Art. 1:266 BWArt. 3 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 20 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 8 EVRM
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bekrachtiging gezagsbeëindiging ouders over minderjarige kinderen wegens bedreiging ontwikkeling
De rechtbank Noord-Nederland heeft het gezag van de ouders over hun twee minderjarige kinderen beëindigd vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen en het onvermogen van de ouders om binnen een aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding op zich te nemen.
De ouders gingen in hoger beroep tegen deze beslissing, maar het hof Arnhem-Leeuwarden heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het hof oordeelt dat aan de wettelijke eisen van artikel 1:266 BWPro is voldaan en dat het belang van de kinderen voorop staat.
Het hof constateert dat de ouders niet in staat zijn het gezag op goede wijze uit te oefenen, mede door cognitieve beperkingen en problematische samenwerking met de gecertificeerde instelling. Ook is het beoogde doel van rust en duidelijkheid voor de kinderen niet te bereiken met een minder ingrijpend alternatief zoals verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.
Hoewel de ouders het gezag willen behouden om mee te beslissen over belangrijke zaken, acht het hof dit niet in het belang van de kinderen. De gezagsbeëindiging is proportioneel en niet in strijd met artikel 8 EVRMPro. De ouders behouden het recht op informatie en omgang, voor zover het belang van de kinderen dit toelaat.
De beslissing van de rechtbank wordt bekrachtigd en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.360.345/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 199819)
beschikking van 3 maart 2026
over het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2]
in de zaak van
[verzoekster] en [verzoeker](de ouders),
die wonen in [woonplaats] ,
verzoekers in hoger beroep,
advocaat: mr. A.L. Witteveen,
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord-Nederland,
locatie Leeuwarden,
en
de gecertificeerde instelling
Regiecentrum Bescherming en Veiligheid(de GI),
die is gevestigd in Leeuwarden.
1.Samenvatting
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft het gezag van de ouders over hun kinderen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beëindigd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2.De feiten
2.1.
De ouders hebben drie kinderen, onder wie [de minderjarige1] , geboren [in] 2011, en [de minderjarige2] , geboren [in] 2012. De ouders hebben nog een meerderjarige dochter, maar daar gaat deze beslissing niet over.
2.2.
De ouders hadden tot de bestreden beschikking het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
2.3.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] staan sinds 17 mei 2013 onder toezicht van de GI.
2.4.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn op 22 december 2021 uit huis geplaatst. De kinderrechter had daarvoor een eerdere machtiging gegeven. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben eerst samen in een gezinshuis gewoond. [de minderjarige1] is [in] 2025 verhuisd naar een crisisgroep van [naam1] . [de minderjarige2] woont sinds 1 december 2025 in een ander gezinshuis.
3.De procedure bij de rechtbank
3.1.
De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de ouders te beëindigen. De ouders hebben daar verweer tegen gevoerd.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen en de GI tot voogd over de kinderen benoemd. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 9 juli 2025.
4.De procedure bij het hof
4.1.
De ouderszijn het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komen daarvan in hoger beroep. Zij willen dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt (vernietigt). Zij verzoeken het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag over de minderjarigen met benoeming van de GI tot voogdes af te wijzen, dan wel aan te houden.
4.2.
De raadwil dat de beslissing in stand blijft.
4.3.
De GIwil ook dat de beslissing in stand blijft.
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
het beroepschrift met bijlage(n);
een brief van de raad van 10 december 2025 dat de raad ter zitting verweer zal voeren;
een brief van de GI van 16 januari 2026 met bijlage(n);
een e-mail van de GI van 27 januari 2026.
4.5.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben op 2 februari 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij hebben verteld wat zij vinden van de beëindiging van het gezag van de ouders. De voorzitter heeft op de zitting aan de aanwezigen een samenvatting gegeven van wat zij hebben verteld.
4.6.
De zitting bij het hof was op 3 februari 2026. Aanwezig waren:
de ouders met hun advocaat;
een vertegenwoordiger van de raad;
drie vertegenwoordigers van de GI.
5.Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
5.1.
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt. [1]
5.1.
Het belang van het kind staat daarbij voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen. [2]
Hoe oordeelt het hof?
5.1.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat het gezag van de ouders beëindigd moet worden. Het hof zal de beslissing van de rechtbank dus in stand laten (bekrachtigen).
5.1.
Het hof heeft de stukken gelezen en op de zitting geluisterd naar de toelichtingen. Het hof is op basis daarvan van oordeel dat is voldaan aan de eisen die artikel 1:266 BWPro stelt aan een gezagsbeëindiging en dat het in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] noodzakelijk is dat het gezag van de ouders over hen wordt beëindigd.
5.1.
Voor het hof is duidelijk geworden dat de ouders niet in staat zijn om binnen een voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor hun verzorging en opvoeding te dragen. Zoals de rechtbank heeft overwogen worden [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De ouders bestrijden dat ook niet en erkennen dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet meer bij hen is. Dit betekent dat de kinderen niet zullen opgroeien bij de ouders thuis. De ouders beamen dat ze dat vóór het (perspectief)onderzoek van [naam2] medio 2024 nog niet accepteerden. Weliswaar geven de ouders aan dat ze dat perspectief sindsdien wel accepteren en zich niet meer verweerd hebben tegen de laatste verlenging van de uithuisplaatsing, maar dat geeft het hof niet voldoende vertrouwen dat de ouders - anders dan voorheen - zich inmiddels wel daadwerkelijk en duurzaam erbij (blijven) neerleggen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet thuis wonen en elders opgroeien en dat zij dat in de praktijk ook niet meer uiten of uitdragen naar [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
5.1.
De ouders willen het gezag houden omdat zij willen blijven meebeslissen over belangrijke zaken in het leven van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Het hof maakt zich evenwel zorgen dat ouders niet bij machte zijn het gezag op goede wijze uit te oefenen en over de nadelige gevolgen daarvan voor de kinderen. Zo tekenden zij stukken zonder deze te lezen, of lieten beslissingen aan de gezinshuisouder over. De ouders beseffen wel dat zij gelet op hun cognitieve beperkingen hulp nodig hebben bij het maken van de keuzes die in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn. Maar zij werken niet steeds mee met de GI en houden zich niet altijd aan de afspraken. De ouders spreken bijvoorbeeld buiten de omgangsmomenten met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] af en hebben veel telefonisch contact met hen buiten de afspraken om. Zorgelijk is dat de ouders hetgeen zij met de GI bespreken direct delen met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , die dat gelijk uitspelen. Ook het feit dat er sprake is geweest van agressie van de ouders richting de GI en dat de vader dreigde [de minderjarige1] en [de minderjarige2] weg te halen, bemoeilijkt de samenwerking tussen de ouders en de GI. Het voorgaande maakt dat de situatie anders is dan die van de minderjarige in de door de ouders genoemde uitspraak van het hof in Den Haag, waarbij het gezag niet is beëindigd.
5.1.
De ouders brengen verder naar voren dat met een lichtere maatregel dan de gezagsbeëindiging kan worden volstaan. De ouders erkennen dat een vrijwillige uithuisplaatsing geen goed alternatief is voor de gezagsbeëindiging. De ouders noemen als minder ingrijpend alternatief voor de gezagsbeëindiging de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.
Als thuisplaatsing niet meer kan en daar niet meer naar toegewerkt kan worden, past het in het systeem van de wet dat het gezag van de ouder(s) op enig moment wordt beëindigd. Een jaarlijkse verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is in dat geval niet langer passend en zou de onzekerheid over het opvoedperspectief voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] laten voortduren.
Naar het oordeel van het hof schaadt het de belangen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] als zij ieder jaar weer geconfronteerd worden met een verlengingsprocedure, die onzekerheid en onrust voor hen geeft, terwijl zij juist gebaat zijn bij rust en duidelijkheid over waar zij opgroeien. Dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] last hebben van die procedures blijkt uit de informatie van de gezinshuisouders en school. Er is een toename van onrust, spanning en gedragsproblemen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in periodes rond zittingen en ten tijde van procedures.
5.1.
De ouders wijzen erop dat de gezagsbeëindiging nog niet de beoogde rust teweeg heeft gebracht. Dat er sinds de gezagsbeëindiging, die iets meer dan zes maanden geleden is uitgesproken, nog niet meer rust is, komt - zo brengt de GI volgens het hof terecht naar voren - door de gebeurtenissen van de afgelopen periode.
Na het perspectiefonderzoek volgde een raadsonderzoek en de procedure bij de rechtbank die heeft geleid tot de bestreden beschikking, gevolgd door het hoger beroep daartegen. In die tijd is de plaatsing van [de minderjarige1] zo onder druk komen te staan, dat zij niet langer in het gezinshuis kon blijven, maar naar een nieuwe plek voor haar gezocht moest worden. Een aantal maanden later gold dat ook voor [de minderjarige2] . Dat betekent niet, dat de rust niet alsnog bereikt kan en/of gaat worden en dat de gezagsbeëindiging niet in redelijke verhouding staat tot het na te streven doel.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben er belang bij om te weten dat zij tot hun volwassenheid niet bij de ouders opgroeien. De gezagsbeëindiging geeft de nodige duidelijkheid aan de ouders en de kinderen.
5.1.
De module ‘Ouders op afstand’ kan de ouders helpen te berusten in het toekomstperspectief van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , in het uitdragen naar de kinderen dat ze het goed vinden dat de kinderen in een gezinshuis of op de groep (blijven) wonen en in verbetering van de samenwerking met de GI. De ouders hebben verzocht om, als het hof de gezagsbeëindiging niet vernietigt, de beslissing aan te houden. Het hof zal de beslissing evenwel niet aanhouden in afwachting van genoemde module en de effecten daarvan of om te kijken of de rust alsnog komt of uitblijft. Bij een dergelijk uitstel van de beslissing blijft namelijk onzekerheid voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bestaan. Dat is niet in hun belang.
5.1.
Aangezien de gezagsbeëindiging is gebaseerd op de wet en er goede redenen voor zijn, is er - anders dan de ouders hebben aangevoerd - geen sprake van strijd met artikel 8 EVRMPro of rechtspraak van het EHRM. Verder staat de gezagsbeëindiging in een redelijke verhouding tot het na te streven doel (proportionaliteitsbeginsel) en is het beoogde resultaat, te weten rust en duidelijkheid voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , niet te bereiken met een minder ingrijpend alternatief (subsidiariteitsbeginsel).
5.1.
Overigens brengt het feit dat de ouders geen gezag meer hebben over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet mee dat zij voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] minder belangrijk zijn of worden. Zij zullen immers altijd de ouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] blijven. Hierdoor houden zij het recht op informatie over (de ontwikkeling van) van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en op omgang met hen, voor zover het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zich hiertegen niet verzet.
Het hof gaat ervan uit dat de GI zich ervoor zal blijven inspannen om de ouders te betrekken in het leven van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en hen van informatie zal (blijven) voorzien.
6.De beslissing
Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 9 juli 2025;
6.2
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door, mr. C. Coster, mr. M.A.F. Veenstra en mr. S. Rezel, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 3 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.