in de buurt van landgoed [naam1] van de baan is. Ook die plannen kunnen dus geen grond (meer) zijn voor een speculatieve waardestijging van bepaalde percelen van landgoed [naam1] . Waardestijging en/of -daling van toegedeelde gronden/gebouwen komt, nu tegen werkelijke waarden wordt toegedeeld, voor rekening en risico van de partij aan wie die gronden/gebouwen worden toegedeeld.
Overigens hebben [appellante] en [geïntimeerde1] ook geen concreet voorstel gedaan voor de formulering van een anti-speculatiebeding in de onderhavige situatie. Laat staan een formulering waarin ook rekening wordt gehouden met de mogelijkheid van waardedaling.
de verdeling van de inboedel van landhuis [naam1]
2.34
Voorop staat dat ieder van partijen aanspraak heeft op toedeling van zaken die een kwart van de getaxeerde waarde vertegenwoordigen. Voor die waarde dient te worden uitgegaan van het taxatierapport van 25 oktober 2019 dat door [geïntimeerde2] is overgelegd en waarin de waarde van de inboedel is getaxeerd op € 2.918.550 en door het hof in zijn tussenarrest van 23 januari 2024 nader is bepaald op € 2.928.550. Het hof ziet geen grond voor toewijzing van de vordering van [geïntimeerde3] dat haar aandeel zal worden toegedeeld aan [appellante] en [geïntimeerde1] en in mindering zal worden gebracht op haar schuld uit overbedeling, omdat [appellante] en [geïntimeerde1] zich daartegen hebben verzet.
2.35
Partijen hebben verder niet gesproken over hoe de zaken feitelijk verdeeld moeten worden en daarvoor (dus) ook geen voorstellen gedaan. Wel is er gesproken over inbreng van die inboedel in een op te richten stichting, maar voor het hof is niet duidelijk of alle partijen dat inderdaad willen en of zij de oprichting van eenzelfde stichting wensen en of sprake is van inbreng om niet of om baat. Daarbij geldt dat het hof niet zelf kan bepalen dat de inboedel zal worden toegedeeld aan of zal worden ingebracht in een stichting. Het is aan partijen om daarover te beslissen. Het hof zal daarom de verdere verdeling overdragen aan de hierna te noemen boedelnotaris. Daarbij wordt voor de volledigheid opgemerkt dat vader in zijn testament heeft bepaald dat de aanwezige meubelen, schilderijen en dergelijke (onder meer de inhoud van de zaal, de eetkamer, de twee generaalskamers en de bibliotheek), welke betrekking hebben op zijn familie, alsmede zijn archiefstukken, niet uit het Huis mogen worden verwijderd, zolang een of meer van zijn afstammelingen eigenaar is/zijn van het Huis, tenzij zijn dochters daaromtrent eenstemmig anders mochten beslissen. Toedeling vindt in dit geval aan twee van zijn afstammelingen plaats, zodat de door vader opgenomen bepaling van toepassing zal zijn.
de verdeling van de geldmiddelen
2.36
De rechtbank heeft bepaald dat de aanwezige geldmiddelen per datum van het vonnis, na aftrek van kosten die zien op de verdeling van de nalatenschap en/of op kosten als bedoeld in artikel 3:178 BW Pro, geschiedt in vier gelijke delen. Partijen hebben daartegen geen grieven gericht. In het licht van de overweging in dit arrest dat de overgang van de percelen pas plaatsvindt bij het passeren van de notariële akte tot levering en in aanmerking nemend dat de exploitatie van de landgoederen tot aan die akte geschiedt voor gezamenlijke rekening, verstaat het hof dat partijen het erover eens zijn dat de aanwezige geldmiddelen op de datum van het passeren van die notariële akte op voormelde wijze moet worden verdeeld.
In zoverre is sprake van een gelasting van de verdeling door het hof.
Voor zover [geïntimeerde1] nog heeft aangevoerd dat bij die verdeling ook nog bepaalde verrekeningen dienen plaats te vinden, valt dat buiten de reikwijdte van dit arrest, dat strekt tot verdeling van de nalatenschap. [geïntimeerde1] heeft haar stellingen ook onvoldoende uitgewerkt en daaraan geen concrete rechtsgevolgen verbonden.
Met betrekking tot het door [geïntimeerde1] verlangde voorschot hebben [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] aangevoerd dat de activiteiten die op [naam1] worden uitgevoerd de nodige liquiditeit vereisen en dat zij zich daarom verzetten tegen uitbetaling van een voorschot op die verdeling aan [geïntimeerde1] . Het hof acht dat standpunt niet onredelijk en zal daarom het gevraagde voorschot niet toekennen.
boedelnotaris
2.37
De rechtbank heeft in haar vonnis notaris mr. [notaris1] van [naam11] te [vestigingsplaats1] benoemd om de akte van levering en vestiging ter zake van de verdeling te verlijden.
[appellante] en [geïntimeerde1] hebben verzocht om benoeming van een andere boedelnotaris. Zij hebben aangevoerd dat zij geen vertrouwen meer hebben in mr. [notaris1] . Als redenen daarvoor hebben zij gegeven dat de notaris een aan haar betaald voorschot voor de door haar te verrichten werkzaamheden onder zich heeft gehouden, en dat zij een kadastrale verdeling van een bepaald perceel op landgoed [naam1] tot stand zou hebben gebracht. [appellante] en [geïntimeerde1] hebben echter niet toegelicht waarom hun vertrouwen in de notaris daardoor is verdwenen, terwijl dat zonder een nadere toelichting niet duidelijk is. Het hof vindt het op zichzelf niet onbegrijpelijk dat de notaris een aan haar betaald voorschot onder zich heeft gehouden; zolang haar benoeming niet ongedaan is gemaakt, mag zij verwachten de werkzaamheden te zullen gaan verrichten waarvoor het voorschot is betaald. Ook is niet toegelicht waarom een bepaalde kadastrale verdeling wantrouwen zou rechtvaardigen. Overigens hebben [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] verklaard dat het niet ging om een kadastrale verdeling maar om de vestiging van een erfdienstbaarheid. Het hof handhaaft mr. [notaris1] daarom als boedelnotaris.
arrest in de plaats stellen van akte (art 3:300 lid 2 BW Pro)
2.38
[geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hebben gevorderd te bepalen dat het te wijzen arrest in de plaats zal kunnen treden van een akte of deel daarvan als bedoeld in artikel 3:300 lid 2 BW Pro.
Het hof zal dat niet bepalen, omdat de uitvoering van dit arrest een notariële akte zal vergen, die mogelijk complex zal zijn. Op dit moment kan het hof niet overzien of een indeplaatsstelling daarbij dienstig zal zijn indien een of meer partijen niet hun medewerking mochten willen verlenen aan de totstandkoming van die akte. Het hof wijst partijen erop dat bij het ontbreken van die medewerking, de meest gerede partij de rechtbank op de voet van artikel 3:181 BW Pro kan verzoeken om de benoeming van een onzijdige persoon.
verdeling van het personeel
2.39
[geïntimeerde3] heeft gevorderd dat het hof in zijn arrest ook zal bepalen aan wie een of meer van de personeelsleden toegedeeld moeten worden die momenteel in dienst zijn van de landgoederen [naam1] , [naam2] en [naam3] .
Een dergelijke verdeling is niet aan het hof. Het hof is geen inzicht gegeven in hoe de arbeidsovereenkomsten met de werknemers luiden. Als er sprake van zou kunnen zijn dat de arbeidsverhouding van een werknemer door de verdeling overgaat naar een of meer bepaalde erfgenamen (bijvoorbeeld op grond van artikel 7:663 BW Pro), is dat een gevolg van die verdeling; arbeidsverhoudingen of -overeenkomsten zijn geen goederen die verdeeld kunnen worden door een rechter.
slotsom en proceskosten
2.4
Het hof zal een verdeling vaststellen als hiervoor vermeld. Dat resulteert in een gedeeltelijke vernietiging van het vonnis van de rechtbank. Om redenen van proceseconomie en duidelijkheid zal het hof het vonnis echter geheel vernietigen en opnieuw rechtdoen.
2.41
Gelet op de familieverhouding die tussen partijen bestaat, zullen de kosten van zowel de procedure bij de rechtbank als van de procedure in hoger beroep worden gecompenseerd, op die wijze dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.
Die compensatie geldt ook voor de kosten die door de deskundigen zijn gemaakt. In hoger beroep worden die kosten voor het deskundigenbericht bepaald op € 40.200 inclusief btw, welke kosten door partijen ieder voor een gelijk deel al zijn voldaan middels een voorschot.
Voor die kosten zal daarom geen nadere veroordeling volgen. De kosten van mr. ing. [naam4] voor het bijwonen van de zitting op 12 december 2025 worden bepaald op € 1.800 excl. btw. Ook voor die kosten geldt dat partijen die kosten ieder voor een kwart zullen moeten dragen. Gelet op de tijdens de mondelinge behandeling gedane toezegging dat die kosten voldaan zullen worden ten laste van ieder der partijen voor een gelijk deel, zal ook voor die kosten geen veroordeling worden uitgesproken.
2.42
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

3.De beslissing

Het hof:
3.1
stelt de verdeling van de registergoederen met toebehoren van de nalatenschap van mr. [erflater] vast als volgt;
A. aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] , ieder voor de onverdeelde helft:
- het landgoed [naam1] , uitgezonderd het Huis De Kreil met bijbehorend perceel en de percelen [nummer2] , [nummer3] en [nummer4] , zoals genoemd in het deskundigenrapport met bijbehorende roerende en onroerende zaken en bedrijfsmiddelen en onder bezwaar van het levenslang zakelijk recht van gebruik en bewoning van [geïntimeerde1] van huis ` [naam6] , waarde € 31.090.637,66, onder de hoofdelijke verplichting te voldoen:
- een schuld aan [appellante] van € 4.661.201,28 wegens overbedeling,
- een schuld aan [geïntimeerde1] van € 5.013.641,28 wegens overbedeling;
B. aan [appellante] en [geïntimeerde1] , ieder voor de onverdeelde helft:
- het landgoed [naam2] , bestaande uit de percelen zoals genoemd in het deskundigenrapport
met bijbehorende roerende en onroerende zaken en bedrijfsmiddelen, waarde € 10.056.208,55,
- het Huis [naam3] , bestaande uit het perceel zoals genoemd in het deskundigenrapport met
bijbehorende roerende en onroerende zaken en bedrijfsmiddelen, waarde € 923.104;
C. aan [appellante]:
- het Huis [naam8] met bijbehorend perceel zoals genoemd in het deskundigenrapport met bijbehorende roerende en onroerende zaken en bedrijfsmiddelen, waarde € 501.500. en de percelen [nummer2] , [nummer3] en [nummer4] met een waarde van € 55.540,
- een geldvordering op [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] van € 4.661.201,28 wegens onderbedeling;
D. aan [geïntimeerde1] :
- een geldvordering op [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] van € 5.013.641,28 wegens onderbedeling,
- een zakelijk recht van gebruik en bewoning van het huis ' [naam6] , van welk zakelijk recht van gebruik en bewoning de waarde is bepaald op € 204.600;
E.bepaalt dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] hoofdelijk de vergoeding wegens onderbedeling aan [appellante] en [geïntimeerde1] in geld moeten voldoen, tenzij en voor zover zij met [appellante] en/of [geïntimeerde1]
overeenstemming over een andere wijze van voldoening bereiken;
F.bepaalt dat de voldoening van de door [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] aan [appellante] en [geïntimeerde1] onder C en D genoemde verschuldigde vergoedingen wegens overbedeling als volgt moet plaatsvinden:
1) betaling van € 5.000.000 bij het passeren van de akte van levering, aan [appellante] en [geïntimeerde1] ieder de helft, en
2) betaling van het resterende deel in vier jaarlijkse termijnen, d.w.z. de eerste termijn één
jaar na het passeren van de akte bij de notaris ter uitvoering van deze verdeling en vervolgens telkens een jaar later een termijn, waarbij de termijnen telkens € 1.168,710,64 bedragen (waarvan telkens € 628.410,32 aan [geïntimeerde1] en € 540.300,32 aan [appellante] ), of zoveel eerder als mogelijk is,
3) bepaalt dat wat in enig jaar meer mocht zijn voldaan dan is verschuldigd op grond van het hiervoor onder 2) bepaalde, in mindering strekt op wat in het jaar/de jaren daarop verschuldigd is;
G.bepaalt dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] zekerheid verschaffen aan [appellante] en [geïntimeerde1] voor hun schulden aan hen uit overbedeling door het geven van hypotheekrechten aan [appellante] en [geïntimeerde1] op aan [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] door deze verdeling aan hen (in onverdeeld aandeel) toegedeelde percelen van het landgoed [naam1] , zulks tot een bedrag gelijk aan 120% x € 4.674.842,56 (zijnde de na betaling van € 5.000.000 resterende overbedelingsschuld) ofwel € 5.609.811,07;
H.bepaalt dat [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] over het door hen aan [appellante] en [geïntimeerde1] verschuldigde, niet
voldane gedeelte van de vergoedingen wegens overbedeling, aan [appellante] en [geïntimeerde1] , elk voor
zover het hun recht betreft, een rentevergoeding moeten voldoen van 3 % per jaar, vanaf de
dag van het passeren van de akte door de notaris ter uitvoering van deze verdeling, maar in ieder geval vanaf 1 juli 2026 en telkens tot aan de dag van betaling van het (deel) verschuldigde, bij achterafbetaling te voldoen, tegelijk met de aflossingstermijnen;
3.2
de toedeling hiervoor van roerende zaken aan de onroerende zaken waartoe zij behoren, geldt niet voor de roerende zaken die zich bevinden in het huis [naam1] . Daarvoor geldt bepaling 3.3;
3.3
bepaalt de verdeling van de roerende zaken in het huis [naam1] tussen partijen
zodanig dat:
- voor de verdeling als uitgangspunt de waardebepaling geldt volgens het taxatierapport van 25 oktober 2019, vermeerderd met € 10.000 voor de wapens, totaal een bedrag van € 2.928.550;
- deze goederen over partijen gelijkelijk en tot een gelijke waarde per persoon worden verdeeld, in die zin dat elk der deelgenoten recht heeft op een
kwartvan de gezamenlijke waarde van € 2.928.550;
- ieders kwart fysiek in het huis aanwezig blijft, tenzij partijen gezamenlijk anders mochten beslissen;
- de verdeling moet geschieden onder begeleiding van de boedelnotaris;
- indien een partij het haar toekomende aandeel wil overdragen aan een mede-rechthebbende met diens instemming, die mede-rechthebbende aan de partij de waarde van het door haar overgedragen aandeel moet vergoeden;
- partijen hun aandeel zonder enige verrekening kunnen overdragen aan een op te richten
stichting met als doel het behouden en beheren van de roerende zaken in het huis;
3.4
bepaalt dat de verdeling van de aanwezige geldmiddelen per datum van het passeren van de akte door de notaris ter uitvoering van deze verdeling, na aftrek van de op de integrale verdeling van de nalatenschap betrekking hebbende kosten, en/of na aftrek van kosten/schulden (al dan niet) als bedoeld in artikel 3:178 lid 2 BW Pro, geschiedt in vier gelijke delen over partijen;
3.5
veroordeelt partijen om hun medewerking te verlenen aan de uitvoering van de verdelingen zoals hiervoor vastgesteld, op de hiervoor bepaalde wijze, waaronder ook wordt verstaan de medewerking aan de vestiging van het hiervoor bedoelde zakelijke recht van gebruik en bewoning;
3.6
benoemt tot boedelnotaris om de akte te verlijden en de inboedel en de geldmiddelen te doen verdelen: mr. [notaris1] van [naam11] in [vestigingsplaats1] ;
3.7
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.8
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt
3.9
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, L. van Dijk en R.E. Brinkman, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
24 februari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631