ECLI:NL:GHARL:2026:1180

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
200.362.164
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige

De kinderrechter heeft bij beschikking van 5 september 2025 de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd. De oma is tegen deze verlenging in hoger beroep gegaan en verzocht het hof de beslissing te vernietigen en de terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder of haar te gelasten.

De moeder onderschrijft de stellingen van de oma, terwijl de gecertificeerde instelling (GI) verweer voert dat de maatregelen nog steeds noodzakelijk zijn in het belang van de minderjarige. Het hof heeft de minderjarige schriftelijk gehoord, die aangaf niet persoonlijk te willen verschijnen.

Het hof oordeelt dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging door factoren als structureel schoolverzuim, onvoorspelbaarheid in de opvoeding en het belasten met volwassenproblematiek. Zowel de moeder als de oma zijn onvoldoende in staat gebleken deze bedreigingen weg te nemen. De GI heeft bovendien een positieve ontwikkeling van de minderjarige sinds de uithuisplaatsing aangetoond.

Het hof concludeert dat de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk en in het belang van de minderjarige is. De bestreden beschikking wordt dan ook bekrachtigd en het verzoek van de oma wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel,
zaaknummer gerechtshof 200.362.164
zaaknummer rechtbank Gelderland 454659
beschikking van 26 februari 2026
over de uithuisplaatsing van [de minderjarige1]
in de zaak van
[verzoekster] ,(de oma)
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. C.T.B.J. Besjes,
tegen
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland, regio Zuid(de GI)
die is gevestigd in Tiel.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende] ,(de moeder)
wonende op een geheim adres.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem (hierna: de kinderrechter), heeft bij beschikking van 5 september 2025 (de bestreden beschikking) de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] verlengd tot 18 september 2026, de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] verlengd tot 18 januari 2026 en de beslissing op het verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing voor het overige aangehouden.
Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit hoe het tot die beslissing is gekomen.

2.De feiten

2.1.
De moeder en [naam1] (de vader) zijn de ouders van de inmiddels meerderjarige [kind2] en van [de minderjarige1] , geboren [in] 2014.
De vader is in 2018 overleden.
2.2.
Bij beschikking van 18 september 2024 heeft de kinderrechter [de minderjarige1] , die al eerder onder toezicht gesteld is geweest, onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 18 september 2024 tot 18 september 2025 en een machtiging verleend om [de minderjarige1] uit huis te plaatsen in een gezinsvervangende omgeving (pleeggezin of gezinshuis) met ingang van 18 september 2024 tot 18 januari 2025.
2.3
Bij beschikking van 15 januari 2024 heeft de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, de moeder en de oma gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige1] belast.
2.4
Bij beschikking van 15 januari 2025 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 15 januari 2025 tot 15 april 2025.
2.5
Bij beschikking van 25 maart 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 18 september 2025.
2.6
[de minderjarige1] is in het verleden geplaatst in de [naam2] in [plaats1] en hij verblijft sinds juli 2025 in een behandelgroep van [naam3] in [plaats2] .

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] verlengd tot 18 september 2026, de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] verlengd tot 18 januari 2026 en de beslissing op het verzoek over de uithuisplaatsing voor de resterende termijn aangehouden.
3.3
Mr. Besjes heeft tijdens de zitting van het hof gemeld dat de kinderrechter op de zitting van 14 januari 2026 heeft bepaald dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 18 september 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De oma is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen en te bepalen dat [de minderjarige1] teruggeplaatst kan worden bij de moeder of bij haar, althans de beslissing te nemen die het hof juist acht.
4.2.
De moeder heeft geen verweerschrift in gediend, maar zij is het eens met de stellingen van de oma.
4.3.
De GI heeft verweer gevoerd en verklaard dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing (nog steeds) in het belang van [de minderjarige1] zijn. Volgens de GI moet de bestreden beschikking worden bekrachtigd.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ingekomen op 1 december 2025;
  • de brief van de raad van 9 december 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
  • het verweerschrift van de GI.
4.5.
[de minderjarige1] is uitgenodigd te vertellen wat hij vindt van de ondertoezichtstelling en van de uithuisplaatsing. Hij heeft gemeld dat hij niet naar het hof wil komen voor een gesprek, maar hij heeft zijn mening schriftelijk gegeven.
4.6.
De zitting bij het hof was op 16 januari 2026. Aanwezig waren:
  • de oma met haar advocaat
  • de moeder
  • een vertegenwoordiger van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening.
Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar
5.2.
De kinderrechter kan bovendien een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen. De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken.
Wat zijn de standpunten?
5.3
Volgens de oma zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] ten onrechte verlengd. Genoemde maatregelen waren volgens haar niet nodig omdat er niet is gewerkt aan de trauma’s die [de minderjarige1] heeft opgelopen tijdens zijn verblijf in de [naam2] en omdat er ook niet is ingezet op behandeling van [de minderjarige1] in verband met zijn taal- en ontwikkelingsproblematiek. De oma is van mening dat, omdat de genoemde doelen volgens haar niet zijn behaald en zij ook niet verwacht dat die nog zullen worden behaald, [de minderjarige1] weer bij de moeder of anders bij haar kan wonen, omdat ook zij altijd zeer betrokken is geweest bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] . Zij en de moeder zullen in dat geval open staan voor de nodige hulp en begeleiding, die in een vrijwillig kader kan plaatsvinden. Zij wordt kort na de zitting 80 jaar, maar dat vormt, zo kwam op zitting naar voren, geen beletsel.
De oma heeft het hof verzocht om [de minderjarige1] , die zijn mening over het hoger beroep schriftelijk heeft gegeven, alsnog persoonlijk te horen.
5.4
De moeder heeft geen verweerschrift ingediend, maar zij heeft tijdens de zitting van het hof verklaard dat zij de mening van de oma volledig onderschrijft.
5.5
Volgens de GI waren en zijn de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing nog steeds in het belang van [de minderjarige1] noodzakelijk. Nadat de eerdere ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] was beëindigd zijn er weer zorgen ontstaan over zijn ontwikkeling en veiligheid. Zo was er bij [de minderjarige1] sprake van een leerachterstand door veelvuldig schoolverzuim en werd hij in de thuissituatie structureel belast met volwassenproblematiek. De moeder gaf in die periode aan onvoldoende draagkracht te ervaren, waarna de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] voor een deel werd overgenomen door de oma, die echter ook niet in staat bleek om [de minderjarige1] de nodige rust, structuur en begrenzing te bieden. De opvoedsituatie was daardoor voor [de minderjarige1] onduidelijk, onvoorspelbaar en complex. Volgens de GI heeft [de minderjarige1] na de uithuisplaatsing een positieve ontwikkeling doorgemaakt. De huidige behandelgroep is niet langer passend voor [de minderjarige1] , maar de GI vindt een thuisplaatsing nog te vroeg en daarom wordt er gezocht naar een voor hem geschikt pleeggezin of gezinshuis in de regio van de moeder en de oma.
Hoe oordeelt het hof?
Het horen van [de minderjarige1]
5.6
Het hof ziet geen aanleiding om, zoals de oma heeft verzocht, [de minderjarige1] opnieuw uit te nodigen om naar het hof te komen, zodat hij in een persoonlijk gesprek zijn mening kan geven over het hoger beroep. Het hof heeft, zoals gebruikelijk, [de minderjarige1] in de gelegenheid gesteld om zijn mening te geven en daarbij hem de keuzes gegeven om dat in een persoonlijk gesprek dan wel schriftelijk te doen of er van af te zien. [de minderjarige1] heeft aan het hof, onder meer, geschreven:
“(…) Ik vind het fijner om u een brief te sturen dan naar de rechtbank te gaan. Ik vind het een beetje spannend om met u in gesprek te gaan. (…)”.
[de minderjarige1] heeft dus duidelijk de keuze gemaakt om zijn mening te schrijven en niet naar het hof te komen. Het hof vindt het belangrijk om die keuze van [de minderjarige1] te respecteren. Het desbetreffende verzoek van de oma zal worden afgewezen.
De ondertoezichtstelling
5.7
Volgens de oma is de verlenging van de ondertoezichtstelling voor [de minderjarige1] niet nodig. Uit de stukken en wat tijdens de zitting is gezegd is naar het oordeel van het hof echter voldoende gebleken dat er bij [de minderjarige1] sprake is van een ontwikkelingsbedreiging. Door de GI zijn in dat verband onder andere genoemd: structureel schoolverzuim, onvoorspelbaarheid in de opvoeding, het ontbreken van de basale verzorging en opvoeding en het belast worden met volwassen problematiek. Gebleken is dat door de moeder de zorg die voor het wegnemen van die bedreigingen noodzakelijk was, niet of onvoldoende is geaccepteerd en zij regelmatig overbelast is. Ook de oma is daartoe niet in staat gebleken. Het lukt de moeder en de oma ook nu nog steeds niet om volwassenproblematiek bij [de minderjarige1] weg te houden, wat een bedreiging is voor zijn emotionele ontwikkeling. Bovendien noemen de oma en de moeder zelf dat bij [de minderjarige1] sprake is van een ontwikkelingsbedreiging. Zo heeft [de minderjarige1] volgens hen een trauma opgelopen tijdens de plaatsing in de [naam2] en speelt bij hem ook taal- en ontwikkelingsproblematiek. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat een ondertoezichtstelling voor het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging(en) in het belang van [de minderjarige1] noodzakelijk is.
De uithuisplaatsing
5.8
Het hof stelt voorop dat de verlenging van de machtiging voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] op basis van de bestreden beschikking liep tot 18 januari 2026 en dus al is verlopen. Toch moet het hof nog toetsen of die verlenging op 5 september 2025 wel mocht worden gegeven. De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking geconstateerd dat er op dat moment een discrepantie bestond tussen de mening van enerzijds de GI en anderzijds de oma en de moeder over de situatie van [de minderjarige1] op de huidige plek in [plaats2] . Volgens de GI maakte [de minderjarige1] op dat moment al een positieve ontwikkeling door op die plek, terwijl de oma en de moeder van mening waren dat het juist minder goed ging met [de minderjarige1] . De kinderrechter heeft vervolgens overwogen dat in de stukken en wat [de minderjarige1] in een gesprek met de kinderrechter heeft verteld, de mening van de oma en de moeder niet werd bevestigd. De kinderrechter zag op dat moment, met name in de zorgen dat [de minderjarige1] door de oma en de moeder werd belast met volwassenproblematiek, voldoende aanleiding om de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] te verlengen. Volgens de verklaring van de GI in hoger beroep heeft [de minderjarige1] sinds de uithuisplaatsing een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Hij functioneert goed op school en in de groep, toont veerkracht en leert onderscheid te maken tussen realiteit en belastende -niet bewezen- uitingen van de oma en de moeder over [kind2] , de broer van [de minderjarige1] , en over een tante van [de minderjarige1] en over misbruik van [de minderjarige1] . Uit het voorgaande blijkt dat het sinds de uithuisplaatsing wel steeds beter is gegaan met [de minderjarige1] , maar dat er ook nu nog steeds sprake is van het belasten van [de minderjarige1] met volwassenproblematiek. Het hof is van oordeel dat de situatie van [de minderjarige1] , met name ten aanzien van die problematiek, in ieder geval ten tijde van de bestreden beschikking, zodanig zorgelijk was dat een verlenging van de uithuisplaatsing op dat moment in het belang van [de minderjarige1] noodzakelijk was.
5.9
Uit al het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de verlenging van zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing zal bekrachtigen. Het hof vertrouwt erop dat de GI zich, conform haar toezegging, zal blijven inspannen om ze snel mogelijk een andere, op dit moment beter geschikte plek voor [de minderjarige1] te vinden, zo mogelijk dichter in de buurt van de moeder, oma en [kind2] , zodat de afstand in ieder geval geen belemmering hoeft te zijn voor de eventueel mogelijke contacten met laatstgenoemden, aan welke contacten [de minderjarige1] duidelijk behoefte heeft.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 5 september 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, S. Kuijpers en I.J. Pieters, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier en is op 26 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.