ECLI:NL:GHARL:2026:1119

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
200.348.584
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:311 BWArt. 7:312 BWArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijsopdrachten over het bestaan en aard van pachtovereenkomst voor agrarische percelen

In deze civiele zaak staat centraal of tussen appellanten en geïntimeerde een reguliere of geliberaliseerde pachtovereenkomst is gesloten voor vier percelen landbouwgrond, deels in gebruik sinds 2015. Appellanten exploiteren een melkveebedrijf en vorderen vastlegging van een reguliere pachtovereenkomst met bijbehorende gebruiksrechten en pachtprijs, alsmede het verwijderen van een schuilstal en ongedaan maken van meldingen bij de RVO.

De pachtkamer in Zutphen wees deze vorderingen af, waarna appellanten hoger beroep instelden met gewijzigde eisen. Het hof oordeelt dat de vorderingen ook zien op een vierde perceel en dat de stelplicht en bewijslast voor het bestaan van een reguliere pachtovereenkomst bij appellanten rusten. Geïntimeerde betwist dit en voert aan dat een geliberaliseerde pachtovereenkomst is gesloten voor een deel van de percelen.

Het hof laat beide partijen toe feiten en omstandigheden te bewijzen die het bestaan van respectievelijk een reguliere en een geliberaliseerde pachtovereenkomst onderbouwen. Getuigenverhoren worden gepland en verdere beslissing wordt aangehouden. Het arrest is gewezen door vijf rechters en deskundigen en op 24 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het hof wijst bewijsopdrachten toe over het bestaan van reguliere en geliberaliseerde pachtovereenkomsten en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.348.584
zaaknummer rechtbank Gelderland 11223635
arrest van de pachtkamer van 24 februari 2026
in de zaak van

1.[appellant 1] (“ [appellant 1] ”),

2. [appellant 2] (“ [appellant 2] ”)

3. Maatschap [appellant 3] (“de maatschap”)

die wonen/zijn gevestigd in [woonplaats 1/vestigingsplaats 1] (gemeente [gemeente 1] )
die hoger beroep hebben ingesteld
en bij de pachtkamer in Zutphen optraden als eisers
hierna worden zij gezamenlijk genoemd: [appellanten] c.s. (mannelijk meervoud)
advocaat: mr. A. van Weverwijk
tegen
[geïntimeerde] (“ [geïntimeerde] ”)
die woont in [woonplaats 1] (gemeente [gemeente 1] )
en bij de pachtkamer in Zutphen optrad als gedaagde partij
advocaat: mr. J.T.A.M. van Mierlo

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

Naar aanleiding van het arrest van 24 juni 2025 heeft op 6 november 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1.
Het gaat er in deze zaak om of voor de percelen [plaats 1] sectie [sectieletter 1] nummers [sectienummer 1] geheel (1.07.00 ha), [sectienummer 2] gedeeltelijk (ca. 00.63.00 ha), [sectienummer 3] gedeeltelijk (ca. 00.29.00 ha) en [sectienummer 4] gedeeltelijk (ca. 00.19.00 ha) een pachtovereenkomst bestaat en zo ja, of dit een geliberaliseerde pachtovereenkomst is of een reguliere pachtovereenkomst. Als het hof het in deze uitspraak heeft over de percelen, bedoelt het deze percelen. Het hof komt in dit arrest niet tot een eindoordeel, maar zal zowel [appellanten] c.s. als [geïntimeerde] een bewijsopdracht geven.
2.2.
[appellanten] c.s. exploiteren een melkveebedrijf in [plaats 1] . Sinds 2015 heeft [appellanten] de percelen van [geïntimeerde] in gebruik voor zijn agrarische onderneming. Per 4 december 2017 hebben [appellanten] c.s. de maatschap opgericht. In 2023 is discussie ontstaan over het gebruik van deze vier percelen. Er is gesproken over een geliberaliseerde pachtovereenkomst, die ook in concept is opgesteld en op 7 mei 2024 door de schoondochter van [geïntimeerde] , [naam schoondochter] (hierna: [schoondochter] ), naar de RVO is gestuurd. Maar op 8 mei 2024 hebben [appellanten] c.s. laten weten niet in te gaan op de voorstellen van [geïntimeerde] en op 11 mei 2024 hebben [appellanten] c.s. [geïntimeerde] gesommeerd toegang tot de gronden te geven en medewerking te verlenen aan vastlegging van een reguliere pachtovereenkomst.
2.3.
[appellanten] c.s. hebben bij de pachtkamer in Zutphen gevorderd om een reguliere pachtovereenkomst vast te leggen tussen enerzijds de maatschap, [appellant 1] en [appellant 2] of alleen [appellanten] en anderzijds [geïntimeerde] voor de percelen voor zes jaar met ingang van 1 januari 2015 voor € 1.500 per jaar. Ook willen zij dat [geïntimeerde] wordt bevolen om deze percelen aan hen ter beschikking te stellen, de op perceel [plaats 1] [sectieletter 1] [sectienummer 1] aangebrachte schuilstal te verwijderen en de door [geïntimeerde] bij de RVO gedane meldingen over de percelen ongedaan te maken, zodat [appellanten] c.s. deze percelen weer kunnen opgeven in hun gecombineerde opgave 2023 en 2024. Ten slotte willen [appellanten] c.s. dat voor recht verklaard wordt dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die eisers lijden doordat de percelen niet aan hen ter beschikking zijn gesteld. [appellanten] c.s. hebben ook een voorlopige voorziening voor de duur van het geding gevraagd (op grond van artikel 223 Rv Pro).
2.4.
De pachtkamer in Zutphen heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen, met dien verstande dat [appellanten] c.s. hun eis gewijzigd hebben: zij willen dat een pachtovereenkomst voor de wettelijke duur wordt vastgelegd tussen enerzijds de maatschap, [appellant 1] en [appellant 2] of alleen [appellant 1] en anderzijds [geïntimeerde] met ingang van 1 januari 2015 voor (a) ofwel de percelen tegen een pachtprijs van € 1.500 per jaar, (b) ofwel perceel [plaats 1] [sectieletter 1] nummer [sectienummer 1] (1.07.00 ha) tegen een pachtprijs van € 806,53 per jaar.
2.5.
Ook willen [appellanten] c.s. dat [geïntimeerde] wordt bevolen om (a) deze percelen aan hen ter beschikking te stellen op straffe van de verbeurte van een dwangsom, (b) de op perceel [plaats 1] [sectieletter 1] [sectienummer 1] aangebrachte schuilstal te verwijderen en (c) de door [geïntimeerde] bij de RVO gedane meldingen over de percelen ongedaan te maken, zodat [appellanten] c.s. deze percelen weer kunnen opgeven in hun gecombineerde opgave 2023, 2024 en 2025, op straffe van de verbeurte van een dwangsom. Ten slotte willen [appellanten] c.s. dat voor recht verklaard wordt dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die eisers (of ieder van hen) lijden doordat de percelen niet aan hen ter beschikking zijn gesteld. Er is geen hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van de voorlopige voorziening (op grond van artikel 223 Rv Pro).

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De vordering ziet op alle vier de percelen
3.1.
[appellanten] c.s. hebben bij de mondelinge behandeling in hoger beroep uitgelegd dat hun vordering ziet op alle vier percelen, ook op perceel [sectienummer 4] gedeeltelijk (ca. 00.19.00 ha). In hun spreekaantekeningen hebben [appellanten] c.s. op dit punt ook hun eis voorwaardelijk gewijzigd. Het hof heeft deze voorwaardelijke eiswijziging niet toegelaten. De vraag die het hof nog moet behandelen is of de processtukken van [appellanten] c.s. zo uitgelegd moeten worden dat de daarin ingestelde vorderingen ook op perceel [sectienummer 4] (ged.) zien. [geïntimeerde] heeft dit betwist.
3.2.
Het hof is van oordeel dat de procestukken van [appellanten] c.s. redelijkerwijs niet anders begrepen kunnen worden dan dat perceel [sectienummer 4] ook onderdeel van de vordering van [appellanten] c.s. is. Onbetwist is dat dit perceel ook bij [appellanten] c.s. in gebruik was. Het is ook als zodanig aangegeven op het kaartje (productie 2 in de procedure bij de pachtkamer in Zutphen) waarnaar in het petitum van de dagvaarding bij de pachtkamer in Zutphen is verwezen en ook in het lichaam van de memorie van grieven van [appellanten] c.s. Het perceel was voor 0,18 ha ook onderdeel van de pachtovereenkomst die [schoondochter] eind 2023 heeft opgesteld. Dat ten aanzien van dit perceel andere feiten en omstandigheden van toepassing zouden zijn of andere verweren gevoerd zouden zijn is ook niet door [geïntimeerde] aangevoerd. Het hof leest de vorderingen van [appellanten] c.s. dan ook zo dat deze ook zien op perceel [sectienummer 4] gedeeltelijk (ca. 00.19.00 ha), zoals aangegeven op productie 2 bij de dagvaarding in de procedure bij de pachtkamer in Zutphen.
Is er een pachtovereenkomst tussen partijen afgesproken?
3.3.
De pachtkamer in Zutphen heeft geoordeeld dat geen sprake is van pacht omdat [appellanten] c.s. niet het volledige en exclusieve gebruik van de percelen hadden. Daartegen komen [appellanten] c.s. op.
3.4.
Wil er van pacht sprake zijn dan is vereist dat de verpachter zich verbindt om een onroerende zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken ter uitoefening van bedrijfsmatige landbouw (artikelen 7:311 en 7:312 BW). Het gaat daarbij om wat partijen zijn overeengekomen, zoals geworden en goedgevonden. Daarbij kan een verpachter zich bepaalde aspecten van het gebruik voorbehouden. Of er dan toch nog sprake is van pacht hangt ervan af of de essentiële gebruiksaspecten voor landbouw aan de pachter toekomen.
3.5.
Partijen verschillen van mening over welk gebruik van de percelen is afgesproken. [appellanten] c.s. stellen dat zij alle percelen gebruiken om op te geven in hun gecombineerde opgaven, als mestplaatsingsruimte en om mest van het eigen vee op te (laten) brengen. Zij hebben onkruid op de percelen bestreden en kunstmest aangebracht. Ook werden de percelen beweid met melk- of vleesvee tot in december van elk jaar. In ieder geval gold dat voor perceel [sectienummer 1] ter grootte van 1.07.00 ha, waar [appellanten] c.s. vaak tot midden december vleesvee weidden. Vanaf ongeveer half februari brachten [appellanten] c.s. mest op en sleepten de percelen. [appellanten] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij de pachtkamer in Zutphen verklaard dat op perceel [sectienummer 1] vanaf 15 februari drijfmest werd geïnjecteerd (tot in 2023 toen er door [geïntimeerde] een schuilstal werd geplaatst). Tegenover dit gebruik staan volgens [appellanten] c.s. de verplichting om € 1.500 te betalen, maar ook het afleveren van een kleine hoeveelheid hooibaaltjes en het verrichten van diverse kleine werkzaamheden op het erf van [geïntimeerde] . Volgens [appellanten] c.s. is op de door [geïntimeerde] overgelegde foto (productie 8 bij memorie van antwoord) te zien hoe door [appellanten] c.s. geperste hooibalen door een familielid van [geïntimeerde] worden opgehaald.
3.6.
Partijen zijn het erover eens dat [geïntimeerde] de percelen ook gebruikte. Volgens [appellanten] c.s. is bedongen dat [geïntimeerde] als hobby een paar shetlander pony’s gedurende de wintermaanden vanaf circa half december tot medio februari op de percelen aan de huiszijde mocht laten lopen (en dus niet op perceel [sectienummer 1] ; daar liet [schoondochter] alleen in november 2023 ineens een paard/pony’s lopen). Tijdens de mondelinge behandeling bij de pachtkamer in Zutphen heeft [appellant 1] verklaard dat [geïntimeerde] inderdaad van 1 november tot 1 mei haar pony’s op het huisperceel had staan.
3.7.
Volgens [geïntimeerde] was het gebruik anders. Volgens haar is slechts één keer in de zomerperiode dierlijke mest opgebracht, omdat dat slecht bevallen was. Op de percelen mocht geen dierlijke mest worden opgebracht. Er stond geen vleesvee na oktober en gebruik na 1 november was niet toegestaan. Toen daarvan wel sprake was in november 2023 heeft [schoondochter] [appellanten] c.s. daarop aangesproken en hebben zij hun de koeien verwijderd. [geïntimeerde] gebruikte de percelen in de periode mei tot en met oktober ook geregeld zelf voor haar pony’s en voor het oogsten van hooigras voor haar pony’s. Er liepen wel pony’s en een paard van [geïntimeerde] op perceel [sectienummer 1] in de periode november-april, maar het gebruik was soms beperkt doordat de afrastering niet in orde was. Op productie 8 bij de memorie van antwoord staat een familielid van [geïntimeerde] die bezig is hooigras te winnen. Ook heeft [geïntimeerde] een foto overgelegd van september 2020 waarin volgens haar drie schapen op perceel [sectienummer 2] te zien zijn en een video overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat in mei 2021 op de percelen [sectienummer 2] en [sectienummer 4] pony’s stonden.
3.8.
[appellanten] c.s. beroepen zich op de rechtsgevolgen van het bestaan van een reguliere pachtovereenkomst en de stelplicht en bewijslast daarvan rusten dus op hen. [appellanten] c.s. hebben bewijs aangeboden. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] van de door [appellanten] c.s. gestelde feiten en omstandigheden zal het hof daarom [appellanten] c.s. toelaten feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit afgeleid kan worden dat is afgesproken dat van alle of enkele van de percelen het landbouwkundig gebruik aan hen is afgestaan, afgezien van voor de landbouw niet-essentiële gebruiksaspecten.
Is dit een geliberaliseerde pachtovereenkomst of een reguliere?
3.9.
Als [appellanten] c.s. slagen in het hun opgedragen bewijs, komt aan de orde het beroep van [geïntimeerde] op het tot stand komen van een geliberaliseerde pachtovereenkomst voor de percelen voor de periode 1 mei tot 1 november voor 2024 voor € 1.500 en 200 balen hooi. Zou dat komen vast te staan, dan is daarmee een nieuwe pachtovereenkomst tot stand gekomen, die in de weg staat aan de door [appellanten] c.s. gevorderde vastlegging van een reguliere pachtovereenkomst. De stelplicht en bewijslast van deze geliberaliseerde pachtovereenkomst rusten op [geïntimeerde] .
3.10.
Volgens [geïntimeerde] zou deze geliberaliseerde pachtovereenkomst zijn besproken met de adviseur van [appellanten] c.s., [adviseur 1] van [naam adviesbureau] Agrarisch Advies. Volgens [geïntimeerde] heeft [schoondochter] namens haar met [appellanten] c.s. afgesproken dat zij de pachtovereenkomst mocht regelen met [adviseur 1] . Na overleg zouden [schoondochter] namens [geïntimeerde] en [adviseur 1] tot overeenstemming zijn gekomen en [adviseur 1] zou op 2 mei om 17.21 uur met [schoondochter] hebben gebeld om mee te delen dat partijen een akkoord hadden bereikt. Daarna zouden [appellanten] c.s. hun RVO-gegevens hebben verstrekt. Op 8 mei 2024 heeft [adviseur 1] echter laten weten dat [appellanten] c.s. niet op de voorstellen namens [geïntimeerde] in zouden gaan. [appellanten] c.s. hebben gemotiveerd betwist dat overeenstemming is bereikt. [geïntimeerde] heeft van de totstandkoming van deze geliberaliseerde pachtovereenkomst bewijs aangeboden. Het hof zal haar daarom toelaten feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat deze geliberaliseerde pachtovereenkomst tot stand is gekomen.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
Het hof laat [appellanten] c.s. toe feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit afgeleid kan worden dat is afgesproken dat van alle of enkele van de percelen het landbouwkundig gebruik aan hen is afgestaan, afgezien van voor de landbouw niet-essentiële gebruiksaspecten.
4.2.
Het hof laat [geïntimeerde] toe feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat de in rov. 3.9 beschreven geliberaliseerde pachtovereenkomst tot stand is gekomen.
4.3.
Als getuigen worden gehoord, zal raadsheer-commissaris mr. M.S.A. van Dam samen met deskundig lid ing. H.W.J. van Schooten de getuigen verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn.
4.4.
[appellanten] c.s. en [geïntimeerde] moeten op dinsdag 17 maart 2026 laten weten hoeveel getuigen zij willen laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten. Daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is.
4.5.
[appellanten] c.s. en [geïntimeerde] moeten de namen en woonplaatsen van de door hen opgeroepen getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartij of wederpartijen en de griffier van het hof opgeven.
4.6.
Een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, moet het hof en de wederpartij daarvan uiterlijk 10 dagen voor de dag van de zitting een kopie sturen.
4.7.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, H.L. Wattel, J.U.M. van der Werff en de deskundige leden ing. C.R.M. Francissen en ing. H.W.J. van Schooten en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.