ECLI:NL:GHARL:2026:1177

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
200.357.235
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:227 BWArt. 1:228 BWArt. 1:230 BWArt. 1:25 BWArt. 1:251 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek stiefouderadoptie ondanks onvolledige inschrijving BRP

De rechtbank Midden-Nederland wees het verzoek van de stiefvader tot adoptie van twee kinderen af vanwege onvoldoende bewijs van drie jaar samenwonen volgens de BRP. Het hof vernietigt deze beslissing en oordeelt dat de stiefvader en de kinderen wel degelijk ten minste drie aaneengesloten jaren in gezinsverband hebben samengeleefd, ondanks dat de stiefvader niet altijd in de BRP stond ingeschreven.

De stiefvader legde uit dat hij regelmatig tussen Nederland en het buitenland reisde vanwege zijn ondernemingen, waardoor hij niet altijd kon worden ingeschreven. Deze verklaring werd ondersteund door andere verklaringen en de kinderen bevestigden het gezinsverband. De moeder en stiefvader zijn sinds 2017 een bestendige relatie aangegaan en gehuwd in 2018.

Het hof stelt vast dat aan de wettelijke vereisten van artikel 1:227 en Pro 1:228 BW is voldaan, waaronder het belang van het kind, instemming van de moeder, het ontbreken van contact met de biologische vader en de leeftijd van de kinderen. De adoptie wordt daarom toegewezen en de eerdere beschikking van de rechtbank wordt vernietigd.

De adoptie wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat de termijn voor hoger beroep of cassatie nog moet verstrijken. Het hof bepaalt dat de inschrijving van de adoptie in de geboorteakten zal plaatsvinden en dat het gezag over de minderjarige gezamenlijk wordt uitgeoefend door de moeder en stiefvader.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot stiefouderadoptie toe en vernietigt de eerdere afwijzing door de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.357.235
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 585162
beschikking van 26 februari 2026
over de stiefouderadoptie van [kind1] en [de minderjarige1]
in de zaak van
[verzoekster1](de moeder)
en
[verzoeker2](de stiefvader)
die wonen in [woonplaats]
advocaat: mr. K. Broere
en
[belanghebbende1](de vader)
die geen bekende woon- of verblijfplaats heeft
en
[kind1]( [kind1] )
die woont in [woonplaats]

1.Samenvatting

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft het verzoek van de stiefvader om de adoptie van [kind1] en [de minderjarige1] door hem uit te spreken, afgewezen. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn met elkaar gehuwd geweest. In een beschikking van
17 mei 2017 van de rechtbank in [plaats1] ( [land1] ) is de echtscheiding tussen de
moeder en de vader uitgesproken.
2.2.
Uit het huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:
- [kind1] , geboren [in] 2006 in [plaats2] , [land1] , en
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2009 in [plaats2] , [land1] .
2.3.
De moeder en de stiefvader hebben sinds 2017 een relatie en zijn gaan samenwonen in [land1] . Zij zijn [in] 2018 in [plaats3] met elkaar gehuwd en [in] 2021 naar Nederland gekomen.
2.4.
De moeder, de vader, [kind1] en [de minderjarige1] hebben de [nationaliteit1] nationaliteit. De stiefvader heeft de [nationaliteit2] nationaliteit.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De moeder en de stiefvader hebben de rechtbank verzocht het gezag over de kinderen te wijzigen, de adoptie van de kinderen door de stiefvader uit te spreken en de achternaam van de kinderen te wijzigen.
3.2.
De rechtbank heeft in een beschikking van 23 april 2025 (de bestreden beschikking) het gezag over [de minderjarige1] gewijzigd, bepaald dat de achternaam van [de minderjarige1] en [kind1] [naam1] zal zijn en de verzoeken voor het overige afgewezen.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder en de stiefvader zijn het niet eens met de beslissing van de rechtbank voor zover daarbij hun verzoek tot stiefouderadoptie is afgewezen. Zij verzoeken het hof – kort gezegd – de bestreden beschikking in zoverre te vernietigen en (alsnog) de adoptie uit te spreken van [kind1] (nu meerderjarig) en [de minderjarige1] door de stiefvader.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.2.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ingekomen op 22 juli 2025, met bijlagen
  • een emailbericht van de raad voor de kinderbescherming van 22 december 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
4.3.
[kind1] heeft op 22 december 2025 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van de adoptie. [de minderjarige1] heeft geschreven dat zij niet komt maar wel geschreven wat zij vindt van het verzoek.
4.4.
De zitting bij het hof was op 23 december 2025. Aanwezig waren de moeder en de stiefvader met hun advocaat.

5.Het oordeel van het hof

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De stiefvader heeft de [nationaliteit2] nationaliteit. De moeder, [kind1] en [de minderjarige1] hebben de [nationaliteit1] nationaliteit. De stiefvader, de moeder, [kind1] en [de minderjarige1] wonen in Nederland.
5.2.
Op grond van artikel 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van het verzoek. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven aangevoerd, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.
Adoptie
5.3.
In artikel 1:227 BW Pro staat (onder meer) dat adoptie geschiedt door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen samen of op verzoek van één persoon alleen. Het verzoek door de adoptant die echtgenoot, geregistreerde partner of levensgezel van de ouder is, kan slechts worden gedaan, indien hij tenminste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met die ouder heeft samengeleefd. Het verzoek kan alleen worden toegewezen indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft en aan de voorwaarden genoemd in artikel 1:228 BW Pro [1] wordt voldaan.
Hoe oordeelt het hof?
5.4.
Het hof is van oordeel dat de beslissing van de rechtbank ongedaan moet worden gemaakt (worden vernietigd). Het hof legt hierna uit waarom.
5.5.
Volgens de rechtbank volgt uit de gegevens in de Basisregistratie Personen (BRP) dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 1:227 lid 2 BW Pro dat de stiefvader en de moeder ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaand aan indiening van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd. In de BRP stonden de stiefvader en de moeder (niet langer dan) negen maanden op achtereenvolgens twee dezelfde adressen ingeschreven in de periode van 24 november 2022 tot 23 augustus 2023.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan het weigeren van adoptie een ongeoorloofde inmenging in het gezins- en familieleven van de stiefvader en de kinderen oplevert in de zin van artikel 8 EVRM Pro (en die kunnen rechtvaardigen dat wordt voorbijgegaan aan het vereiste van artikel 1:227 lid 2 BW Pro).
5.6.
Het hof acht het voldoende aannemelijk dat de stiefvader en de kinderen ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaand aan indiening van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd. Hoewel de stiefvader niet steeds was ingeschreven in de BRP op de opeenvolgende gezamenlijke adressen met de moeder en de kinderen heeft hij daarvoor een afdoende verklaring afgelegd. Deze verklaring houdt in – kort gezegd – dat hij steeds met de moeder en de kinderen in gezinsverband heeft geleefd, maar dat hij in de jaren voorafgaand aan het adoptieverzoek regelmatig heen en weer heeft gereisd tussen [land1] en Nederland en geregeld periodes in [land1] heeft doorgebracht in verband met zijn ondernemingen in [land1] . Zonder inschrijving in [land1] was het voor hem niet mogelijk als directeur zijn onderneming te voeren en (landbouw)grond te verwerven of te behouden. Zijn verklaring wordt gesteund door andere overgelegde verklaringen. Deze verklaringen houden in dat de stiefvader steeds met de moeder en de kinderen in gezinsverband heeft geleefd en dat zij samen een hecht gezin vormen. Het hof heeft geen redenen gevonden om aan deze verklaringen en de gestelde feiten te twijfelen.
5.7.
Ook [kind1] heeft gezegd dat de stiefvader weliswaar geregeld in [land1] was, maar dat zij steeds in gezinsverband hebben geleefd, dat hij er altijd voor hem en [de minderjarige1] was (en is) en dat zij altijd bij hem terecht kunnen. Dat heeft [de minderjarige1] in haar brief aan het hof bevestigd.
Voorts is komen vast te staan dat de moeder en de stiefvader, die [in] 2018 in [woonplaats] met elkaar zijn gehuwd, vanaf de aanvang van hun relatie in 2017 tot op heden (ruim acht jaar) een bestendige relatie hebben. [kind1] en [de minderjarige1] blijven door de adoptie dan ook in een bestendige situatie verkeren. Dat de stiefvader volgens de gegevens in het BRP in die periode niet drie jaar steeds op dezelfde adressen stond ingeschreven als de moeder en de kinderen is dan ook onvoldoende om het verzoek af te wijzen. De stiefvader heeft daarmee voldaan aan het vereiste van artikel 1:227 lid 2 BW Pro.
5.8.
De verzochte adoptie moet vervolgens ook aan de vereisten van artikel 1:228 BW Pro voldoen. In dat kader stelt het hof vast dat de moeder met het verzoek van de stiefvader heeft ingestemd. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Door niet te verschijnen heeft de vader het verzoek tot adoptie onweersproken gelaten. [kind1] en [de minderjarige1] staan beiden ook achter het verzoek tot adoptie.
Ten slotte overweegt het hof dat in de afgelopen jaren geen enkel contact tussen de vader en de kinderen is geweest en dat ook niet valt te verwachten dat in de komende jaren contact tot stand zal komen. De vader kan dan ook geen inhoud geven aan zijn bevoegdheden en verplichtingen die voortvloeien uit het ouderschap.
5.9.
[kind1] is inmiddels meerderjarig, maar op de dag van het indienen van het verzoekschrift bij de rechtbank, had hij de leeftijd van achttien jaren nog niet bereikt.
Nu ook voldaan is aan de in artikel 1:228 lid 1 BW Pro genoemde voorwaarden ligt het verzoek tot adoptie voor toewijzing gereed. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen voor zover deze aan het oordeel van het hof is onderworpen en beslissen als volgt.
5.10.
Bij de stukken bevinden zich de geboorteakten van [kind1] en [de minderjarige1] . Op grond van artikel 1:25 lid 5 BW Pro gelast het hof, die de adoptie uitspreekt, ambtshalve afzonderlijk de inschrijving van de in het eerste en het tweede lid bedoelde akten van geboorte.
Gezag
5.11.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de moeder en de stiefvader gezamenlijk met het gezag belast over [de minderjarige1] . ( [kind1] was op dat moment al meerderjarig.) Op het moment dat de onderhavige beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, is de stiefvader (naast de moeder) de juridische ouder van [de minderjarige1] . Op grond van het bepaalde in artikel 1:251, eerste lid, BW oefenen de stiefvader en de moeder vanaf dat moment het gezag over [de minderjarige1] gezamenlijk uit. Het hof zal in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder sub k. van het Besluit gezagsregisters bepalen dat de griffier, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van deze beschikking.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.12.
De adoptie wordt op grond van artikel 1:230 lid 1 BW Pro van kracht na het verstrijken van de hoger-beroepstermijn of cassatietermijn. Dat betekent dat de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Dit deel van het verzoek wordt daarom afgewezen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 april 2025 voor zover daarbij het verzoek tot stiefouderadoptie is afgewezen en opnieuw beschikkende:
gelast de inschrijving door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag van de geboorteakte van:
  • [kind1] , geboren [in] 2006 te [plaats2] ( [land1] ) under the registration number [nummer1] ;
  • [de minderjarige1] , geboren [in] 2009 te [plaats2] ( [land1] ) under the registration number [nummer2] ;
spreekt uit de adoptie van
  • [kind1] , geboren [in] 2006 te [plaats2] ( [land1] );
  • [de minderjarige1] , geboren [in] 2009 te [plaats2] ( [land1] );
door [verzoeker2] , geboren [in] 1968 in [plaats4] ;
gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag een latere vermelding van de adoptie aan de geboorteakten toe te voegen;
bepaalt dat de griffier niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en indien daartegen geen beroep in cassatie is ingesteld – een afschrift van deze beschikking zal zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, H. Phaff en I.J. Pieters, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 26 februari 2026 uitgesproken in het openbaar.

Voetnoten

1.Artikel 1:228