ECLI:NL:GHARL:2026:1119
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- M.S.A. van Dam
- H.L. Wattel
- J.U.M. van der Werff
- C.R.M. Francissen
- H.W.J. van Schooten
- Rechtspraak.nl
Bewijsopdrachten over het bestaan en aard van pachtovereenkomst voor agrarische percelen
In deze civiele zaak staat centraal of tussen appellanten en geïntimeerde een reguliere of geliberaliseerde pachtovereenkomst is gesloten voor vier percelen landbouwgrond, deels in gebruik sinds 2015. Appellanten exploiteren een melkveebedrijf en vorderen vastlegging van een reguliere pachtovereenkomst met bijbehorende gebruiksrechten en pachtprijs, alsmede het verwijderen van een schuilstal en ongedaan maken van meldingen bij de RVO.
De pachtkamer in Zutphen wees deze vorderingen af, waarna appellanten hoger beroep instelden met gewijzigde eisen. Het hof oordeelt dat de vorderingen ook zien op een vierde perceel en dat de stelplicht en bewijslast voor het bestaan van een reguliere pachtovereenkomst bij appellanten rusten. Geïntimeerde betwist dit en voert aan dat een geliberaliseerde pachtovereenkomst is gesloten voor een deel van de percelen.
Het hof laat beide partijen toe feiten en omstandigheden te bewijzen die het bestaan van respectievelijk een reguliere en een geliberaliseerde pachtovereenkomst onderbouwen. Getuigenverhoren worden gepland en verdere beslissing wordt aangehouden. Het arrest is gewezen door vijf rechters en deskundigen en op 24 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hof wijst bewijsopdrachten toe over het bestaan van reguliere en geliberaliseerde pachtovereenkomsten en houdt verdere beslissing aan.