ECLI:NL:GHARL:2026:1154

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
21-001607-20
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 56 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 225 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen oplichting, valsheid in geschrift en witwassen gemeente Amsterdam

De verdachte, werkzaam als werf- en wagenparkbeheerder bij de gemeente Amsterdam, werd beschuldigd van het medeplegen van oplichting, valsheid in geschrift en witwassen. Hij zou via valse facturen en het gebruik van schijnbedrijven de gemeente en een leasebedrijf hebben misleid om ruim 3 miljoen euro te verkrijgen.

In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en een deels gewijzigde bewezenverklaring vastgesteld. Het hof oordeelde dat verdachte met listige kunstgrepen, het aannemen van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels de gemeente en het leasebedrijf heeft bewogen tot betaling van valse facturen. De facturen betroffen niet geleverde goederen of diensten, wat wettig en overtuigend werd bewezen.

Daarnaast werd vastgesteld dat verdachte en medeverdachten het geldbedrag witwasten door het overboeken naar privérekeningen en het doen van luxe uitgaven. De verdediging voerde onder meer aan dat de administratie van de gemeente gebrekkig was, maar dit verweer werd verworpen. Het hof legde een gevangenisstraf van 46 maanden op, rekening houdend met een termijnoverschrijding, en sprak verdachte vrij van niet bewezen onderdelen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 46 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van oplichting, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001607-20
Uitspraakdatum: 25 februari 2026
TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 6 april 2020 met parketnummer 08-960101-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 in [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfsplaats in Nederland,
die in deze strafzaak ervoor kiest om als officieel correspondentieadres het adres van het kantoor van de raadsman te gebruiken, namelijk: [adres] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 6 mei 2022 en 11 februari 2026 is besproken en daarnaast wat op de zittingen bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering strekt tot:
  • bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3; en
  • oplegging van een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens verdachte door zijn raadsman, mr. A.J. Admiraal, is aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank Overijssel heeft in het vonnis de volgende beslissingen genomen:
  • verwerping van het nietigheidsverweer ten aanzien van feit 2;
  • bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3; en
  • oplegging van een gevangenisstraf van 43 maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest.
Het hof komt in dit arrest tot een deels andere bewezenverklaring dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de rechtbank Overijssel is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
Feit 1
Hij,
op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 januari 2008 tot en met 7 september 2015 te ( [plaats] ), althans (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
met het oogmerk om zich en/of ( een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
(in zijn hoedanigheid als wagenparkbeheerder/werfbeheerder werkzaam bij de [gemeente] (Stadsdeel West) verantwoordelijk voor de inkoop en het beheer van goederen en diensten voor en/of ten behoeve van het wagenpark en de werven)
de [gemeente] en/of [bedrijf 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten:
(via [bedrijf 2] )
- Een (giraal) geldbedrag van in totaal
€ 864.852,40door de [gemeente] overgemaakt aan [bedrijf 2] en/of
- Een (giraal) geldbedrag van in totaal
€ 2.162.097,69door de [gemeente] overgemaakt aan [bedrijf 1] , waarvan [bedrijf 1] in totaal
€ 2.013.488,65over heeft gemaakt aan [bedrijf 2]
en/of
(via [bedrijf 3] )
- Een (giraal) geldbedrag van in totaal
€ 134.817,40door de [gemeente] overgemaakt aan [bedrijf 3] en/of
- Een (giraal) geldbedrag van in totaal
€ 51.229,74door de [gemeente] overgemaakt aan [bedrijf 1] , welk gehele bedrag [bedrijf 1] over heeft gemaakt aan [bedrijf 3]
en/of
(via [naam 1] )
- Een giraal geldbedrag van in totaal
€ 873.432,35door de [gemeente] overgemaakt aan [naam 1] ,
hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) met het vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
- de bedrijven [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] opgericht en/of laten oprichten en zich middels deze bedrijven voorgedaan als betrouwbare leverancier van goederen en/of diensten en/of werkzaamheden ten behoeve van (het wagenpark en/of de werven) van de [gemeente] en/of
- zich voorgedaan als bevoegd en/of gemandateerd tot het plaatsen van meerdere bestellingen van goederen en/of diensten en/of werkzaamheden bij [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [naam 1] en/of
- meerdere bestellingen geplaatst en/of laten plaatsen (via [bedrijf 1] ) bij [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [naam 1] en/of
- meerdere facturen op naam van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [naam 1] heeft opgemaakt en/of laten opmaken en/of deze vervolgens heeft verstuurd en/of heeft laten versturen naar en/of ingediend bij de [gemeente] en/of [bedrijf 1] en/of
- (schriftelijke en mondelinge) mededelingen gedaan over de gefactureerde goederen en/of diensten en/of werkzaamheden aan de [gemeente] en/of aan [bedrijf 1]
- de indruk gewekt dat goederen en/of diensten en/of werkzaamheden vermeld op deze facturen aan de [gemeente] en/of [bedrijf 1] geleverd en/of verricht zijn door [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [naam 1] , terwijl deze goederen en/of diensten en/of werkzaamheden niet zijn geleverd en/of verricht,
waardoor de [gemeente] en/of [bedrijf 1] (telkens) werden bewogen tot bovenomschreven afgifte(s);
Feit 2
Hij,
op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 januari 2008 tot en met 7 september 2015 te [plaats] , althans (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
één of meerdere geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
- 81 facturen op naam van [bedrijf 2] aan de [gemeente] (ZD p.17 en bijlage p.132 ev),
- 113 facturen op naam van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] (ZD p.19 en bijlage p. .318 ev),
- 16 facturen op naam van [bedrijf 3] aan de [gemeente] (ZD p.18 en bijlage p. 199 ev),
- 6 facturen op naam van [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] (ZD p.20 en bijlage p. 436 ev),
- 28 facturen op naam van [bedrijf 4] (bijlage p.227-254),
- 63 facturen op naam van [bedrijf 5] (bijlage p.255-317),
- 3 facturen op naam van [naam 1] aan de [gemeente] (bijlage p. 102, 1513 en 1525),
valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door:
(ten aanzien van de facturen op naam van [bedrijf 2] :)
- in de facturen op naam van [bedrijf 2] aan de [gemeente] en/of [bedrijf 1] valselijk en in strijd met de waarheid een omschrijving van goederen en/of diensten en/of werkzaamheden en/of een prijs en/of (totaal)bedrag te vermelden alsof die goederen en/of diensten en/of werkzaamheden geleverd en/of verricht zijn door [bedrijf 2] , terwijl deze goederen en/of diensten en/of werkzaamheden niet zijn geleverd en/of verricht door [bedrijf 2]
en/of
(ten aanzien van de facturen op naam van [bedrijf 3] :)
- in de facturen op naam van [bedrijf 3] aan de [gemeente] en/of [bedrijf 1] valselijk en in strijd met de waarheid een omschrijving van goederen en/of diensten en/of werkzaamheden en/of een prijs en/of (totaal)bedrag te vermelden alsof die goederen en/of diensten en/of werkzaamheden geleverd en/of verricht zijn door [bedrijf 3] , terwijl in werkelijkheid die goederen en/of werkzaamheden niet zijn geleverd en/of verricht door [bedrijf 3]
en/of
(ten aanzien van de facturen op naam van [bedrijf 4] en [bedrijf 5] )
- in de facturen op naam van [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] valselijk en in strijd met de waarheid een omschrijving van goederen en/of een prijs en/of (totaal)bedrag te vermelden alsof die goederen geleverd zijn door [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] , terwijl in werkelijkheid die goederen niet geleverd zijn door [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of
- in de facturen van [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] valselijk en in strijd met de waarheid te vermelden dat de facturen afkomstig zijn van [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5]
en/of
(ten aanzien van de facturen van [naam 1] )
- in de facturen op naam van [naam 1] aan de [gemeente] valselijk en in strijd met de waarheid een omschrijving van goederen en/of een prijs en/of (totaal)bedrag te vermelden alsof die goederen geleverd zijn door [naam 1] , terwijl in werkelijkheid die goederen niet geleverd zijn door [naam 1] ,
met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
en/of (vervolgens)
opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse en/of vervalste facturen die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen als ware het/deze echt en onvervalst en/of valse en/of vervalste facturen die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad door:
- 81 facturen op naam van [bedrijf 2] aan de [gemeente] ,
- 113 facturen op naam van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] ,
- 16 facturen op naam van [bedrijf 3] aan de [gemeente] ,
- 6 facturen op naam van [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] ,
- 3 facturen op naam van [naam 1] aan de [gemeente]
te versturen en/of te laten sturen aan en/of in te dienen bij de [gemeente] en/of [bedrijf 1]
en/of
- 28 facturen op naam van [bedrijf 4] ,
- 63 facturen op naam van [bedrijf 5] ,
door te sturen aan en/of af te geven bij [naam 1] ,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededaders wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat voornoemde facturen bestemd waren om gebruik van te maken als ware deze facturen echt en onvervalst;
Feit 3
Hij,
Op diverse tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2008 tot en met 7 september 2015 te [plaats] , althans (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen,
immers heeft hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededaders,
a) van een of meerdere (grote) geldbedragen van in totaal
€ 3.012.939,44bestaande uit:
- € 126.043,95 (6.1 Overschrijvingen naar Rabobankrekening ten name van [naam 2] ),
- € 185.544,- (6.2: betalingen voor de drie voertuigen van het merk Porsche, type Cayenne),
- € 14.888,- (6.3: betaling voor het voertuig van het merk Mini),
- € 40.000,- (6.4: betaling voor het vaartuig merk Baja),
- € 15.000,- (6.4: betaling voor het vaartuig merk Chapparal),
- € 8.000,- (6.4: betalingen voor het vaartuig merk Sea Ray),
- € 18.345,65 (6.5: betalingen aan het [hotel] ),
- € 3.568,24 (6.5: betalingen aan het [hotel] ),
- € 1.040,93 (6.5: betalingen voor het vliegticket naar Suriname ten name van [naam 3] ),
- € 5.078,33 (6.5: betalingen voor overige reizen),
- € 1.542.063,- (6.6: uitgaven in [bedrijf 6] en ten behoeve van online gokken),
- € 212.800,- (6.7: uitgaven bij [bedrijf 7] ),
- € 63.587,50 (6.7: uitgaven bij [bedrijf 8] ),
- € 60.122,07 (6.7: uitgaven bij diverse tabakswinkels en loterij loten),
- € 598.428,88 (6.7: diverse uitgaven),
- € 98.349,77 (6.8: betalingen voor huurkosten op verschillende locaties),
- € 20.079,12 (6.9: overschrijvingen naar derden),
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats, en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen of verhuld wie de rechthebbende is of het voorhanden heeft,
en/of
b) een of meerdere ( grote) geldbedragen van in totaal
€ 3.012.939,44bestaande uit:
- € 126.043,95 (6.1 Overschrijvingen naar Rabobankrekening ten name van [naam 2] ),
- € 185.544,- (6.2: betalingen voor de drie voertuigen van het merk Porsche, type Cayenne),
- € 14.888,- (6.3: betaling voor het voertuig van het merk Mini),
- € 40.000,- (6.4: betaling voor het vaartuig merk Baja),
- € 15.000,- (6.4: betaling voor het vaartuig merk Chapparal),
- € 8.000,- (6.4: betalingen voor het vaartuig merk Sea Ray),
- € 18.345,65 (6.5: betalingen aan het [hotel] ),
- € 3.568,24 (6.5: betalingen aan het [hotel] ),
- € 1.040,93 (6.5: betalingen voor het vliegticket naar Suriname ten name van [naam 3] ),
- € 5.078,33 (6.5: betalingen voor overige reizen),
- € 1.542.063,- (6.6: uitgaven in [bedrijf 6] en ten behoeve van online gokken),
- € 212.800,- (6.7: uitgaven bij [bedrijf 7] ),
- € 63.587,50 (6.7: uitgaven bij [bedrijf 8] ),
- € 60.122,07 (6.7: uitgaven bij diverse tabakswinkels en loterij loten),
- € 598.428,88 (6.7: diverse uitgaven),
- € 98.349,77 (6.8: betalingen voor huurkosten op verschillende locaties),
- € 20.079,12 (6.9: overschrijvingen naar derden),
verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van voornoemde geldbedragen gebruik gemaakt,
terwijl hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededaders, wisten dat voornoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Geldigheid van de dagvaarding feit 2

Door de raadsman is op de zitting van het hof bepleit dat de tenlastelegging van feit 2 onvoldoende feitelijk is en dat de dagvaarding in zoverre partieel nietig moet worden verklaard. Dit omdat 22 facturen van [bedrijf 2] (met een totaalbedrag van € 198.910,99) van de in totaal 81 in de dagvaarding vermelde facturen van [bedrijf 2] niet zijn gespecificeerd en niet zijn terug te vinden in het strafdossier. Het is daardoor voor verdachte onduidelijk wat de inhoud van die facturen is en het is daarmee ook onduidelijk waartegen door verdachte verweer dient te worden gevoerd.
Net als de rechtbank overweegt het hof dat uit de inhoud van het dossier, in het bijzonder uit de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen LEFC915003-835 [1] , duidelijk volgt op welke facturen van [bedrijf 2] de verdenking van valsheid in geschrift zich concreet richt. De tenlastelegging verwijst ook naar dit proces-verbaal van bevindingen. Uit het strafdossier [2] volgt dat de [gemeente] van de 81 facturen van [bedrijf 2] (slechts) 59 facturen heeft verstrekt. Dit maakt echter niet dat uit de in de dagvaarding opgenomen tenlastelegging onvoldoende duidelijk blijkt waarvoor verdachte terechtstaat en welk verwijt hem kan worden gemaakt. Het ontbreken van de 22 facturen van [bedrijf 2] kan naar het oordeel van het hof daarom niet leiden tot partiële nietigheid van de dagvaarding. Het verweer wordt verworpen.
De eventuele gevolgen van het ontbreken van deze 22 facturen van [bedrijf 2] in het strafdossier worden besproken in de hierna volgende bewijsoverwegingen van het hof.

Bewijsoverweging

Inleiding
Verdachte wordt ervan verdacht dat hij als werf-/wagenparkbeheerder bij de [gemeente] (stadsdeel West) de [gemeente] en [bedrijf 1] heeft opgelicht (feit 1). [bedrijf 1] was administratief verantwoordelijk voor de aankopen van onder andere voertuigen voor de [gemeente] . De verdenking is dat verdachte onder meer facturen heeft opgemaakt en/of ingediend bij de [gemeente] en [bedrijf 1] van niet daadwerkelijk geleverde goederen en diensten (feit 2). Hiermee zou verdachte ruim 3 miljoen euro hebben ontvangen en dat geldbedrag zou verdachte hebben witgewassen door het aan verschillende zaken uit te geven (feit 3). Verdachte wordt bij alle feiten ervan verdacht dat hij ze met één of meer anderen heeft gepleegd en dat daarmee sprake is van het medeplegen van deze feiten.
Standpunt van de verdediging
Verdachte ontkent de feiten 1 en 2 te hebben gepleegd, met uitzondering van de facturen op naam van [bedrijf 4] , [bedrijf 5] en [naam 1] . De gefactureerde goederen en diensten zijn door verdachte wel degelijk geleverd en verleend aan de [gemeente] . Verdachte kocht contant de goederen in en betaalde de mensen die voor hem werkten contant uit. Hij ontkent de [gemeente] en [bedrijf 1] dan ook te hebben opgelicht en hij ontkent dat hij de facturen valselijk heeft opgemaakt of vervalst en/of van valse facturen gebruik heeft gemaakt. Verdachte erkent de uitgaven te hebben gedaan die bij feit 3 in de tenlastelegging staan opgenomen.
In hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit van de feiten 1 en 2. Ten aanzien van de door medeverdachte [naam 1] gefactureerde bedragen voert de verdediging geen verweer en laat de verdediging de beslissing hierover aan het hof. Ten aanzien van feit 3 voert de verdediging ook geen verweer en laat de verdediging de beslissing hierover ook aan het hof.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 te komen. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. In het geval dat cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest. Ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, wordt (slechts) gebezigd voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens de inhoud daarvan betrekking heeft.
Het hof kan zich in het grootste deel van de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen van de rechtbank vinden. Het hof sluit zich daarom bij de gebruikte bewijsmiddelen en bij de bewijsoverwegingen zoveel mogelijk aan bij de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen van de rechtbank. Daarbij worden wel enkele onderdelen aangevuld of aangepast. Het hof gaat – voor zover nodig – hierna in op specifieke standpunten en argumenten van de verdediging.

Feit 1 (oplichting) en feit 2 (valsheid in geschrift)

Gelet op de verwevenheid en onderlinge samenhang zal het hof de feiten 1 en 2 gezamenlijk behandelen.
Juridische kaders
Juridisch kader oplichting (feit 1)
Het bij feit 1 aan verdachte gemaakte verwijt draait in de kern om de vraag of hij de [gemeente] en/of [bedrijf 1] , door middel van in de tenlastelegging opgesomde oplichtingsmiddelen, met het oogmerk om zichzelf of anderen wederrechtelijk te bevoordelen, ertoe heeft bewogen om geld te verstrekken aan zichzelf en/of anderen.
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling van oplichting vereist is dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen om daarvan misbruik te maken.
Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.
De strafbepaling bevat vier oplichtingsmiddelen; ‘het aannemen van een valse naam’, ‘het aannemen van een valse hoedanigheid’, ‘listige kunstgrepen’ en ‘een samenweefsel van verdichtsels’. Al deze oplichtingsmiddelen zijn verdachte in deze zaak ten laste gelegd.
Bij het ‘aannemen van een valse hoedanigheid’ gaat het niet slechts om het opwekken van de schijn dat een bepaald beroep of een bepaalde functie wordt uitgeoefend, maar ook om het opwekken van een onjuist beeld ten aanzien van juridische verhoudingen. Zowel het in het leven roepen van omstandigheden als de (‘listige’) aanpassing aan omstandigheden (misbruik van ‘goed vertrouwen’) kunnen oplichting opleveren. ‘Listige kunstgrepen’ zijn bedrieglijke handelingen geschikt om leugenachtige voorwendsels en valse voorstellingen ingang te doen vinden en daaraan kracht bij te zetten. ‘Een samenweefsel van verdichtsels’ moet bestaan uit een opeenstapeling van leugens. Een enkele leugen is niet voldoende.
Vastgesteld zal moeten worden of de in een tenlastelegging opgenomen oplichtingsmiddelen inderdaad voorstellingen/mededelingen bevatten die strijdig zijn met de waarheid en of verdachte bij het gebruik van de oplichtingsmiddelen ook een strafrechtelijk relevante rol heeft gespeeld.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer, door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot één of meerdere van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren, enerzijds, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en, anderzijds, de persoonlijkheid van het slachtoffer. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang. Bij een en ander moet beoordeeld worden of het handelen van verdachte, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg mee heeft gebracht dat de [gemeente] en/of [bedrijf 1] werden opgelicht.
Juridisch kader valsheid in geschrift (feit 2)
In lid 1 van artikel 225 Sr Pro is het valselijk opmaken en vervalsen van een geschrift met bewijsbestemming strafbaar gesteld. Het gebruikmaken, afleveren en voorhanden hebben van een dergelijk geschrift staan in lid 2 centraal.
Voor een bewezenverklaring onder het eerste lid is vereist dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft op het vervalsen/valselijk opmaken. Daarnaast moet sprake zijn van een oogmerk tot misleiding. Dit oogmerk betreft een doelbewustheid maar heeft alleen betrekking op het gebruiken of het doen gebruiken van het valse/vervalste geschrift als echt en onvervalst. Oogmerk van misleiding betekent dat er derden in het spel moeten zijn, die niet van de valsheid op de hoogte zijn.
In het tweede lid van 225 Sr wordt onder het bestanddeel ‘opzettelijk’ verstaan dat de verdachte ten minste voorwaardelijk opzet moet hebben op het gebruik van het geschrift en op het valse of vervalste karakter daarvan.
Fictieve facturen (feiten 1 en 2)
Het hof constateert allereerst dat de in de tenlastelegging bij feit 2 opgenomen facturen geschriften zijn die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen in de zin van artikel 225 Sr Pro. Wanneer immers bevestigd wordt dat de op de factuur genoteerde diensten, werkzaamheden of goederen zijn verricht of geleverd, wordt het op de factuur vermelde geldbedrag dat voor die specifieke diensten, werkzaamheden of goederen verschuldigd was uitbetaald aan de bedrijven die de factuur hebben ingediend.
De verklaring van verdachte – inhoudende dat de werkzaamheden/diensten wel degelijk zijn verricht en dat de goederen wel degelijk zijn geleverd – wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen en de volgende overwegingen hierover, in onderling verband en samenhang bezien.
Naar het oordeel van het hof blijkt uit het dossier in het geheel niet dat enige prestatie is verricht door de betrokken bedrijven. Zonder dat daarmee sprake is van het door de verdediging betitelde ‘omkeren van de bewijslast’, was het bij uitstek voor verdachte van meet af aan mogelijk geweest om te verklaren dat de gefactureerde werkzaamheden, diensten en goederen wel zijn uitgevoerd en geleverd. Verdachte heeft bij de politie echter steeds een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Als verdachte wel een verklaring had afgelegd, had deze verklaring het politieonderzoek al meer richting kunnen geven. De resultaten van dat gerichtere onderzoek hadden ook verdachte zelf bijzonder behulpzaam kunnen zijn bij het onderbouwen van zijn stelling. Hoewel het late tijdstip van de alternatieve verklaring van verdachte op zichzelf gezien niet voor het bewijs en het oordeel daarover meespeelt, betrekt het hof deze omstandigheid wel bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de verklaring van verdachte. Verdachte heeft tot op heden niets overgelegd dat zijn verklaring zou kunnen ondersteunen.
Het hof ziet in de in het dossier opgenomen bewijsmiddelen – zoals hiervoor overwogen – een voldoende weerlegging van de verklaring van verdachte. Het hof schuift de alternatieve verklaring van verdachte – net als de rechtbank – terzijde. Uit de genoemde bewijsmiddelen blijkt namelijk dat tegenover de door, namens of in samenwerking met verdachte bij de [gemeente] en [bedrijf 1] ingediende facturen van [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [naam 1] geen verrichte werkzaamheden, diensten en/of geleverde goederen stonden. Het hof stelt in dit verband onder meer vast dat:
  • meerdere werfmedewerkers, en daarmee directe collega’s van verdachte, hebben verklaard [bedrijf 9] of [bedrijf 2] niet te kennen en/of de facturen van [bedrijf 2] niet te herkennen;
  • meerdere tegenover de rechter-commissaris gehoorde getuigen hebben verklaard over op de gemeentewerven uitgevoerde werkzaamheden, maar door hen niets specifieks is verklaard over door verdachte en/of (werknemers van) [bedrijf 9] / [bedrijf 2] verrichte werkzaamheden/diensten en/of door [bedrijf 9] / [bedrijf 2] geleverde goederen. Deze getuigen hebben ook verklaard [bedrijf 9] / [bedrijf 2] niet te kennen;
  • de 4 in gebruik zijnde locaties van de gemeentewerf Stadsdeel West in november 2015 uitvoerig zijn onderzocht, maar dat dit niet heeft geleid tot het aantreffen van gefactureerde voertuigen en/of onderdelen;
  • appendages zijn gefactureerd van een niet bestaande typeaanduiding en dat gefactureerde appendages en aanpassingen op voortuigen die door andere leveranciers zijn geleverd al standaard bleken te zijn ingebouwd;
  • medeverdachte [bedrijf 9] heeft verklaard dat [bedrijf 2] nooit van de grond is gekomen, dat er bij [bedrijf 2] geen bedrijfsactiviteiten hebben plaatsgevonden en dat [bedrijf 2] geen personeel heeft;
  • op geen enkele wijze is gebleken van inkoop van goederen en betaling van personeel door [bedrijf 2] ten behoeve van de aan de [gemeente] gefactureerde werkzaamheden en/of goederen; de afschrijvingen van de rekening van [bedrijf 2] zien vooral op overschrijvingen naar de eigen rekeningen van verdachte en [bedrijf 9] , uitgaven bij het casino en consumptiegoederen;
  • bij de Belastingdienst door/namens [bedrijf 2] over de jaren 2009 tot en met 2012 steeds € 0,- aan omzet is opgegeven en dat over de jaren 2013 tot en met 2016 telkens geen omzet is opgegeven voor de omzetbelasting;
  • [bedrijf 2] niet was gevestigd op een reguliere bedrijfslocatie en/of in een reguliere bedrijfsruimte, maar op een locatie die uitsluitend geschikt was voor opslag;
  • uit de bankrekeninggegevens van [bedrijf 3] niet is gebleken van afschrijvingen ter zake van ingekochte goederen en/of andere zaken ten behoeve van bedrijfsvoering;
  • net als bij [bedrijf 2] ook bij het onderzoek naar [bedrijf 3] op geen enkele wijze enige aanwijzing is gevonden van door dit bedrijf geleverde goederen of diensten.
Het hof betrekt deze omstandigheden nadrukkelijk in onderlinge samenhang met elkaar en met de andere omstandigheden uit de bewijsmiddelen.
Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat de volgende facturen valselijk zijn opgemaakt en zijn verzonden aan de [gemeente] en/of [bedrijf 1] :
  • (in elk geval) 59 facturen van [bedrijf 2] aan de [gemeente] ;
  • (in elk geval) 109 facturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] ;
  • 16 facturen op naam van [bedrijf 3] aan de [gemeente] ;
  • 6 facturen op naam van [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] ;
  • 28 facturen op naam van [bedrijf 4] aan de [gemeente] ;
  • 63 facturen op naam van [bedrijf 5] aan de [gemeente] ; en
  • 3 facturen op naam van [naam 1] aan de [gemeente] .
Door het toezenden van deze facturen aan de [gemeente] en/of [bedrijf 1] en door mededelingen van verdachte hierover waren de [gemeente] en [bedrijf 1] in de veronderstelling dat de gefactureerde goederen waren geleverd en/of dat de gefactureerde diensten en/of werkzaamheden waren verricht. Vervolgens zijn de [gemeente] en/of [bedrijf 1] tot betaling van deze facturen overgegaan. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat verdachte niet alleen de facturen van [bedrijf 2] zelf heeft opgemaakt en verstuurd, maar dat hij ook op sturende en intensieve wijze betrokken is geweest bij de facturering van [bedrijf 3] en [naam 1] aan de [gemeente] en/of [bedrijf 1] .
Deelvrijspraak aantal facturen (feit 2)
Ten aanzien van de facturen van [bedrijf 2] stelt het hof vast dat van de 81 facturen die in de tenlastelegging staan vermeld, 59 facturen in het strafdossier zijn aangetroffen. Hoewel er aanwijzingen zijn dat de in het oorspronkelijke strafdossier ontbrekende 22 facturen wel onderdeel uitmaken van de later aan het strafdossier gevoegde Rapportage Tulp, een onderzoek uitgevoerd in opdracht van de [gemeente] , zal het hof, net als de rechtbank, verdachte bij feit 2 vrijspreken van de 22 facturen die zich niet in het oorspronkelijke strafdossier bevinden.
Ook zal het hof, net als de rechtbank, verdachte bij feit 2 vrijspreken van 4 facturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] die eveneens ontbreken in het strafdossier.
Het ontbreken van de genoemde facturen heeft naar het oordeel van het hof geen consequenties voor de bewezenverklaring van feit 1, nu de bewijsmiddelen voldoende informatie bevatten over de omstandigheden waaronder de [gemeente] en [bedrijf 1] de in de tenlastelegging van feit 1 opgenomen bedragen hebben overgemaakt.
Valse naam, valse hoedanigheid, listige kunstgrepen en samenweefsel van verdichtsels (feit 1)
Nu de hiervoor opgesomde facturen vals waren opgesteld en toch zijn ingediend, is er sprake geweest van een onjuiste voorstelling van zaken door verdachte tegenover de [gemeente] en [bedrijf 1] . Hoewel sprake was van bedrijven die daadwerkelijk bestonden, waren deze bedrijven feitelijk enkel een lege huls en fungeerden zij als vehikel om te bewerkstelligen dat valse facturen werden betaald. De bedrijven bestonden alleen in naam en er vonden geen bedrijfsactiviteiten plaats. Er was binnen de bedrijven ook geen goederenstroom of stroom van werkzaamheden of diensten te zien. Evenmin zijn er aanwijzingen voor werknemers of ingehuurde derden die (tegen betaling) werkzaamheden voor deze bedrijven bij de [gemeente] hebben verricht. De voornoemde bedrijven werden door verdachte zelf aangedragen bij de [gemeente] . Dit met het vooropgezette plan om vervolgens de facturen die door hem of met zijn medeweten werden ingediend zelf te accorderen. Het hiervoor gebruiken van de betrokken bedrijven was onderdeel van het plan om de schijn te wekken dat het om externe partijen ging en om buiten beeld te houden dat verdachte vanaf het begin af aan betrokken was.
Naar het oordeel van het hof is bij verdachte zodoende sprake geweest van het aannemen van een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen en samenweefsels van verdichtsels. Het opstellen en indienen van valse facturen betreft bedrieglijk handelen dat geschikt is om een valse voorstelling van zaken ingang te doen vinden en deze kracht bij te zetten.
Het zijn meerdere leugens die in dit kader hebben plaatsgevonden. De door verdachte gepleegde valsheid in geschrift werd bekrachtigd door de oprichting van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] , door werkplekken te huren die gebruikt werden als kantooradres/bedrijfslocatie, door zakelijke bankrekeningen te openen en door zo de indruk te wekken in de richting van de [gemeente] en [bedrijf 1] dat dit betrouwbare leveranciers waren. Vervolgens werd dit alles ook weer bekrachtigd doordat verdachte en [bedrijf 9] logen dat goederen/diensten door [bedrijf 2] en [bedrijf 3] daadwerkelijk waren geleverd/verleend aan de [gemeente] , waarbij verdachte namens de [gemeente] ook nog eens tekende voor de ontvangst van fictief geleverde goederen.
Van het aannemen van een valse naam is uit het dossier niet gebleken, zodat het hof verdachte daarvan zal vrijspreken.
Oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling (feit 1)
Daarnaast is komen vast te staan dat de door de [gemeente] en [bedrijf 1] gestorte geldbedragen op de bankrekeningen van [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [naam 1] vrijwel geheel en direct na die stortingen zijn overgeboekt naar diverse privérekening(en) van verdachte en [bedrijf 9] . Verdachte heeft zodoende gehandeld met het oogmerk om zichzelf en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen.
Nadere bespreking verweren verdediging
Gebreken in de administratie bij de [gemeente] (feiten 1 en 2)
Een belangrijke pijler van het verweer van de verdediging in hoger beroep is de administratieve gang van zaken binnen de [gemeente] . Het hof begrijpt dit verweer van de verdediging als tweeledig. Enerzijds stelt de verdediging dat, nu de administratie bij de [gemeente] gebrekkig was, niet voldoende kan komen vast te staan dat de werkzaamheden, diensten en goederen niet zijn verricht dan wel zijn geleverd. Anderzijds wordt gesteld dat de gebrekkige administratie binnen de [gemeente] eraan in de weg staat om vast te stellen dat de [gemeente] daadwerkelijk is bewogen tot afgifte van de overgemaakte geldbedragen. Het hof bespreekt deze twee punten afzonderlijk van elkaar.
Het hof bespreekt eerst het eerste deel van het verweer.
Aan de verdediging kan worden toegegeven dat de administratie van de [gemeente] – zoals blijkt uit het dossier – niet goed op orde was ten tijde van de ten laste gelegde feiten.
Voor zover de verdediging dit heeft willen betogen, kan het naar het oordeel van het hof echter niet zo zijn dat een dergelijke situatie de deur openzet om hiervan vervolgens misbruik te maken. In het bijzonder mag juist van een werknemer van een overheidsinstantie als de [gemeente] integer en betrouwbaar handelen worden verwacht. Het hof stelt vast dat verdachte vanuit zijn positie en jarenlange ervaring in zijn functie binnen de [gemeente] op de hoogte moet zijn geweest en kennelijk ook op de hoogte was van bestaande gebreken in de administratie. Hij wist waar de kwetsbaarheden zaten binnen het order- en inkoopproces en zodoende waar kansen lagen om zichzelf te verrijken, op een wijze die niet zou opvallen.
Het hof benadrukt dat het juist verdachte zelf is geweest die van begin tot eind direct betrokken was bij de procedure van inkoop van goederen en diensten voor het wagenpark en die de touwtjes in handen hield voor wat betreft het offreren, toekennen, administratief verwerken en accorderen van de ontvangst van goederen en uitgevoerde werkzaamheden. Verdachte heeft zelf de bedrijven aangedragen en akkoord bevonden, de facturen voor gedane werkzaamheden en/of geleverde goederen ingediend of laten indienen, mondeling bevestigd dat de geleverde goederen en diensten zijn geleverd en vervolgens de betreffende facturen geaccordeerd waarna ze werden uitbetaald vanuit een andere afdeling.
Het feit dat de [gemeente] een gebrekkige administratie voerde ten tijde van de tenlastegelegde periode doet niets af aan de ernst van de kwalijke handelingen van verdachte als degene die daarvan misbruik heeft gemaakt. Ook is relevant dat verdachte, bij afwezigheid van de aangewezen medewerkster, zelf facturen ter verwerking in de administratie kon coderen.
Wat betreft het punt van de verdediging dat niet voldoende zou zijn vast te stellen dat de werkzaamheden, diensten en goederen niet zijn verricht dan wel zijn geleverd, komt uit het dossier komt naar voren dat grondig onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van voertuigen, materialen, verrichtte diensten en uitgevoerde werkzaamheden. Op de betreffende werven zijn geen goederen aangetroffen waarop de facturen zien die door of namens verdachte zijn ingediend. Ook is navraag gedaan bij in de branche werkzame bedrijven over bepaalde geleverde voertuigen, typeaanduidingen, assemblages en aanpassingen, Ook hieruit komt naar voren dat de ingediende facturen niet juist zijn. Collega’s van verdachte zijn bevraagd en kunnen niet bevestigen dat de gefactureerde goederen zijn geleverd en werkzaamheden zijn verricht. Daarnaast heeft verdachte zelf geen enkele administratie of documenten overgelegd of kunnen overleggen, waarmee inkopen, bonnetjes of betaalbewijzen van goederen dan wel (ingehuurd) personeel concreet gemaakt zouden kunnen worden.
Het eerste deel van het verweer wordt verworpen.
Causaliteit tussen oplichtingsmiddelen en afgifte geldbedragen (feit 1)
Vervolgens bespreekt het hof het tweede onderdeel van het verweer dat ziet op de gebrekkige administratieve gang van zaken bij de [gemeente] .
De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de [gemeente] en/of [bedrijf 1] door de ten laste gelegde oplichtingsmiddelen daadwerkelijk werd(en) bewogen tot afgifte van de overgemaakte geldbedragen. In dit verband is tevens aangevoerd dat van de [gemeente] als grootste gemeente van Nederland meer had mogen verwacht en dat zij bij hun interne controles niet hebben gehandeld conform de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid. De intern voorgeschreven procedure werd niet gevolgd.
Het hof overweegt hierover dat binnen de [gemeente] wel degelijk controlemechanismes waren ingebouwd in het inkoopproces. Deze controlemechanismes kunnen worden beschouwd als uiting van de wens van de [gemeente] om, voordat de factuur daadwerkelijk wordt voldaan, eerst na te gaan of een bij een ingediende factuur horende tegenprestatie daadwerkelijk is geleverd. Bij het controlemechanisme van de [gemeente] was functiescheiding een belangrijk element. Zo kon dezelfde persoon niet een factuur indienen en deze vervolgens zelf accorderen.
In afwijking van de genoemde controlemechanismes is verdachte, vanuit zijn functie binnen de [gemeente] , in staat gebleken om bij afwezigheid van collega’s die facturen normaal gesproken accordeerden ook zelf als waarnemer facturen te accorderen. Verdachte was een ambtenaar van de [gemeente] zelf en had als werf-/wagenparkbeheerder bij de [gemeente] een belangrijke functie. Hij had vanuit zijn functie op de werkvloer een belangrijke rol bij de inkoop van goederen en diensten. Dit maakte dat verdachte de controlemechanismes kon omzeilen, omdat hij op alle controlestappen zelf belangrijke invloed had of kon krijgen. Verdachte heeft bewerkstelligd dat de controle die op zijn handelen moest worden uitgeoefend in de praktijk niet effectief was.
Zoals hiervoor al is overwogen, is uit het onderzoek gebleken dat verdachte de bedrijven zelf aandroeg, dat hij zelf de facturen indiende, tekende voor ontvangst of levering dan wel mondeling doorgaf dat de prestatie was geleverd en daarmee de factuur accordeerde. Bovendien probeerde verdachte ook op andere manieren de interne controle te beïnvloeden. Illustratief daarvoor is dat uit de chat- en telefoongesprekken in het dossier volgt dat verdachte zijn medeverdachten instrueerde wat ze moesten zeggen, mocht er naar aanleiding van het indienen van de facturen worden gebeld door de [gemeente] en/of [bedrijf 1] . Aldus kan worden vastgesteld dat, juist doordat verdachte het inkoopproces kende en wist waar minder controle was of hoe controle omzeild kon worden, de oplichting kon plaatsvinden.
Nu bij de [gemeente] wel degelijk controlemechanismes bestonden en verdachte de drijvende kracht is geweest achter het omzeilen van deze controlemechanismes, is het hof van oordeel dat zonder meer kan worden vastgesteld dat de [gemeente] en [bedrijf 1] door de oplichtingsmiddelen van verdachte zijn bewogen om de in de bewijsmiddelen weergegeven gelden te betalen aan [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [naam 1] .
Ook het tweede deel van het verweer wordt verworpen.
Geen feitelijke onjuistheden in de facturen (feit 2)
Bij feit 2 heeft de verdediging subsidiair aangevoerd dat – mocht het hof vaststellen dat de gefactureerde werkzaamheden en goederen niet zijn verricht en geleverd – dit nog niet maakt dat de facturen valselijk zijn opgemaakt. De verdediging wijst er hierbij op dat alle informatie op de ingebrachte facturen – zoals de bedrijfsnamen, de KvK-nummers en de bankrekeningnummers – feitelijk klopt.
Het hof overweegt dat het verweten vervalste of valse element bij de facturen ziet op de omstandigheid dat de facturen werden ingebracht bij de [gemeente] en/of [bedrijf 1] en dat daarmee werd voorgewend dat de activiteiten waar de facturen op zagen daadwerkelijk waren uitgevoerd of zouden worden uitgevoerd. Dat de facturen ook informatie bevatten die feitelijk juist is, maakt niet dat geen sprake is van het hiervoor aangeduide relevante vervalste element in de facturen.
Overigens komt uit het dossier ook naar voren dat de facturen qua opmaak niet voldoen aan de door de Belastingdienst daaraan gestelde eisen. Het hof wijst onder andere op een niet logisch doorlopende nummering, een onjuist vermeld btw-tarief, een ontbrekende leverdatum van de diensten en de per factuur variërende contactgegevens.
Het verweer wordt verworpen.
Medeplegen
Betrokkenheid medeverdachte [bedrijf 9] bij [bedrijf 2] (feit 1 en 2)
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van het hof dat [bedrijf 9] op een actieve en significante wijze betrokken is geweest bij de oplichting via de facturen van [bedrijf 2] .
Het hof acht in dit verband in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden van belang:
  • [bedrijf 2] is door [bedrijf 9] opgericht en stond op haar naam; de bedrijfslocatie was door haar gehuurd en de huur is aanvankelijk door haar voldaan;
  • gedurende de korte tijd waarbinnen telefoongesprekken van verdachte zijn afgeluisterd, is gebleken dat [bedrijf 9] op verzoek van verdachte telefonisch contact heeft gezocht met [bedrijf 1] in verband met een nog niet betaalde factuur van [bedrijf 2] en dat zij op verzoek van verdachte facturen van [bedrijf 2] heeft geprint en verzonden; verdachte kon niet zelf contact opnemen als leverancier met de gemeente of [bedrijf 1] omdat hij daar bekend was; verdachte had [bedrijf 9] hiervoor dus nodig;
  • [bedrijf 9] had wetenschap van de bankrekening van [bedrijf 2] en heeft ook feitelijk gebruikgemaakt van deze bankrekening, gelet op (onder meer) de door haar op verzoek van verdachte gedane 5 overboekingen van elk € 20.000,-;
  • er is sprake van een economische eenheid tussen verdachte en [bedrijf 9] ; de met de feiten 1 en 2 verkregen geldbedragen zijn overgemaakt naar hun gezamenlijke bankrekeningen; [bedrijf 9] heeft ook geprofiteerd van de door misdrijf verkregen gelden door middel van de aankoop van diverse (luxe) goederen en andere uitgaven.
Op grond van het voorgaande is ter zake van de facturen van [bedrijf 2] sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [bedrijf 9] , die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van de oplichting (feit 1). Het hof acht ten aanzien van de facturen van [bedrijf 2] ook het ten laste gelegde medeplegen van valsheid in geschrift en het medeplegen van het opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift (feit 2) wettig en overtuigend bewezen.
Betrokkenheid medeverdachte [naam 4] bij de facturen van [bedrijf 3] (feit 1 en 2)
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van het hof dat [naam 4] op een actieve wijze betrokken is geweest bij de oplichting via de facturen van [bedrijf 3] .
Het hof acht in dit verband in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden van belang:
  • de eenmanszaak [bedrijf 3] is van [naam 4] ; er vinden geen bedrijfsactiviteiten plaats binnen [bedrijf 3] , er zijn geen afschrijvingen te zien op de bankrekeningen van [bedrijf 3] met betrekking tot geleverde goederen of het betalen van loon aan [naam 4] en ook zijn er geen uitgaven die kunnen duiden op de inkoop van materialen of andere zaken ten behoeve van de bedrijfsvoering;
  • [naam 4] heeft van verdachte meermalen doorgekregen hoe hij moest antwoorden in geval van telefoontjes van de [gemeente] en/of [bedrijf 1] ;
  • blijkens een WhatsApp-gesprek op 12 april 2014 wordt door verdachte aan [naam 4] gevraagd wat “
  • op de laptop van verdachte zijn 6 facturen van [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] aangetroffen;
  • de bankpas van [bedrijf 3] is aangetroffen bij verdachte; met de bankpas van [bedrijf 3] is onder meer contant geld opgenomen bij [bedrijf 6] en via de bankrekening van [bedrijf 3] is in totaal een bedrag van € 110.050,- overgemaakt naar de bankrekening van verdachte en [bedrijf 9] ; [naam 4] heeft zelf verklaard dat hij contant loon van de bankrekening heeft opgenomen, huur heeft overgemaakt en belasting heeft betaald; derhalve heeft hij zelf ook de beschikking gehad over de bankrekening van [bedrijf 3] en daarvan gebruikgemaakt.
Op grond van het voorgaande is ter zake van de facturen van [bedrijf 3] sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [naam 4] , die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van de oplichting (feit 1). Het hof acht ten aanzien van de facturen van [bedrijf 3] ook het ten laste gelegde medeplegen van valsheid in geschrift en het medeplegen van het opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift (feit 2) wettig en overtuigend bewezen.
Betrokkenheid medeverdachte [naam 1] bij de facturen van [naam 1] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] (feit 1 en 2)
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van het hof dat [naam 1] op een actieve wijze betrokken is geweest bij de oplichting via de facturen van [naam 1] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5]
Het hof acht in dit verband in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden van belang:
  • [naam 1] heeft de facturen doorbelast aan de [gemeente] op verzoek van verdachte; bij deze doorbelasting is het factuurbedrag met 20% verhoogd ten gunste van [naam 1] ;
  • verdachte gaf aan [naam 1] door welke omschrijvingen in de facturen moesten worden gebruikt en verdachte zette [naam 1] volgens diens verklaring enigszins onder druk om die omschrijvingen te gebruiken; de goederen op de facturen van [naam 1] zijn echter nooit door [naam 1] geleverd;
  • via de bankrekening van [naam 1] is in totaal een bedrag van € 783.284,42 overgemaakt naar de bankrekening van verdachte en [bedrijf 9] .
Op grond van het voorgaande is ter zake van de facturen van [naam 1] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [naam 1] , die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van de oplichting (feit 1). Het hof acht ten aanzien van de facturen van [naam 1] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] ook het ten laste gelegde medeplegen van valsheid in geschrift en het medeplegen van het opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift (feit 2) wettig en overtuigend bewezen.
Conclusie
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting (feit 1) en daarnaast dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift en het medeplegen van het opzettelijk gebruikmaken van die valse en/of vervalste facturen (feit 2).

Feit 3 (witwassen)

Het hof stelt – onder verwijzing naar de bewijsmiddelen en de overwegingen hiervoor bij de feiten 1 en 2 – vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting (feit 1). Verdachte heeft een geldbedrag van in totaal € 3.012.939,44 verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en hiervan gebruikgemaakt, terwijl dit geldbedrag onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig was. Dit geldbedrag betreft immers vrijwel de gehele opbrengst van de onder feit 1 bewezenverklaarde oplichting van de [gemeente] en [bedrijf 1] .
De door de [gemeente] en [bedrijf 1] op de bankrekeningen van [bedrijf 3] en [naam 1] gestorte geldbedragen zijn vrijwel geheel en direct na die stortingen overgeboekt naar de privérekeningen van verdachte en [bedrijf 9] . Daarnaast heeft verdachte gebruikgemaakt van de door de [gemeente] en [bedrijf 1] op de rekening van [bedrijf 2] gestorte geldbedragen. Verdachte heeft op de zitting van de rechtbank ook erkend dat hij de bij feit 3 vermelde overschrijvingen van geldbedragen, betalingen en uitgaven met een totaalbedrag van € 3.012.939,44 heeft gedaan. Daarmee heeft hij de geldbedragen voor privédoeleinden gebruikt door deze van de verschillende bankrekeningen aan zichzelf en [bedrijf 9] over te (laten) dragen, waarna verdachte en [bedrijf 9] deze geldbedragen hebben omgezet en daarvan gebruik hebben gemaakt.
Gewoontewitwassen
Het hof is op grond van de grote hoeveelheid aan overschrijvingen, betalingen en uitgaven en de lange termijn waarbinnen deze overschrijvingen, betalingen en uitgaven hebben plaatsgevonden van oordeel dat sprake is van gewoontewitwassen.
Betrokkenheid medeverdachte [bedrijf 9] bij het (gewoonte)witwassen
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en [bedrijf 9] gezamenlijk de beschikking hebben gehad over de bankrekening van [bedrijf 2] en eigen bankrekeningen. Uit de diverse gedane betalingen en uitgaven blijkt dat beiden gebruik hebben gemaakt van de beschikbare gelden door middel van onder meer bestedingen bij [bedrijf 6] . [bedrijf 9] heeft voorts geprofiteerd van de door misdrijf verkregen gelden door middel van aankopen van diverse (luxe) goederen en andere uitgaven. Aldus is sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen beiden die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof ook het ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
feit 1
hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 7 september 2015 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, meermalen,
met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
in zijn hoedanigheid als wagenparkbeheerder/werfbeheerder werkzaam bij de [gemeente] (Stadsdeel West) verantwoordelijk voor de inkoop en het beheer van goederen en diensten voor en/of ten behoeve van het wagenpark en de werven,
de [gemeente] en [bedrijf 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten:
via [bedrijf 2] :
- een giraal geldbedrag van in totaal
€ 864.852,40door de [gemeente] overgemaakt aan [bedrijf 2] en
- een giraal geldbedrag van in totaal
€ 2.162.097,69door de [gemeente] overgemaakt aan [bedrijf 1] , waarvan [bedrijf 1] in totaal
€ 2.013.488,65over heeft gemaakt aan [bedrijf 2]
en
via [bedrijf 3] :
- een giraal geldbedrag van in totaal
€ 134.817,40door de [gemeente] overgemaakt aan [bedrijf 3] en
- een giraal geldbedrag van in totaal
€ 51.229,74door de [gemeente] overgemaakt aan [bedrijf 1] , welk gehele bedrag [bedrijf 1] over heeft gemaakt aan [bedrijf 3]
en
via [naam 1] :
- een giraal geldbedrag van in totaal
€ 873.432,35door de [gemeente] overgemaakt aan [naam 1] ,
hebbende hij, verdachte en zijn mededaders telkens met het vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
- zich middels de bedrijven [bedrijf 2] en [bedrijf 3] voorgedaan als betrouwbare leverancier van goederen en diensten en werkzaamheden ten behoeve van het wagenpark en/of de werven van de [gemeente] en
- meerdere bestellingen geplaatst en laten plaatsen via [bedrijf 1] bij [bedrijf 2] en [bedrijf 3] en [naam 1] en
- meerdere facturen op naam van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] en [naam 1] heeft opgemaakt en/of laten opmaken en deze vervolgens heeft verstuurd en/of heeft laten versturen naar en/of ingediend bij de [gemeente] en [bedrijf 1] en
- mededelingen gedaan over de gefactureerde goederen en/of diensten en/of werkzaamheden aan de [gemeente] en aan [bedrijf 1] en
- de indruk gewekt dat goederen en diensten en werkzaamheden vermeld op deze facturen aan de [gemeente] en [bedrijf 1] geleverd of verricht zijn door [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [naam 1] , terwijl deze goederen en diensten en werkzaamheden niet zijn geleverd of verricht,
waardoor de [gemeente] en [bedrijf 1] telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgiftes.
feit 2
hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 7 september 2015 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen
meerdere geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
- 59 facturen op naam van [bedrijf 2] aan de [gemeente] ,
- 109 facturen op naam van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] ,
- 16 facturen op naam van [bedrijf 3] aan de [gemeente] ,
- 6 facturen op naam van [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] ,
- 28 facturen op naam van [bedrijf 4] ,
- 63 facturen op naam van [bedrijf 5] ,
- 3 facturen op naam van [naam 1] aan de [gemeente] ,
valselijk heeft opgemaakt, door:
ten aanzien van de facturen op naam van [bedrijf 2] :
- in de facturen op naam van [bedrijf 2] aan de [gemeente] en [bedrijf 1] valselijk en in strijd met de waarheid een omschrijving van goederen en/of diensten en/of werkzaamheden en/of een prijs en/of (totaal)bedrag te vermelden alsof die goederen en/of diensten en/of werkzaamheden geleverd en/of verricht zijn door [bedrijf 2] , terwijl deze goederen en/of diensten en/of werkzaamheden niet zijn geleverd en/of verricht door [bedrijf 2]
en
ten aanzien van de facturen op naam van [bedrijf 3] :
- in de facturen op naam van [bedrijf 3] aan de [gemeente] en/of [bedrijf 1] valselijk en in strijd met de waarheid een omschrijving van goederen en/of diensten en/of werkzaamheden en/of een prijs en/of (totaal)bedrag te vermelden alsof die goederen en/of diensten en/of werkzaamheden geleverd en/of verricht zijn door [bedrijf 3] , terwijl in werkelijkheid die goederen en/of werkzaamheden niet zijn geleverd en/of verricht door [bedrijf 3]
en
ten aanzien van de facturen op naam van [bedrijf 4] en [bedrijf 5] :
- in de facturen op naam van [bedrijf 4] en [bedrijf 5] valselijk en in strijd met de waarheid een omschrijving van goederen en/of een prijs en/of (totaal)bedrag te vermelden alsof die goederen geleverd zijn door [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] , terwijl in werkelijkheid die goederen niet geleverd zijn door [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en
- in de facturen van [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] valselijk en in strijd met de waarheid te vermelden dat de facturen afkomstig zijn van [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5]
en
ten aanzien van de facturen van [naam 1] :
- in de facturen op naam van [naam 1] aan de [gemeente] valselijk en in strijd met de waarheid een omschrijving van goederen en/of een prijs en/of (totaal)bedrag te vermelden alsof die goederen geleverd zijn door [naam 1] , terwijl in werkelijkheid die goederen niet geleverd zijn door [naam 1] ,
met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
en vervolgens
opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse facturen die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen als ware deze echt en onvervalst en/of valse facturen die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen opzettelijk heeft afgeleverd en voorhanden heeft gehad door:
- 59 facturen op naam van [bedrijf 2] aan de [gemeente] ,
- 109 facturen op naam van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] ,
- 16 facturen op naam van [bedrijf 3] aan de [gemeente] ,
- 6 facturen op naam van [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] ,
- 3 facturen op naam van [naam 1] aan de [gemeente]
te versturen en/of te laten sturen aan en/of in te dienen bij de [gemeente] en [bedrijf 1]
en
- 28 facturen op naam van [bedrijf 4] ,
- 63 facturen op naam van [bedrijf 5] ,
door te sturen aan en/of af te geven bij [naam 1] ,
terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat voornoemde facturen bestemd waren om gebruik van te maken als ware deze facturen echt en onvervalst;
feit 3
hij op diverse tijdstippen in de periode 1 januari 2008 tot en met 7 september 2015 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,
immers heeft hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededaders,
b) meerdere (grote) geldbedragen van in totaal
€ 3.012.939,44bestaande uit:
- € 126.043,95 (6.1 Overschrijvingen naar Rabobankrekening ten name van [naam 2] ),
- € 185.544,- (6.2: betalingen voor de drie voertuigen van het merk Porsche, type Cayenne),
- € 14.888,- (6.3: betaling voor het voertuig van het merk Mini),
- € 40.000,- (6.4: betaling voor het vaartuig merk Baja),
- € 15.000,- (6.4: betaling voor het vaartuig merk Chapparal),
- € 8.000,- (6.4: betalingen voor het vaartuig merk Sea Ray),
- € 18.345,65 (6.5: betalingen aan het [hotel] ),
- € 3.568,24 (6.5: betalingen aan het [hotel] ),
- € 1.040,93 (6.5: betalingen voor het vliegticket naar Suriname ten name van [naam 3] ),
- € 5.078,33 (6.5: betalingen voor overige reizen),
- € 1.542.063,- (6.6: uitgaven in [bedrijf 6] en ten behoeve van online gokken),
- € 212.800,- (6.7: uitgaven bij [bedrijf 7] ),
- € 63.587,50 (6.7: uitgaven bij [bedrijf 8] ),
- € 60.122,07 (6.7: uitgaven bij diverse tabakswinkels en loterij loten),
- € 598.428,88 (6.7: diverse uitgaven),
- € 98.349,77 (6.8: betalingen voor huurkosten op verschillende locaties),
- € 20.079,12 (6.9: overschrijvingen naar derden),
verworven en voorhanden gehad en overgedragen en omgezet en van voornoemde geldbedragen gebruik gemaakt,
terwijl hij, verdachte en zijn mededader, wisten dat voornoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Net als de rechtbank stelt het hof vast dat bij feit 1 (oplichting) en feit 2 (valsheid in geschrift) sprake is van een voortgezette handeling. Er is sprake van gelijksoortigheid van elkaar in tijd opvolgende handelingen, waaraan één ongeoorloofd wilsbesluit ten grondslag ligt. Verdachte heeft immers om de [gemeente] en [bedrijf 1] te bewegen de facturen te betalen meerdere valse stukken ingediend, zodat hem daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt.
Dit brengt het hof tot de volgende kwalificaties van de feiten.
Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:
feit 1
de voortgezette handeling van medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd,

en

feit 2
medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst,
meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van gewoontewitwassen.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
De aard en de ernst van de strafbare feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een jarenlange en structurele oplichting van de [gemeente] , al dan niet via [bedrijf 1] . Verdachte had zich als werf- en wagenparkbeheerder bij de [gemeente] een zodanige positie verworven dat hij diverse werkzaamheden kon uitoefenen die van essentieel belang waren bij de interne inkoop- en orderprocessen binnen de [gemeente] . Deze positie heeft hij misbruikt, waarbij hij geraffineerd te werk is gegaan. Door middel van listige kunstgrepen, een samenweefsel van verdichtsels en het aannemen van een valse hoedanigheid heeft verdachte de [gemeente] bewogen tot afgifte van een fors aantal geldbedragen van substantiële omvang. Daarbij heeft hij gebruikgemaakt van een groot aantal valse facturen op naam van [bedrijf 9] / [bedrijf 2] en [bedrijf 3] , bedrijven die formeel niet aan verdachte verbonden waren, maar waarop hij wel invloed kon uitoefenen. Door middel van een samenwerkingsconstructie met [naam 1] heeft verdachte eveneens valse facturen bij de [gemeente] laten indienen. Verdachte heeft hierbij enkel en alleen uit eigen financieel gewin gehandeld. Pas door het ingrijpen van politie en justitie is hieraan een einde gekomen.
Door aldus te handelen is door verdachte financiële schade berokkend aan de [gemeente] . Verdachte heeft in totaal een geldbedrag van ruim 3 miljoen euro verworven en voorhanden gehad. Het grootste deel daarvan hebben hij en zijn echtgenote witgewassen, onder meer door er buitensporige privé-uitgaven van te doen. Hij heeft zichzelf en zijn echtgenote daarmee van een ongekend luxueuze levensstijl voorzien.
Verdachte heeft het vertrouwen dat zijn werkgever in hem stelde ernstig geschaad. Hij heeft ook het vertrouwen dat burgers in de overheid en haar ambtenaren moeten kunnen hebben, zeer ernstig geschaad. Verdachte heeft op geen enkele wijze verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen.
Het hof houdt er rekening mee dat de organisatie binnen de [gemeente] zodanig is geweest, dat verdachte zich een te cruciale en overheersende rol heeft kunnen verwerven, maar rekent het verdachte zwaar aan dat hij hiervan jarenlang stelselmatig misbruik heeft gemaakt.
De persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 13 januari 2026 volgt dat hij na aan het plegen van deze feiten onherroepelijk is veroordeeld voor een andersoortig strafbaar feit. Artikel 63 Sr Pro is dan ook van toepassing.
De raadsman van verdachte heeft ter zitting van 11 februari 2026 over de persoonlijke omstandigheden aangegeven dat verdachte als gevolg van zijn aanhouding en de onderhavige verdenking op staande voet is ontslagen. Daarnaast dient verdachte de [gemeente] een bedrag van ruim 3 miljoen euro terug te betalen. Het gelegde beslag, waaronder de koopwoning, is uitgewonnen en er ligt loonbeslag, waardoor verdachte de rest van zijn leven op bijstandsniveau zal moeten rondkomen. In de afgelopen tien jaar is verdachte niet gerecidiveerd. Verder zijn bij verdachte serieuze gezondheidsklachten ontstaan.
De strafoplegging
Het hof houdt bij het bepalen van de strafmodaliteit en de strafmaat rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen zijn opgelegd. Daarnaast heeft het hof gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) in het geval van ‘fraude’, waarbij het bedrag dat met de fraude gemoeid is in grote mate bepalend is voor de hoogte van de straf. Voor een benadelingsbedrag van € 1.000.000,- en hoger hanteert het LOVS als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden tot de maximale gevangenisstraf.
Het hof is van oordeel dat, gelet op het hoge benadelingsbedrag en het publieke karakter van de fraude, niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf en ziet geen aanleiding om een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf op te leggen, zoals verzocht door de verdediging. De aard en de ernst van de feiten laten dat niet toe. Dat verdachte is ontslagen en inmiddels door de civiele rechter veroordeeld is tot terugbetaling van de ten onrechte ontvangen bedragen aan zijn voormalig werkgever, komt door eigen toedoen van verdachte en zijn voor het hof geen omstandigheden waarmee in het voordeel van verdachte rekening mee gehouden moet worden. Het hof ziet evenmin aanleiding om bij de strafoplegging rekening te houden met de gezondheidsklachten van verdachte, aangezien bij de executie van de straf in overleg met verdachte passende maatregelen te nemen zijn, zodat hij daar geen nadelige gevolgen van hoeft te ondervinden.
De redelijke termijn
In deze strafzaak is de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro aangevangen met de aanhouding en inverzekeringstelling van verdachte op 7 september 2015. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat redelijkerwijs de behandeling ter zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar nadat de verdachte weet heeft dat tegen hem een strafrechtelijk onderzoek loopt, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Gelet op het vorenstaande had uiterlijk op 7 september 2017 een vonnis gewezen moeten zijn. Op 6 april 2020 heeft de rechtbank haar vonnis gewezen, wat een overschrijding van de redelijke termijn met (bijna) 2 jaar en 7 maanden oplevert.
Voor de procesfase in hoger beroep geldt dat de behandeling van de zaak binnen 2 jaar na het instellen van het hoger beroep moet zijn afgerond, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het openbaar ministerie heeft op 16 april 2020 hoger beroep ingesteld en verdachte op 20 april 2020. Het hof doet uitspraak op 25 februari 2026, wat een overschrijding van de redelijke termijn met ruim 3 jaar en 10 maanden oplevert.
Deze vertragingen zijn gedeeltelijk het gevolg geweest van de omvang en de complexiteit van de zaak, maar ook van het tijdsverloop tot de regiezittingen in eerste aanleg en in hoger beroep en het tijdsverloop tot de inhoudelijke behandelingen van de zaak, wat de verdediging niet te verwijten valt. Vertraging is ook ontstaan door het op verzoek van de verdediging horen van een flink aantal getuigen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, alsmede door een aanhoudingsverzoek van de kant van de verdediging in hoger beroep. Al met al dient de overschrijding van de termijn in beide instanties naar het oordeel van het hof tot de hieronder nader vermelde strafmatiging te leiden.
De straf
Het hof is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de feiten en de persoon van verdachte, alsmede uit een oogpunt van normhandhaving en vergelding, een gevangenisstraf voor de duur van 52 maanden in beginsel recht doet aan het bewezenverklaarde. Het hof zal daarop 6 maanden in mindering brengen in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Concluderend acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 46 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv), aan de orde is.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 47, 56, 57, 63, 225, 326 en 420ter Sr.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
46 (zesenveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. M.L. Plas, mr. J. Corthals en mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, in aanwezigheid van de griffier mr. K.M. Diender en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 25 februari 2026.

Voetnoten

1.opgenomen op pagina 132 tot en met 134 van ZD Valsheid in geschrift.
2.pagina 140 tot en met 198 van ZD Valsheid in geschrift en proces-verbaal van bevindingen 11DIF15-375, opgenomen op pagina 135-136 van ZD Valsheid in geschrift.