ECLI:NL:GHARL:2026:1153

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
21-000350-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens negeren rood licht en veroorzaken zwaar lichamelijk letsel in verkeersongeval

Op 20 juni 2023 reed verdachte door twee rode verkeerslichten in [Plaats 1], waarbij hij met een snelheid van circa 59 km/u reed en onvoldoende uitkeek. Hierdoor ontstond een botsing met een ander voertuig, waarna zijn auto tegen een fietser botste die zwaar lichamelijk letsel opliep, te weten een subduraal hematoom.

De rechtbank Noord-Nederland veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 120 uur, 60 dagen hechtenis subsidiair, en een onvoorwaardelijke rijontzegging van 6 maanden. Het hof vernietigde dit vonnis en legde een taakstraf van 120 uur op, te vervangen door 60 dagen hechtenis, en een rijontzegging van 12 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Het hof oordeelde dat het rijgedrag van verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend was en dat het letsel van het slachtoffer als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. De verdediging voerde aan dat sprake was van een verkeersfout en geen zwaar letsel, maar dit werd verworpen op basis van forensisch bewijs en medische rapporten.

De straf is passend geacht gezien de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, die zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. De gedeeltelijke voorwaardelijke rijontzegging dient als stok achter de deur om herhaling te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, 60 dagen hechtenis subsidiair, en een rijontzegging van 12 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk wegens het negeren van rode verkeerslichten en het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000350-25
Uitspraakdatum: 25 februari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 21 januari 2025 met parketnummer 18-035134-24 in de strafzaak tegen

[Naam verdachte] ,

geboren op [Geboortedatum] 1999 in [Geboorteplaats] ,
wonende te [Adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank
Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 11 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde en veroordeling van verdachte tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van
2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. T.H. Westerhof-Dijkstra, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 20 juni 2023 te [Plaats 1] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [Straat 1] , de [Straat 2] en/of de [Straat 3] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, nadat het brugprogramma was geactiveerd
- ( opzettelijk) een of meer rode verkeerslichten te negeren,
- te rijden met een snelheid van ongeveer 59 km/u, althans met een hogere snelheid dan verantwoord was,
- niet tijdig af te remmen en/of zijn voertuig niet tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en overzienbaar was, en/of
- niet (voldoende) uit te kijken en/of uit te wijken,
als gevolg waarvan hij in botsing is gekomen met het voor hem van links komende voertuig, te weten de VW van verdachte [Naam medeverdachte 1] , waarna het voertuig van verdachte is gaan tollen en uiteindelijk tegen een fietser, te weten [Slachtoffer 1] , is aangereden/aangebotst, waardoor een ander (genaamd [Slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een subduraal hematoom, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair
hij op of omstreeks 20 juni 2023 te [Plaats 1] als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [Straat 1] , de [Straat 2] en/of de [Straat 3] , nadat het brugprogramma was geactiveerd
- ( opzettelijk) een of meer rode verkeerslichten heeft genegeerd,
- heeft gereden met een snelheid van ongeveer 59 km/u, althans met een hogere snelheid dan verantwoord was,
- niet tijdig heeft afgeremd en/of zijn voertuig niet tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover de weg vrij en overzienbaar was, en/of
- niet (voldoende) heeft uitgekeken en/of is uitgeweken,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat het rijgedrag van verdachte is aan te merken als zeer onvoorzichtig.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk twee rood uitstralende verkeerslichten heeft genegeerd en evenmin dat verdachte met een zodanige snelheid of op zodanig gevaarzettende wijze heeft gereden dat sprake was van aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het geheel van gedragingen levert volgens de raadsvrouw hooguit een verkeersfout op en dit is onvoldoende voor de in artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) vereiste aanmerkelijke schuld. Daarnaast stelt de raadsvrouw dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. Aldus dient verdachte van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.
Standpunt van het hof
Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem primair tenlastegelegde. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Het hof overweegt in het bijzonder als volgt.
Op basis van het forensisch onderzoek op de plaats delict en de uitgevoerde analyse van de beschikbare VRI-data kan het volgende worden vastgesteld. Op 20 juni 2023 omstreeks 17:05 uur stond verdachte te wachten voor het verkeerslicht voor de brug over het [Kanaal 1] . Nadat verdachte 50 seconden voor het rode licht van het (eerste) verkeerslicht voor de brug (richting 05) had stilgestaan, is hij gaan rijden in de richting van de Provincialeweg [Straat 3] en is hij dit rood uitstralende verkeerslicht gepasseerd. Vervolgens is hij de stopstreep van het (tweede) verkeerslicht na de brug (richting 65) gepasseerd, terwijl het bij die stopstreep behorende verkeerslicht reeds 2,5 seconden rood licht uitstraalde. Na het passeren van dat tweede verkeerslicht kwam het voertuig van verdachte op het kruispunt in botsing met een ander voertuig, waarna het voertuig van verdachte in een ongecontroleerde slip terechtkwam en met de achterzijde tegen [Slachtoffer 1] aanbotste die met zijn fiets stond te wachten voor het rode verkeerslicht op het fietspad dat parallel ligt aan de Provincialeweg [Straat 3] . Ten gevolge van dit ongeval is [Slachtoffer 1] gewond geraakt.
Verdachte heeft ter plaatse tegenover de politie verklaard dat hij niet wilde wachten toen de bel van de brug ging rinkelen als vooraankondiging dat deze open zou gaan. Ter zitting van het hof heeft hij erkend dat hij het eerste rode verkeerslicht bewust is gepasseerd omdat hij meende dat hij het tweede verkeerslicht, dat al geruime tijd op groen stond, kon halen. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat, toen hij ongeveer 3 á 4 meter van het tweede verkeerslicht verwijderd was, het licht op oranje (naar het hof begrijpt: geel) sprong waarna hij is verder gereden.
Gelet op de resultaten van het forensisch onderzoek oordeelt het hof dat het door de verdediging geschetste scenario, dat het verkeerslicht na de brug op groen stond op het moment dat verdachte dit passeerde, wordt weerlegd door de aanwezige bewijsmiddelen. Dit verweer wordt dan ook verworpen.
Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de berekening van de minimale indicatieve snelheid van 59,4 km/u, waarmee verdachte door het rode licht reed op een afstand van ongeveer 13,4 meter van het conflictvlak waar hij in botsing is geraakt met het andere betrokken voertuig.
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het primair ten laste gelegde, overtreding van artikel 6 WVW Pro 1994, moet worden vastgesteld dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is. Het juridische begrip ‘schuld’ in het kader van dit artikel houdt in dat voor strafbaarheid ten minste sprake moet zijn van een aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Onvoorzichtig of onoplettend handelen op zichzelf is niet voldoende om tot een bewezenverklaring van ‘schuld’ te kunnen komen. Of sprake is van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
Vaststaat dat verdachte tweemaal door een rood verkeerslicht is gereden, waarbij hij na het optrekken bij het eerste rode verkeerslicht met een - gelet op de omstandigheden - te hoge snelheid door het tweede rode verkeerslicht is gereden. Hierdoor kon verdachte niet tijdig afremmen en is hij in aanraking gekomen met een andere auto, waarna zijn auto is gaan tollen en hij tegen [Slachtoffer 1] is aangebotst. Deze fietser heeft hierbij hoofdletsel opgelopen. Naar het oordeel van het hof was sprake van meer dan een enkel moment van onoplettendheid of een inschattingsfout en is het rijgedrag van verdachte als zeer onvoorzichtig en onoplettend aan te merken, zodat het verkeersongeval aan zijn schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro 1994 te wijten is.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of bij het slachtoffer sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Het hof stelt voorop dat, buiten de gevallen genoemd in artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht, lichamelijk letsel als zwaar kan worden beschouwd wanneer dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
Het slachtoffer heeft ten gevolge van het ongeval een subduraal hematoom (hersenbloeding) aan de linkerkant van zijn hoofd opgelopen. Een hersenbloeding kan ernstige risico’s met zich brengen en kan blijvende gevolgen hebben. Uit de medische stukken en wat het slachtoffer zo’n zes weken na het ongeval bij de politie heeft verklaard, volgt dat hij drie dagen in het ziekenhuis moest blijven en dat hij nadien ter controle in ieder geval zeven scans heeft gehad. Hij verklaart ook dat hij nog steeds snel vermoeid is, iedere middag een paar uren slaapt, duizelig is bij het opstaan en dat hij volgens zijn vrouw een schim is van de persoon die hij voor het ongeval was.
Gelet op de risico’s die een hersenbloeding met zich brengen, wat ook blijkt uit de controles die gedurende een periode van in ieder geval zes weken sinds het ongeval nodig waren om de hersenbloeding te monitoren, en nu het slachtoffer na zes weken nog steeds niet volledig is hersteld en beperkingen ondervindt bij de uitoefening van de normale bezigheden, is het hof van oordeel dat het letsel van dien aard is dat het naar normaal spraakgebruik wordt aangeduid als zwaar lichamelijk letsel.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
primair
hij op 20 juni 2023 te [Plaats 1] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [Straat 1] , de [Straat 2] en de [Straat 3] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, nadat het brugprogramma was geactiveerd
- een of meer rode verkeerslichten te negeren,
- te rijden met een snelheid van ongeveer 59 km/u, althans met een hogere snelheid dan verantwoord was,
- niet tijdig af te remmen en zijn voertuig niet tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en overzienbaar was, en
- niet voldoende uit te kijken en uit te wijken,
als gevolg waarvan hij in botsing is gekomen met het voor hem van links komende voertuig, te weten de VW van verdachte [Naam medeverdachte 1] , waarna het voertuig van verdachte is gaan tollen en uiteindelijk tegen een fietser, te weten [Slachtoffer 1] , is aangebotst, waardoor een ander (genaamd [Slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een subduraal hematoom, werd toegebracht.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Door de verdediging is naar voren gebracht dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk als beroepschauffeur en dat het verlies daarvan tot het verlies van zijn werk en daarmee tot verdere financiële problemen kan leiden.
Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffende uittreksel van de Justitiële Documentatie van 13 januari 2026, waaruit blijkt dat aan verdachte ter zake van een verkeersovertreding in 2021 een strafbeschikking is uitgevaardigd.
De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt. Verdachte heeft bewust een rood verkeerslicht genegeerd omdat hij niet voor de brug wilde wachten waardoor hij vervolgens, met een hogere snelheid dan gelet op de omstandigheden verantwoord was, ook een tweede verkeerslicht is gepasseerd dat op dat moment op rood stond. Hierdoor kwam de auto van verdachte in botsing met een andere auto, waarna de auto van verdachte is gaan tollen en hij uiteindelijk [Slachtoffer 1] heeft geraakt. Met zijn handelen heeft de verdachte zich onverantwoordelijk gedragen in het verkeer, ten gevolge waarvan [Slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Alles afwegende acht het hof de oplegging van een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid om motorrijtuigen te besturen passend en geboden. Een geheel voorwaardelijke rijontzegging doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van het feit. Rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal daarom een rijontzegging voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren worden opgelegd. De voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid dient tevens als stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan een strafbaar feit en hem ervan te doordringen voorzichtig te zijn in het verkeer.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot
9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. L.G. Wijma, mr. P.W.J. Sekeris en mr. E. de Witt, in aanwezigheid van de griffier mr. C.A. Verstraaten en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 25 februari 2026.