ECLI:NL:GHARL:2026:1178

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
200.357.291
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling omgangsregeling tussen vader en meerderjarige zoon onder bewind en mentorschap

De vader verzocht de kantonrechter om een omgangsregeling met zijn meerderjarige zoon, die onder bewind en mentorschap staat, vast te stellen. De kantonrechter wees dit verzoek af. Het hof vernietigde deze afwijzing en paste artikel 1:377a BW, dat normaal voor minderjarigen geldt, overeenkomstig toe vanwege de bijzondere omstandigheden van de zoon.

De vader en moeder bereikten in hoger beroep overeenstemming over een omgangsregeling waarbij de vader eenmaal per maand of eenmaal per twee weken contact heeft met de zoon, met afspraken over tijdige melding bij afzegging en geen omgang tijdens vakanties. De mentor ondersteunt waar nodig bij de overdracht.

Het hof legde de omgangsregeling vast met ingang van 1 april 2026, waarbij de omgang op vrijdag plaatsvindt en vanaf augustus twee keer per maand. De kosten van het geding worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het hof stelt een omgangsregeling vast tussen vader en meerderjarige zoon onder bewind en mentorschap, met ingang van 1 april 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.291
(zaaknummer rechtbank Gelderland 11223468 MP VERZ 24-1564)
beschikking van 26 februari 2026
inzake
[verzoeker],
wonende in [woonplaats1] (gemeente [gemeentenaam1] ),
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.S. Kerkhof-Pöttger,
tegen
[verweerster],
wonende in [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende] ,
wonende in [woonplaats2] ,
verder te noemen: [belanghebbende] .
Als informant is aangemerkt:
[informant],
in hoedanigheid van mentor van [belanghebbende] ,
kantoorhoudende in [vestigingsplaats] , gemeente [gemeentenaam2] ,
verder te noemen: de mentor.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 29 april 2025, uitgesproken onder het hiervoor genoemde zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 juli 2025.
2.2
De mondelinge behandeling stond aanvankelijk gepland op 14 november 2025, maar is op verzoek van mr. Kerkhof-Pöttger aangehouden en heeft uiteindelijk op 16 januari 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de mentor.
De moeder en [belanghebbende] zijn uitgenodigd, maar zij waren niet aanwezig.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [belanghebbende] , geboren [in] 1999. [belanghebbende] woont bij de moeder.
3.2
Bij beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 8 juni 2017 zijn met ingang van 19 juni 2017 een bewind en mentorschap ingesteld ten behoeve van [belanghebbende] . Op dit moment zijn [naam1] en [naam2] van [naam3] de bewindvoerders van [belanghebbende] . Tot aan de bestreden beschikking was de moeder de mentor van [belanghebbende] .

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de moeder ontslagen als mentor van [belanghebbende] en de huidige mentor benoemd. Verder heeft de kantonrechter het verzoek van de vader een omgangsregeling tussen hem en [belanghebbende] vast te stellen, afgewezen.
4.2
De vader is het niet eens met de afwijzing door de kantonrechter van zijn verzoek om een omgangsregeling vast te stellen. De vader verzoekt de bestreden beschikking op dit punt te vernietigen en alsnog een omgangsregeling vast te stellen, neerkomend op tweemaal per maand een contactmoment tussen hem en [belanghebbende] , dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht.
4.3
De moeder heeft geen verweer gevoerd.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De vader wil de omgang met [belanghebbende] herstellen. Hij doet daarbij een beroep op artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens de vader is er sprake van family-life, aangezien hij jarenlang met [belanghebbende] in gezinsverband heeft gewoond en hij na het beëindigen van de relatie met de moeder, in ieder geval tot aan de meerderjarigheid van [belanghebbende] , zeer regelmatig contact met [belanghebbende] heeft gehad.
[belanghebbende] is gediagnosticeerd met autisme, hij spreekt niet en is in zijn functioneren afhankelijk van derden. Daarom is voor hem onderbewindstelling en mentorschap geregeld.
Volgens de vader is de omgang tussen hem en [belanghebbende] omstreeks de achttiende verjaardag van [belanghebbende] verwaterd. Dat komt doordat hij regelmatig langere tijd in het buitenland verbleef, mede door de reisbeperkingen door Corona. Sinds augustus 2022 woont de vader weer in Nederland en wil hij de omgang weer oppakken. Ondanks herhaald verzoek aan de moeder, die in dat verband feitelijk het eerste aanspreekpunt van [belanghebbende] is, hebben [belanghebbende] en hij slechts een paar contactmomenten gehad. Er zijn volgens de vader geen redenen waarom er geen omgang zou moeten zijn in het belang van [belanghebbende] . Een structurele omgang zou juist het welzijn van [belanghebbende] ten goede komen.
5.2
Het hof stelt het volgende voorop. In deze zaak gaat het om de omgang van de vader met zijn meerderjarige zoon, [belanghebbende] , ten aanzien van wie een onderbewindstelling en een mentorschap geldt. De wet bevat geen regeling voor omgang van een ouder met meerderjarige kinderen, wel een regeling voor omgang met minderjarige kinderen.
Artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een kind recht op omgang heeft met zijn ouders. Het bepaalt ook dat de ouder die niet het gezag heeft, recht heeft op omgang met zijn kind en daartoe ook verplicht is. De rechter kan op verzoek een regeling over de uitoefening van het recht op omgang vaststellen, maar ook het recht op omgang in bepaalde situaties ontzeggen. Artikel 1:377a BW heeft alleen betrekking op minderjarige kinderen. De vraag is of deze bepaling overeenkomstige toepassing kan vinden op het verzoek van de vader om een regeling vast te stellen voor de omgang met [belanghebbende] .
5.3
Het hof ziet aanleiding voor een overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a BW, nu [belanghebbende] vanwege zijn beperkingen afhankelijk is van de moeder en de bewindvoerder voor de uitvoering van een omgangsregeling.
5.4
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vertegenwoordiger van de mentor een schriftelijke verklaring van de moeder aan het hof voorgelezen en overgelegd. In deze verklaring is te lezen dat de moeder instemt met een regeling waarbij (kort samengevat):
- de vader en [belanghebbende] eenmaal per maand of eenmaal per twee weken omgang met elkaar
hebben;
- de vader de afspraken nakomt en dat hij minimaal twee dagen van tevoren meldt als een
omgangsmoment niet kan doorgaan;
- de omgangsmomenten niet doorgaan als [belanghebbende] op vakantie is.
De vertegenwoordiger van de mentor heeft tijdens de zitting toegezegd dat zij zal proberen om, indien de noodzaak daartoe bestaat, de overdrachtsmomenten door een professionele instantie te laten begeleiden.
5.5
De vader heeft tijdens de zitting verklaard in te stemmen met de inhoud van de hiervoor in rechtsoverweging 5.4 samengevatte verklaring, dat hij instemt met een opbouw van de omgang en dat het hem niet uitmaakt op welke dag van de week de omgang zal plaatsvinden omdat hij zijn werk flexibel kan indelen. Hij heeft het hof verzocht om de desbetreffende omgangsregeling in een beschikking vast te leggen.
5.6
Het hof zal dienovereenkomstig beslissen en daarbij bepalen dat de omgangsmomenten steeds op een vrijdag zullen plaatsvinden, met ingang van 1 april 2026 elke tweede vrijdag van de maand en met ingang van 1 augustus 2026 elke tweede en elke vierde vrijdag van de maand, dan wel op een andere dag van de week als dat nodig is in verband met de beschikbaarheid van de eventueel nodige begeleiding voor de overdrachtsmomenten.
5.7
Het hof zal, gelet op het familierechtelijk karakter van de procedure, de proceskosten compenseren. Dit houdt in dat iedere partij de eigen kosten betaalt.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 29 april 2025, voor zover daarbij het verzoek van de vader om een omgangsregeling tussen hem en [belanghebbende] vast te stellen is afgewezen en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de vader en [belanghebbende] omgang met elkaar hebben:
*met ingang van 1 april 2026 elke tweede vrijdag van de maand;
*met ingang van 1 augustus 2026 elke tweede en elke vierde vrijdag van de maand;
-waarbij de vader twee dagen van tevoren aan de moeder meldt als een omgangsmoment niet
kan doorgaan;
-bepaalt dat de omgangsmomenten niet doorgaan tijdens de vakanties van [belanghebbende] ;
-bepaalt dat de overdrachtsmomenten indien noodzakelijk, zo mogelijk door een door de
mentor te regelen professionele instantie kunnen worden begeleid;
-bepaalt dat de vrijdag kan worden geruild met een andere dag in de week als dat nodig is in
verband met de beschikbaarheid van de eventuele begeleiding;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, S. Kuijpers en I.J. Pieters, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 26 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.