AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling medeplegen oplichting en gekwalificeerde diefstal met misleiding van kwetsbare ouderen
Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor meerdere feiten van medeplegen van oplichting, poging tot oplichting, gekwalificeerde diefstal, het dragen van een politiepolo zonder bevoegdheid en witwassen. De feiten betroffen een planmatige werkwijze waarbij kwetsbare, alleenstaande ouderen werden misleid door zich voor te doen als politieagenten om sieraden en geld te verkrijgen.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland en deed opnieuw recht. Het bewijs bestond uit verklaringen van slachtoffers, camerabeelden, telefoononderzoek en de duidelijke modus operandi. Verdachte bekende de feiten deels, maar ontkende herinneringen aan sommige diefstallen. Het hof achtte het bewijs wettig en overtuigend en verwierp de verweren van de verdediging.
De straf werd bepaald op 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, gedragsinterventie en contactverbod met mededader. Daarnaast werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor materiële en immateriële schade aan een benadeelde partij. Andere schadevorderingen werden niet-ontvankelijk verklaard. Ook werden inbeslaggenomen goederen verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer.
Het hof benadrukte de ernst van het delict, de impact op de slachtoffers en het planmatige karakter van de misdrijven. Verdachte handelde uit eigen financieel gewin en schond het vertrouwen van kwetsbare ouderen in de politie. De straf weerspiegelt de maatschappelijke afkeuring van dit lafhartige gedrag.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, voor medeplegen van oplichting, poging tot oplichting, gekwalificeerde diefstal en valselijk ambtelijk handelen.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001970-25
Uitspraakdatum: 27 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingslocatie Leeuwarden, van 14 april 2025 met parketnummer 18-330318-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1998 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1]
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 13 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
bevestiging van het vonnis van de rechtbank met aanvulling van de hierna te noemen gronden;
oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor de duur van 3 jaren, inhoudende een contactverbod met de slachtoffers, met één week vervangende hechtenis per overtreding en met maximum van 6 maanden;
onttrekking aan het verkeer van de onder verdachte inbeslaggenomen politiepolo;
verbeurdverklaring van de onder verdachte inbeslaggenomen iPhone;
teruggave aan de rechthebbende van het onder verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van € 250,65.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.A. Heukers (waarnemend voor mr. J.E. Versluis), en mw. S.A. Dusseldorp namens benadeelde partij [benadeelde 1] , hebben aangevoerd.
Het vonnis
Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank:
verdachte voor de onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest, met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden, een meldplicht bij de reclassering, het deelnemen aan een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, een contactverbod met mededader [medeverdachte] , het meewerken aan dagbesteding en het meewerken aan een bewindvoerderstraject;
het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] integraal toegewezen voor het bedrag van € 28.487,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen tot schadevergoeding;
de onder verdachte inbeslaggenomen politiepolo onttrokken aan het verkeer;
de onder verdachte inbeslaggenomen iPhone verbeurdverklaard.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Noord-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op de zitting bij de rechtbank Noord-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
1. hij, op of omstreeks de periode van 2 september 2024 tot en met 14 oktober 2024 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] , [plaats 5] , [plaats 6] en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, geldbedrag(en), althans enig geldbedrag, sieraden, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een of meer ander(en) toebehoorde(n), te weten aan:
- [slachtoffer 1] ,
- [slachtoffer 2] ,
- [slachtoffer 3] ,
- [benadeelde 1] ,
- [slachtoffer 4] ,
- [benadeelde 2] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels te weten door zich voor te doen als een politieagent om vertrouwen te wekken;
2. hij op of omstreeks de periode van 2 september 2024 tot en met 14 oktober 2024 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] , [plaats 5] en [plaats 6] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meerdere perso(o)n(en)/aangever(s), te weten
- [slachtoffer 1] ,
- [slachtoffer 2] ,
- [slachtoffer 3] ,
- [benadeelde 1] , - [slachtoffer 4] ,
- [benadeelde 2]
heeft bewogen tot
- afgifte van contante geldbedrag(en), althans enig geldbedrag(en), in elk geval enig goed,
- afgifte van sieraden, althans enig goed, door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -
- (al dan niet met een gespoofed telefoonnummer) contact op te (laten) nemen met voornoemde perso(o)n(en)/aangever(s), daarbij gebruikmakend van verdachtes en/of medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie en/of medewerker van een bank in deze gesprekken de genoemde perso(o)n(en)/aangever(s) voor te houden dat er gevaar dreigde en/of op een andere wijze de perso(o)n(en)/aangever(s) werd voorgehouden dat er een probleem was en dat hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(s), hem/haar/hen zou helpen het probleem te verhelpen, en/of - sieraden en contante bedragen ter veilig stelling en/of ter registratie af te geven, waardoor die perso(o)n(en)/aangever(s) werd/werden bewogen tot voornoemde afgifte en/of het voornoemde ter beschikking stellen;
3. hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te [plaats 7] , althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 5] , te bewegen tot
- afgifte van sieraden, althans enig goed
- afgifte van contante bedrag(en), althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid ? zakelijk weergegeven ?
- (al dan niet met een gespoofed telefoonnummer) contact op te (laten) nemen met voornoemde perso(o)n(en)/aangever(s), daarbij gebruikmakend van verdachtes en/of medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie en/of in deze gesprekken de genoemde perso(o)n(en)/aangever(s) voor te houden dat er gevaar dreigde en/of op een andere wijze de perso(o)n(en)/aangever(s) werd voorgehouden dat er een probleem was en dat hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(s), hem/haar/hen zou helpen het probleem te verhelpen, en/of - sieraden en contante bedragen ter veilig stelling af te geven, waardoor die perso(o)n(en)/aangever(s) werd/werden bewogen tot voornoemde afgifte en/of het voornoemde ter beschikking stellen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4. hij op of omstreeks 14 oktober 2024 te [plaats 6] opzettelijk een onderscheidingsteken heeft gedragen en/of een daad heeft verricht behorende tot een ambt dat hij niet bekleedde, door het dragen van een politieshirt en zich voor te doen als een politieagent;5. hij op of omstreeks 23 september 2024, te [plaats 8] sieraden, althans een of meer voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl hij, verdachte, wist dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverwegingen feiten 1 en 2
Standpunt van de verdediging
Bij pleidooi ter zitting maar daaraan ook voorafgaand per mail aan het hof heeft de raadsvrouw van verdachte aangegeven dat de grieven van de verdediging zich richten op de juridische kwalificaties van de rechtbank ten aanzien van de feiten 1 en 2 (kort gezegd: voor zover bewezenverklaard is verdachte schuldig aan oplichting en niet aan gekwalificeerde diefstal). Enkel in de zaak betreffende aangeefster [benadeelde 2] dient integraal vrijspraak te volgen. Het signalement dat in de aangifte wordt beschreven komt immers niet overeen met het uiterlijk van verdachte. Uit het dossier kan voorts niet worden afgeleid dat de telefoon van verdachte in [plaats 3] is geweest.
Oordeel van het hof
Het hof kan zich vinden in het beoordelingskader waarin de rechtbank de feiten 1 en 2 heeft geplaatst door beide feiten in onderlinge samenhang te beschouwen met dien verstande dat eerst de (impliciet cumulatief) ten laste gelegde feiten op bewijsbaarheid worden beoordeeld tegen de achtergrond van de onder 1 ten laste gelegde gekwalificeerde diefstal en vervolgens – indien op onderdelen moet worden vrijgesproken – te bezien tegen de achtergrond van de onder feit 2 ten laste gelegde oplichting. Doorslaggevend hierbij is dat voor de bewezenverklaring van de diefstalvariant sprake moet zijn geweest van een wederrechtelijke toe-eigening van een goed onder gebruikmaking van een oplichtingsmiddel terwijl de kern bij oplichting wordt uitgemaakt door een min of meer vrijwillige afgifte van een goed onder kort gezegd misleidende omstandigheden.
Het hof verstaat de eerste grief van de raadsvrouw aldus dat nu het verwijt dat verdachte wordt gemaakt onderdeel uitmaakt van een oplichtingsactie, de juridische kwalificatie van een eventuele bewezenverklaring dient aan te haken bij in artikel 326 SrPro specifiek strafbaar gestelde oplichting. Uitgangspunt bij het opstellen van een tenlastelegging is dat het openbaar ministerie vrij is in de keuze welke strafbare feiten het ten laste legt (dominus litis-regel), net zoals het openbaar ministerie vrij is in de volgorde hiervan. Een uitzondering op deze regel vormen de (schaarse) gevallen waarin er sprake is van een tussen strafbaarstellingen bestaande specialiteitsverhouding in de zin van artikel 55 lid 2 SrPro. Voor de stelling dat sprake is van een dergelijke specialiteitsverhouding (in de zogenoemde logische variant dan wel de systematische/juridische variant), in dit geval dus tussen de strafbaarstellingen gekwalificeerde diefstal (in de zin van artikel 311, eerste lid, onder 5 Sr; feit 1) en oplichting (artikel 326 SrPro; feit 2), bieden noch de wetgevingsgeschiedenis noch de jurisprudentie steun. Het hof verwerpt het verweer.
Anders dan door de raadsvrouw bepleit acht het hof wel toereikend wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor bewezenverklaring van wat verdachte is ten laste gelegd in het kader van de aangifte van [benadeelde 2] , zoals blijkt uit de hierna nog aan te halen bewijsmiddelen en de opgenomen bewijsoverweging.
Het hof komt tot een andere beoordeling van de feiten dan door de rechtbank ten aanzien van de aangifte van [slachtoffer 1] . In deze zaak heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van het onder 1 (onder het eerste gedachtestreepje) ten laste gelegde en bewezenverklaard wat onder feit 2 (eerste gedachtestreepje) is ten laste gelegd. Het hof volgt de rechtbank hierin niet en overweegt hierover het volgende:
Uit haar aangifte volgt dat [slachtoffer 1] werd gebeld door een vrouw die zich voordeed als iemand van de politie. Er werd verteld dat er in de buurt veel inbraken waren geweest en dat er twee mannen vlakbij haar woning stonden. In deze auto zou een enveloppe zijn aangetroffen met daarop de naam van haar overleden man. Aan [slachtoffer 1] werd gevraagd of zij sieraden, waardevolle spullen of geld in huis had en of zij deze spullen wilde klaarleggen. Vervolgens zou er een collega van de politie langskomen om foto’s te maken van deze spullen zodat, in het geval er ingebroken zou worden, [slachtoffer 1] verzekerd zou zijn. Vervolgens is [slachtoffer 1] naar haar slaapkamer gegaan en heeft zij op een kastje al haar sieraden neergelegd als ook een kistje met enveloppen gevuld met geld. Op enig moment ging de deurbel en deed zij open. Terwijl [slachtoffer 1] nog met de vrouw aan de telefoon was, kwam een man binnen die zich voordeed als politieagent. Hij stelde zich voor als [naam 1] (het hof begrijpt: verdachte) en droeg een politiepoloshirt. [slachtoffer 1] vertelde dat ze haar spullen in de slaapkamer had verzameld en liep daar met verdachte naar toe zodat hij foto’s kon maken. Toen verdachte de inhoud van de enveloppen telde, stond [slachtoffer 1] naast hem. Verdachte rende op een gegeven moment hard weg uit haar woning met medeneming van de enveloppen en - na eerst later bleek - ook diverse sieraden.
Bovengenoemde feiten en omstandigheden leiden tot het oordeel dat er toereikend bewijs voorhanden is om de wederrechtelijke toe-eigening door verdachte van de spullen bewezen te verklaren onder de (strafverzwarende) omstandigheden zoals ten laste is gelegd onder feit 1 en niet zoals de rechtbank heeft geoordeeld onder feit 2.
Het hof acht de feiten 1 (ten aanzien van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ) en 2 (ten aanzien van [slachtoffer 4] ) wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat het hof met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Voor wat betreft [benadeelde 2] verwijst het hof naar de hieronder opgenomen nadere bewijsoverweging.
Deze opgave luidt als volgt:
1. de verklaring van verdachte afgelegd op de zitting van het hof van 13 februari 2026;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 15 oktober 2024, opgenomen op pagina 450 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024281807 d.d. 9 januari 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 15 oktober 2024, opgenomen op pagina 466 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] ;
4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 14 oktober 2024, opgenomen op pagina 483 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] ;
5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 22 september 2024, opgenomen op pagina 866 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [benadeelde 1] ;
6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 2 september 2024,
opgenomen op pagina 911 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 4]
.
Voorts kan het hof zich vinden in de navolgende overwegingen van de rechtbank. Het hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne. Waar ‘de rechtbank’ staat, dient ‘het hof’ te worden gelezen.
Modus operandi
Uit voorgaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank een bepaalde en soortgelijke werkwijze
af. De aangeefsters, die allen alleenstaand en op hoge leeftijd waren, werden opgebeld door
een vrouw die zich voordeed als politieagente. Aan de aangeefsters werd verteld dat er in de
buurt van hun woning een inbraak had plaatsgevonden. Er zou een lijst zijn aangetroffen
waarop het adres van de aangeefster ook stond vermeld. Aan de telefoon werd gevraagd of
sieraden en waardevolle spullen alvast klaargelegd konden worden, zodat een agent (die
daarna op bezoek kwam) deze kon fotograferen voor de verzekering. Vervolgens kwam de
verdachte (als de agent) aan de deur van aangeefster en identificeerde hij zich als agent met
een naam en bijbehorend dienstnummer, die door de beller aan de aangeefster was
doorgegeven. Verdachte werd binnengelaten en ging op het moment dat de aangeefster was
afgeleid er met de goederen vandoor. Vervolgens werd verdachte opgehaald door een
chauffeur en gaf hij de goederen af.
Deze modus operandi getuigt van een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en
duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen.
Ten aanzien van [benadeelde 2]
Aangeefster [benadeelde 2] , wonende aan de [adres 2] in [plaats 3] , heeft verklaard dat zij op 22 september 2024, omstreeks 19:15 uur, werd gebeld door iemand die zich voordeed als medewerkster van de politie. Aan aangeefster werd medegedeeld dat er in de buurt meerdere woninginbraken waren gepleegd en dat de wijkagent naar haar woning zou komen om waardevolle spullen mee te nemen. Vervolgens kwam er een man aan de deur die aangaf dat hij de wijkagent was en dat hij foto’s moest maken van haar waardevolle spullen. [2] De man gaf vervolgens aan dat hij weg moest. Aangeefster zag daarna dat de brandkast met sieraden was verdwenen. [3]
Uit onderzoek aan de telefoon van verdachte blijkt dat deze zich op 22 september 2024 om
19:03 uur op het adres de [adres 2] in [plaats 3] bevond. [4] Op 23 september 2024 werden door verdachte sieraden ingeleverd bij [pandhuis] . [5] De dochter van de aangeefster heeft de sieraden herkend als zijnde de sieraden die op 22 september 2024 waren gestolen. [6]
Nadere bewijsoverweging
Naar het oordeel van de rechtbank wordt het door de raadsvrouw gevoerde verweer
strekkende tot vrijspraak weersproken door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.
Gelet op de verklaring van aangeefster komt de wijze waarop haar sieraden zijn gestolen op
essentiële punten overeen met de werkwijze die door verdachte is gehanteerd op 14 oktober
2024. Daar komt bij dat onderzoek aan de telefoon van verdachte de aanwezigheid van hem
op de plaats delict heeft bevestigd. Verdachte heeft ter zitting opgemerkt dat hij niet ontkend
dat hij betrokken is geweest bij deze diefstal, maar dat hij zich er niet veel meer van kan
herinneren omdat hij altijd werd afgezet bij een voor hem willekeurig adres. De rechtbank
twijfelt niet aan het daderschap van verdachte, nu uit de verklaring van de dochter van
aangeefster is gebleken dat de op 23 september 2024 ingeleverde sieraden bij een pandhuis
in [plaats 8] precies dezelfde sieraden zijn als die één dag eerder op 22 september 2024 bij
aangeefster waren gestolen. Dit sterkt de overtuiging van de rechtbank dat verdachte deze
sieraden heeft weggenomen uit de woning van aangeefster en dat hij deze daarna in zijn bezit had. De verklaring van verdachte dat hij deze in de ochtend van 23 september 2024 zou hebben gekregen van iemand met de opdracht deze in te leveren, acht de rechtbank
ongeloofwaardig. Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat
wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan
gekwalificeerde diefstal van de brandkast, gevuld met sieraden.
Bewijsoverweging feit 3
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om vrijspraak van de poging tot oplichting van [slachtoffer 5] . Aangever heeft verdachte niet herkend op een foto als zijnde de persoon die hem heeft geprobeerd op te lichten. Daarnaast komt het opgegeven signalement niet overeen met verdachte. Voorts kan aan de modus operandi geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.
Oordeel van het hof.
Ook deze verweren zijn in eerste aanleg door de verdediging gevoerd. Het hof kan zich ook hier vinden in de navolgende overwegingen van de rechtbank. Het hof neemt die overwegingen wederom over en maakt die tot de zijne. Ook hier dient waar ‘de rechtbank’ staat te worden gelezen ‘het hof’.
Ten aanzien van feit 3
Uit de verklaring van [slachtoffer 5] , wonende aan de [adres 3] in [plaats 7]
, blijkt dat hij op 5 oktober 2024, omstreeks 12:15 uur, werd gebeld door een vrouw die hem vertelde dat er in de buurt was ingebroken. De vrouw gaf aan dat er een collega van de politie langs zou komen om de sloten te controleren. Aangever heeft deze man binnengelaten. Hij zag dat de man naar boven liep en dat hij kastdeuren openmaakte.
Aangever vertrouwde de situatie niet en heeft de man vervolgens weggestuurd. [7]
De buurman van de aangever, de heer [naam 2] , heeft camerabeelden van 5 oktober 2024 aan de politie aangeleverd waarop te zien is dat een man over de stoep in de richting van het perceel van aangever loopt. [8] Verdachte wordt op de beelden herkend. [9]
Uit onderzoek naar de historische verkeersgegevens van het IMEI-nummer van de
inbeslaggenomen telefoon van verdachte blijkt dat er op 5 oktober 2024 om 10:49 uur een
GSM-mast in [plaats 7] aan de [adres 4] werd aangestraald, voor de duur van
Naar het oordeel van de rechtbank wordt het door de raadsvrouw gevoerde verweer
strekkende tot vrijspraak weersproken door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. De
aangifte wordt ondersteund door de eerder door verdachte gehanteerde modus operandi en de camerabeelden van 5 oktober 2024 waarop verdachte door een verbalisant is herkend.
Bovendien bevestigt onderzoek aan de telefoon van verdachte dat hij rond het tijdstip van het delict in de omgeving van de woning van aangever is geweest. Concluderend twijfelt de
rechtbank er niet aan dat verdachte de persoon is geweest die heeft gepoogd aangever op te
lichten. Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot
oplichting.
Bewijsmiddelen feiten 4 en 5
Ten aanzien van feit 4
Het hof acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de
bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat
het hof met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, Sv.
Deze opgave luidt als volgt:
1. De verklaring van verdachte afgelegd op de zitting van het hof van 13 februari 2026;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 oktober
2024, opgenomen op pagina 271 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van
[verbalisant 1] ;
3. Een naar wettelijke voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 oktober
2024, opgenomen op pagina 450 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de aangifte van [slachtoffer 1] .
Overweging ten aanzien van pleegplaats [plaats 6]
Het hof is van oordeel dat er een slordigheid in de tenlastelegging staat, aangezien
[plaats 6] niet de plaats is waar het feit op 14 oktober 2024 is gepleegd. Het hof heeft - net zoals de rechtbank dit deed in haar vonnis - deze slordigheid in de bewezenverklaring verbeterd en merkt op dat verdachte daardoor niet is geschaad in zijn verdediging, aangezien uit zijn verklaring afgeleid kan worden dat hij heeft bekend dat hij het politieshirt op 14 oktober 2024 in [plaats 5] heeft gedragen en dat hij ook wist dat dit niet mocht. In hoger beroep is op deze verbeterde lezing ook geen verweer gevoerd.
Ten aanzien van feit 5
Het hof acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de
bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat
het hof met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid,
tweede volzin, Sv. Deze opgave luidt als volgt:
1. De verklaring van verdachte afgelegd op de zitting van het hof van 13 februari 2026;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 oktober
2024, opgenomen op pagina 374 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van
[verbalisant 2] .
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. hij in de periode van 2 september 2024 tot en met 14 oktober 2024 te [plaats 3] , [plaats 4] , [plaats 5] , [plaats 6] en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, sieraden en goederen, die geheel aan anderen toebehoorden, te weten aan:
- [slachtoffer 1] ,
- [slachtoffer 2] ,
- [slachtoffer 3] ,
- [benadeelde 1] ,
- [benadeelde 2] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels; te weten door zich voor te doen als een politieagent om vertrouwen te wekken.
2. hij in de periode van 2 september 2024 tot en met 14 oktober 2024 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, meerdere personen, te weten
- [slachtoffer 4] ,
heeft bewogen tot afgifte van sieraden,
door valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - contact op te laten nemen met voornoemd persoon, daarbij gebruikmakend van
verdachtes en medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie in
deze gesprekken de genoemde persoon voor te houden dat er gevaar dreigde of op een
andere wijze de persoon werd voorgehouden dat er een probleem was en dat hij, verdachte, zou helpen het probleem te verhelpen, en sieraden en contante bedragen ter veilig
stelling en ter registratie af te geven, waardoor die persoon werd bewogen
tot voornoemde afgifte en het voornoemde ter beschikking stellen.
3. hij op 5 oktober 2024 te [plaats 7] ter uitvoering van het door verdachte
voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk
te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door
listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 5] , te bewegen tot
- afgifte van sieraden
- afgifte van enig goed
te weten valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid - zakelijk
weergegeven - contact op te laten nemen met voornoemde persoon, daarbij gebruikmakend
van verdachtes en medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie en in
deze gesprekken de genoemde persoon voor te houden dat er gevaar dreigde of op een andere wijze de persoon werd voorgehouden dat er een probleem was en dat hij, verdachte, hem zou helpen het probleem te verhelpen en sieraden en contante bedragen ter veilig stelling af te geven, waardoor die persoon werd bewogen tot voornoemde afgifte en het voornoemde ter beschikking stellen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
4. hij op 14 oktober 2024 te [plaats 5] opzettelijk een onderscheidingsteken heeft gedragen en een
daad heeft verricht behorende tot een ambt dat hij niet bekleedde, door het dragen van
een politieshirt en zich voor te doen als een politieagent.
5. hij op 23 september 2024 te [plaats 8] sieraden heeft overgedragen en heeft omgezet, terwijl hij,
verdachte, wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig
misdrijf.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang
tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door het aannemen van een valse hoedanigheid, het aannemen van een valse naam, listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van oplichting.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
poging tot oplichting.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk een daad verrichten behorend tot een ambt dat hij niet bekleedt
Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:
witwassen.
De raadsvrouw heeft bepleit dat bij een - zoals het hof begrijpt - gelijktijdige en identieke bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten sprake is van eendaadse samenloop. Het hof is van oordeel dat door de toegepaste gedifferentieerde beoordeling van voornoemde feiten sprake is van een meerdaadse samenloop van op zichzelf staande handelingen in de zin van artikel 57 SrPro.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Met betrekking tot de aard en de ernst van de bewezenverklaarde delicten heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:
de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
de omstandigheid dat verdachte zich in een periode van ongeveer anderhalve maand schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting, poging tot oplichting, het valselijk bekleden van een ambt, gekwalificeerde diefstal in vereniging (meermalen) en witwassen. Verdachte is in totaal zeven keer, de poging tot oplichting meegerekend, de persoon geweest die de oplichtingshandelingen en diefstallen in de woningen van aangevers uitvoerde. Het hof neemt het verdachte kwalijk dat hij, samen met anderen, op zo’n doortrapte en slinkse wijze sieraden en geld afhandig heeft gemaakt van de vele slachtoffers. Slachtoffers die naar het oordeel van het hof niet willekeurig, maar op basis van hun hoge leeftijd en het feit dat zij alleenstaand waren werden uitgekozen. De gestolen sieraden waren vaak erfstukken of behoorden toe aan de overleden partner van het slachtoffer. Verdachte heeft er niet alleen mede voor gezorgd dat aangevers financiële schade hebben opgelopen, maar heeft ook het vertrouwen dat zij hadden in de medemens en de politie ernstig geschaad. De slachtoffers waren namelijk in de veronderstelling dat een agent hen kwam helpen in hun woningen, bij uitstek de plaats waar zij zich veilig zouden moeten kunnen voelen, maar werden zonder dat zij het doorhadden beroofd van hun dierbare en onvervangbare sieraden. Sterker nog, verdachte droeg in één geval ook een origineel politieshirt om het slachtoffer te overtuigen dat hij een echte politieagent was. Verdachte heeft puur gehandeld vanuit zijn eigen behoefte aan geld en zich niets aangetrokken van de financiële en psychische schade waarmee hij de vele slachtoffers opzadelde. Uit de aangiftes, de nazorggesprekken en de vorderingen van de benadeelde partijen is gebleken
dat de impact van het handelen van verdachte en zijn mededaders op het leven van de slachtoffers groot is geweest en dat zij ook nu nog steeds de gevolgen van die daden ondervinden.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:
de inhoud van het strafblad van verdachte van 19 januari 2026, waaruit volgt dat hij eerder ter zake van andersoortige strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld;
de inhoud van het reclasseringsrapport van 13 maart 2025, waaruit is gebleken dat het risico op herhaling wordt ingeschat als gemiddeld. Verdachtes financiële kwetsbaarheid wordt als risico verhogend beschouwd, wat ook tot het plegen van onderhavige delicten heeft geleid. De volgende bijzondere voorwaarden worden geadviseerd: meldplicht, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden (CoVa), contactverbod met onder meer de mededader, meewerken aan bewindvoerderstraject en dagbesteding;
de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken. Op de zitting van het hof heeft verdachte voor een deel van de bewezenverklaarde feiten verantwoordelijkheid genomen. Verdachte woont bij zijn moeder, bezoekt zijn dochter wekelijks en is een bewindvoeringstraject begonnen. Verder is naar voren gekomen dat verdachte onlangs is gestopt met werken.
De raadsvrouw heeft bepleit om aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, dan een straf gelijk aan de duur van het voorarrest. De raadsvrouw heeft voorts bepleit om een taakstraf op te leggen, in een modaliteit waardoor de maximale duur van 240 uren mag worden overschreden, ofwel een lange voorwaardelijke gevangenisstraf, zodat recht kan worden gedaan aan de persoon van verdachte.
Het hof is van oordeel dat het uitgangspunt voor feiten zoals door verdachte gepleegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur dient te zijn.
Naar het oordeel van het hof heeft de raadsvrouw geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het hof de oplegging van de door haar bepleite strafmodaliteiten aangewezen acht. Het hof begrijpt dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur impact heeft op de persoonlijke situatie van verdachte. Op basis van de ernst van de bewezenverklaarde feiten, kan naar het oordeel van het hof echter niet worden volstaan met de door de raadsvrouw bepleite duur van de gevangenisstraf, in combinatie met een taakstraf of voorwaardelijke gevangenisstraf. Daarmee wordt namelijk ook geen recht gedaan aan de afkeer in de samenleving van dit type lafhartig gedrag waarvan uiterst kwetsbare ouderen het gemakkelijke slachtoffer zijn.
Alles afwegende acht het hof – evenals de rechtbank – een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zullen de bijzondere voorwaarden zoals die in het dictum zijn opgenomen worden verbonden
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 WetboekPro van Strafvordering.
Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr
De advocaat-generaal heeft gevorderd de oplegging van een contactverbod met de slachtoffers als maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte, voor de duur van 3 jaren.
Op basis van wat op de zitting naar voren is gekomen acht het hof de oplegging van een contactverbod met de slachtoffers niet aangewezen, omdat niet te verwachten is dat verdachte contact zal opnemen met de slachtoffers.
Beslag
Het hof zal de onder verdachte inbeslaggenomen 1 STK GSM (Omschrijving: Apple G176368) verbeurdverklaren. Uit het dossier blijkt dat met behulp van de Apple telefoon het bewezenverklaarde is begaan. Het behoort aan verdachte toe en wordt om die reden verbeurdverklaard. Hierbij is rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte.
Het volgende inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp is bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten aangetroffen: 1 STK Kleding (Omschrijving: Politiepolo, lange mouw G1763683).
Dit betreft een voorwerp met betrekking tot welke het onder 1 bewezenverklaarde feit is begaan. Dit kledingstuk zal worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
Het hof zal teruggave aan verdachte gelasten van het inbeslaggenomen goed, te weten: een geldbedrag van € 250,65 (G1764162).
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 28.487,00 ingediend, bestaande uit € 27.737,00 aan materiële schade en € 750 aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag volledig toegewezen.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen.
Materiële schade
Met betrekking tot het gevorderde aan materiële schade van totaal € 27.737,00 voor de sieraden is het hof van oordeel dat er voldoende causaal verband bestaat tussen het gevorderde bedrag en het onder 1 bewezenverklaarde feit. De waarde van de gestolen sieraden is getaxeerd door een juwelier en in het rapport van de verzekering wordt gesteld dat de waarde van de sieraden het maximaal te vergoeden bedrag, dat € 5.000,00 bedraagt, ver te boven gaat.
Immateriële schade
Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Het hof is van oordeel dat de benadeelde
partij als gevolg van dit feit op andere wijze in de persoon is aangetast. Het hof komt
tot dit oordeel op grond van de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit in
samenhang met wat de benadeelde partij heeft verklaard over de gevolgen die zij daarvan
heeft ondervonden. Dit brengt mee dat het immateriële gedeelte van de vordering van € 750,00, ook toegewezen zal worden.
Het hof zal de vordering in zijn geheel toewijzen voor het bedrag van € 27.737,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 september 2024.
Het hof stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en
dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. Het hof zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de
benadeelde partij hoeft te betalen indien de mededader deze al heeft betaald, en
andersom.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 33.632,00 ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Het hof is van oordeel dat door het bewezenverklaarde handelen geen rechtstreekse schade is toegebracht aan de benadeelde partij. Verdachte wordt in de onderhavige strafzaak niet verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting of gekwalificeerde diefstal van [benadeelde 3] . Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 25.075,00 ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Het hof is van oordeel dat door het bewezenverklaarde handelen geen rechtstreekse schade is toegebracht aan de benadeelde partij. Ook hier geldt dat verdachte in de onderhavige strafzaak niet wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting of gekwalificeerde diefstal van [benadeelde 4] . Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
De benadeelde partij heeft deze vordering in hoger beroep niet gehandhaafd, zodat het hof hierop niet heeft te beslissen.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 196, 311, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 30 (dertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
dat verdachte zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres [adres 5] te [plaats 8] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
dat verdachte actief deelneemt aan de gedragsinterventie; [gedragsinterventie]
of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.
- dat verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met
[medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2000 (mededader), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
- dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een
vaste structuur.
- dat verdachte zal meewerken aan het bewindvoerderstraject. Mocht dit niet voldoende zijn voor het aflossen van zijn schulden, verleent verdachte zijn medewerking aan een schuldhulpverlening of WSNP traject.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 vanPro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1. STK GSM (Omschrijving: Apple)(G1763681).
Beveelt de onttrekking aan het verkeervan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK Kleding (Omschrijving: Politiepolo, lange mouw)(G1763683).
Gelast de teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een geldbedrag van € 250,65 (goednummer G1764162).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 28.487,00 (achtentwintigduizend vierhonderdzevenentachtig euro) bestaande uit € 27.737,00 (zevenentwintigduizend zevenhonderdzevenendertig euro) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 28.487,00 (achtentwintigduizend vierhonderdzevenentachtig euro) bestaande uit € 27.737,00 (zevenentwintigduizend zevenhonderdzevenendertig euro) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 153 (honderddrieënvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 22 september 2024.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. L. Pieters, mr. L.T. Wemes en mr. I.M. Nusselder, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 februari 2026.
Voetnoten
1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen
2.Pagina 932.
3.Pagina 933.
4.Pagina 314.
5.De verklaring van verdachte afgelegd op de zitting van de rechtbank van 31 maart 2025.