ECLI:NL:GHARL:2026:1182

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
200.362.824
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 1:265c lid 3 BWArt. 1:265i lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging uithuisplaatsing en wijziging verblijf minderjarige

De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen de beslissing van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland om de machtiging tot uithuisplaatsing en wijziging van het verblijf van haar kind, [de minderjarige2], te verlengen. De kinderrechter had de GI toestemming gegeven om de kinderen in een gezinsgerichte voorziening te plaatsen en de uithuisplaatsing te verlengen tot 22 april 2026.

De moeder betwistte de noodzaak van de verlenging voor [de minderjarige2], terwijl zij wel instemde met de verlenging voor [de minderjarige3]. Zij stelde dat zij in staat is haar kind zelf op te voeden en dat de GI onvoldoende onderbouwing gaf voor het niet voortzetten van terugplaatsing. De GI stelde dat het pleeggezin de zorg niet langer kon dragen en dat terugplaatsing niet haalbaar is vanwege de problematiek van de moeder en het belaste verleden van het kind.

Het hof oordeelde dat de kinderrechter de machtiging op goede gronden heeft verleend. De GI had goede redenen voor de spoedprocedure en het verlengen van de uithuisplaatsing was noodzakelijk vanwege de emotionele en opvoedkundige problematiek. De moeder had onvoldoende stappen gezet, zoals het niet laten uitvoeren van een psychologisch onderzoek. Het hof bekrachtigde daarom de beschikking van de kinderrechter.

De machtiging tot uithuisplaatsing is echter niet binnen drie maanden uitgevoerd en daardoor vervallen. De GI zal een nieuwe machtiging moeten aanvragen indien nodig. Ook de toestemming voor wijziging van het verblijf blijft van kracht, maar zal opnieuw moeten worden gevraagd bij een nieuwe machtiging.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en wijziging van het verblijf van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.362.824
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 598181
beschikking van 26 februari 2026
over de uithuisplaatsing van
[de minderjarige2]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. S. Oedayrajsingh Varma
en
[belanghebbende](de vader)
die woont in [woonplaats]
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI)
die is gevestigd in Amsterdam
en
de pleegoudersvan [de minderjarige2] (en [de minderjarige3] )
opgeroepen via de GI.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de kinderrechter) heeft in de uitspraak van 22 augustus 2025 (op schrift gesteld op 4 september 2025):
de GI toestemming gegeven voor wijziging van het verblijf van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] naar een gezinsgerichte voorziening, en
de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] in een gezinsgerichte voorziening verlengd tot 22 april 2026.
Het hof beslist dat de kinderrechter deze beslissingen op goede gronden heeft genomen. Het hof zal hierna uitleggen waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben drie kinderen, [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . [de minderjarige1] is [in]
2012 geboren. [de minderjarige2] is [in] 2018 geboren. [de minderjarige3] is [in] 2020 geboren.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
2.3.
De kinderen staan onder toezicht van de GI tot 22 april 2026.
2.4.
De kinderen verbleven van 7 december 2023 tot 22 april 2024 in een deeltijd (netwerk)pleeggezin in de weekenden. [de minderjarige1] woont in een gezinshuis. [de minderjarige2] en [de minderjarige3] wonen sinds 22 april 2024 bij de pleegouders.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht om [de minderjarige2] en [de minderjarige3] van 22 oktober 2025 tot 22 april 2026 (het eind van de ondertoezichtstelling) uit huis te mogen plaatsen in een gezinsgerichte voorziening. Daarnaast heeft de GI de kinderrechter gevraagd om toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] naar een gezinsgerichte voorziening.
3.2.
De kinderrechter heeft de verzoeken van de GI toegewezen.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissingen van de kinderrechter, voor zover die betrekking hebben op [de minderjarige2] . Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissingen van de kinderrechter ongedaan maakt.
4.2.
De vaderis het eens met de moeder.
4.3.
De GIis het eens met de beslissing van de kinderrechter.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift van de GI met producties
  • de stukken van de moeder ingediend op 9 januari 2026
  • de stukken van de moeder ingediend op 16 januari 2026
  • de brief van de raad van 5 januari 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting.
4.5.
De zitting bij het hof was op 21 januari 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • de vader
  • twee vertegenwoordigers van de GI.
5. Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] . De kinderrechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken [2] .
5.2.
De GI heeft toestemming van de kinderrechter nodig voor wijziging van het verblijf van een kind dat minimaal een jaar door een ander dan de ouder(s) is opgevoed en verzorgd in dat andere gezin (artikel 1:265i lid 1 BW).
Standpunten
5.3.
Op de mondelinge behandeling heeft de moeder verduidelijkt dat zij het wel eens is met de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige3] , maar niet met die van [de minderjarige2] . Volgens de moeder is het niet correct dat er op verzoek van de GI een spoedprocedure is geweest bij de kinderrechter met als reden dat [de minderjarige2] en [de minderjarige3] niet langer in het pleeggezin konden blijven wonen: na die spoedbehandeling kwam de moeder erachter dat de kinderen nog steeds in het pleeggezin wonen. Zowel de vader als de moeder hebben het gevoel dat de GI hen opzettelijk op het verkeerde been zet om een verlenging van de uithuisplaatsing van de rechter te krijgen. De moeder is het er ook niet mee eens dat de kinderrechter de GI toestaat dat niet meer wordt gewerkt aan terugplaatsing van [de minderjarige2] . De GI heeft niet concreet onderbouwd waarom dat niet zou kunnen. De moeder vindt tot slot dat dat zij in staat is [de minderjarige2] zelf te verzorgen en opvoeden. Zo is de moeder is al geruime tijd bezig om zichzelf te verbeteren, heeft zij hulp van de praktijkondersteuner huisartsenzorg (POH), zijn er geen problemen meer met de vader, staan de vader en de moeder klaar voor elkaar en voor de kinderen, zijn er geen financiële problemen, is de moeder gecertificeerd verzorgster voor meerdere mensen tegelijk op haar werk, en heeft de moeder geen licht verstandelijke handicap zoals de GI stelt. Ten slotte heeft zij een sterk sociaal netwerk, van vrienden, familie en collega's waar zij op kan terugvallen.
5.4.
De GI is het niet eens met de moeder. De reden dat de GI om een spoedbehandeling bij de kinderrechter heeft verzocht, was omdat het huidige pleeggezin liet weten dat de kinderen er uiterlijk tot september 2025 konden blijven. Het klopt dat de kinderen nog steeds in hetzelfde pleeggezin wonen maar dat was niet de bedoeling: er is nog steeds geen andere geschikte plek voor de kinderen gevonden. Verder zijn de mogelijkheden voor een terugplaatsing volgens de GI voldoende onderzocht. De conclusie is dat het in het belang van de kinderen is om binnen een professionele gezinssetting op te groeien.. Het is van groot belang dat er helderheid komt over het perspectief, omdat de kinderen mede door deze onduidelijkheid vast lijken te lopen in hun ontwikkeling. De GI vindt het tot slot geen realistische optie om [de minderjarige2] weer bij de moeder te laten wonen. De GI erkent dat de vader een kalmerende invloed kan hebben en meer rust uit kan stralen waar de kinderen bij zijn. Echter, in het verleden is er veel huiselijk geweld geweest toen de ouders samen waren. Hier zijn de kinderen ook aan blootgesteld. Daarom heeft de GI nog voorafgaand aan de
uithuisplaatsing de vader het dringende advies te geven elders te gaan wonen. Dat de vader en moeder sinds medio januari 2026 weer samenwonen verandert het standpunt van de GI niet. De moeder heeft onvoldoende gewerkt aan haar problematiek en is nog steeds niet in staat haar emoties te reguleren waar de kinderen bij zijn. In het stappenplan van [naam1] staat beschreven dat aanvragen van een psychologisch en persoonlijkheidsonderzoek een eerste stap is. Dat heeft de moeder niet gedaan. De inzet van POH vindt de GI niet specialistisch genoeg.
Hoe oordeelt het hof?
5.5.
Op 15 april 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] in een pleeggezin verlengd tot 22 oktober 2025. Voor deze machtiging heeft de GI geen verlenging gevraagd. De machtiging tot uithuisplaatsing in het pleeggezin is daarom op 22 oktober 2025 vervallen.
5.6.
De machtiging tot verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige2] in (specifiek) een gezinsgerichte voorziening, is na drie maanden vervallen omdat de GI die machtiging niet binnen drie maanden heeft kunnen uitvoeren [3] .
Het hof moet nog wel toetsen of die machtiging door de kinderrechter op goede gronden is gegeven (rechtmatig is verleend).
Het hof is van oordeel dat dat het geval is en zal dat hierna toelichten.
Toepassing spoedprocedure
5.7.
Het hof vindt dat er goede redenen waren voor de GI om de kinderrechter om toepassing van de spoedprocedure te vragen. Het hof heeft van de GI begrepen dat de pleegouders de zorg voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] al vanaf september 2025 niet meer op zich wilden nemen omdat hen dit te zwaar viel. De GI heeft uitgelegd dat zij om een spoedbehandeling bij de kinderrechter heeft gevraagd omdat er op dat moment zicht was op een vervolgplek in een gezinshuis. Na een eerste kennismaking met de gezinshuisouders en de andere kinderen in het gezinshuis, hebben de gezinshuisouders vrij plotseling van de plaatsing afgezien. De kinderen wonen nog steeds bij dezelfde pleegouders, omdat de pleegouders hen een plaatsing in een crisispleeggezin niet willen aandoen. De GI doet haar uiterste best om een andere geschikte plek voor de kinderen te vinden. Dat is nog niet gelukt. Hoewel het achteraf gezien allemaal anders gelopen dan de bedoeling van de GI was, waren er goede redenen voor de GI om de kinderrechter om een spoedprocedure te vragen.
Uithuisplaatsing van [de minderjarige2] nog steeds noodzakelijk
5.8.
[de minderjarige2] heeft samen met zijn zussen veel meegemaakt bij zijn ouders thuis. Er waren zorgen over de financiën, er waren heftige ruzies en er was huiselijk geweld. [de minderjarige2] had onder meer een taalontwikkelingsachterstand.
5.9.
Hoewel sinds de start van de ondertoezichtstelling in april 2021 meerdere vormen van hulpverlening zijn ingezet, bleven er grote zorgen bestaan over de emotionele beschikbaarheid en draagkracht van de moeder. Gezien is dat de moeder heel erg haar best doet, veel van de kinderen houdt en ook haar opvoedvaardigheden heeft verbeterd, maar dat in die situatie nog steeds onvoldoende verbetering gekomen. Tijdens de begeleide omgang was nog steeds te zien dat de moeder reageerde vanuit emoties die niet passend zijn in het bijzin van de kinderen. De moeder kon haar emoties niet parkeren tot een gepast moment en had dan een derde nodig om zichzelf te kunnen reguleren.
5.10.
[naam1] heeft in april 2025 een stappenplan voor de moeder opgesteld waaraan de moeder moet voldoen voordat zij de kinderen weer zelf kan opvoeden. De eerste stap is dat de moeder een psychologisch en persoonlijkheidsonderzoek (POH) laat doen. Dat is nodig om te begrijpen wat de leermogelijkheden van de moeder zijn om te onderzoeken of er bij haar sprake is van psychiatrische problematiek. Dit onderzoek heeft de moeder niet laten uitvoeren. Op de mondelinge behandeling heeft de moeder verteld dat zij daar nog steeds het nut niet van inziet. Zonder dit onderzoek blijft de vraag waarom het de moeder ondanks haar grote liefde voor de kinderen niet lukt om de kinderen 24 uur per dag te bieden wat zij nodig hebben om tot een gezonde ontwikkeling te komen. De hulp van een POH is onvoldoende om de ernstige zorgen weg te nemen
5.11.
De GI heeft onderzocht of het mogelijk is om alleen [de minderjarige2] bij de moeder terug te plaatsen maar dat is niet haalbaar: het risico is te groot dat [de minderjarige2] te veel belast zou worden met de eigen problematiek en emoties van de moeder. [de minderjarige2] heeft door zijn belaste verleden een ‘verzwaarde opvoedvraag’. Dat betekent dat hij meer hulp en begeleiding nodig heeft dan veel andere kinderen. Niet te verwachten is dat de moeder aan die verzwaarde opvoedvraag kan voldoen. [de minderjarige2] zou opnieuw te weinig ruimte hebben om zichzelf te ontwikkelen (zie ook het eindverslag van [naam1] van april 2025).
5.12.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben de ouders verteld dat zij sinds een paar weken weer samen wonen. Dat maakt het oordeel van het hof niet anders. Het is goed dat de vader de moeder tijdens de begeleide omgang kan ondersteunen, maar uit niets blijkt dat de ouders samen over voldoende opvoedvaardigheden beschikken om [de minderjarige2] 24 uur per dag te geven wat hij nodig heeft om zich goed te ontwikkelen. In het verleden heeft bovendien huiselijk geweld tussen de ouders plaatsgevonden en dat heeft er juist toe geleid dat de vader elders is gaan wonen. Er staat niet vast dat de ouders aan hun relatie hebben gewerkt.
5.13.
Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de kinderrechter op goede gronden op 22 augustus 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] in een gezinsgerichte voorziening tot 22 april 2026 heeft verlengd. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is echter niet verzilverd en dus vervallen na drie maanden. De GI had de kinderrechter om een zogenoemde trajectmachtiging kunnen vragen, maar heeft dat niet gedaan. Het verlenen van een trajectmachtiging is mogelijk als een duidelijke volgorde van plaatsing te verwachten is van eerst een (crisis)pleeggezin en daarna een voorziening voor verzorging en opvoeding. De GI zal bij de kinderrechter, indien zij dat nodig vindt, een nieuwe (traject)machtiging moet vragen.
Toestemming wijziging verblijfplaats
5.14
De GI heeft de kinderrechter ook om toestemming gevraagd voor wijziging van het verblijf van [de minderjarige2] (en [de minderjarige3] ) van het pleeggezin naar een gezinsgerichte voorziening, omdat de kinderen inmiddels langer dan een jaar bij het pleeggezin woonden: dan is toestemming van de rechter nodig. Het hof is van oordeel dat er, gelet op alles wat hiervoor is overwogen, gronden waren voor de kinderrechter om die toestemming te verlenen. Dat is nu echter – aangezien de machtiging is vervallen – niet meer relevant. Indien de GI een nieuwe machtiging vraagt, zal zij ook opnieuw toestemming voor wijziging van het verblijf moeten vragen op grond van artikel 1:265i lid 1 BW.

6.Conclusie

De conclusie is dat het hof de beschikking van de kinderrechter, voor zover die aan zijn oordeel is onderworpen - dus alleen voor zover die beschikking ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en wijziging van het verblijf van [de minderjarige2] - zal bekrachtigen

7.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 22 augustus 2025 voor zover die aan zijn oordeel is onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, S. Kuijpers en E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier en is door in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW)
2.artikel 1:265c lid 2 BW
3.Artikel 1:265c lid 3 BW