ECLI:NL:GHARL:2026:1282

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
200.356.447/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 lid 1 sub b BWArt. 7:868a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over contractuele ontslagvergoeding en billijke vergoeding bij verstoorde arbeidsverhouding

Ignite Topco B.V. en [verweerder] zijn in hoger beroep over de toekenning van een contractuele ontslagvergoeding en een billijke vergoeding na ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding.

Het hof bevestigt dat partijen zijn overeengekomen dat [verweerder] recht heeft op een contractuele ontslagvergoeding van drie maandsalarissen bij ontslag op initiatief van Ignite, behoudens dringende reden. Ignite is niet geslaagd in het tegenbewijs om deze stelling te ontzenuwen.

Ten aanzien van de billijke vergoeding oordeelt het hof dat Ignite ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, maar vermindert het bedrag tot €72.390, gebaseerd op een inkomens- en pensioenschade over 18 maanden. Immateriële schade en verlies van aandeelhouderspositie worden niet toegewezen. Proceskosten worden verdeeld conform eerdere beschikking, met uitvoerbaarheid bij voorraad.

Uitkomst: Het hof bevestigt de contractuele ontslagvergoeding en wijzigt de billijke vergoeding naar €72.390 met wettelijke rente, met proceskostenveroordelingen en uitvoerbaarheid bij voorraad.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.356.447/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 11469785)
beschikking van 2 maart 2026
in de zaak van
Ignite Topco B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
verzoekster in hoger beroep
bij de kantonrechter: verzoekster
hierna:
Ignite
advocaat: mr. J.W. Stam
tegen
[verweerder]
die woont in [woonplaats]
die ook hoger beroep heeft ingesteld
bij de kantonrechter: verweerder
hierna:
[verweerder]
advocaat: mr. M. Egbers

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Het hof neemt de tussenbeschikking van 13 oktober 2025 hier over.
1.2
In de tussenbeschikking heeft het hof Ignite toegelaten om tegenbewijs te leveren
tegen de voorshands voor juist aangenomen stelling dat partijen zijn overeengekomen dat [verweerder] bij ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst op initiatief van Ignite (behoudens de situatie van een dringende reden) recht heeft op betaling van een contractuele ontslagvergoeding van drie maandsalarissen. Ignite heeft een akte houdende overlegging producties ten behoeve van het leveren van tegenbewijs overgelegd. [verweerder] heeft een antwoordakte met productie genomen. Partijen hebben afgezien van het horen van getuigen in (contra-)enquête.
1.3
Vervolgens heeft het hof opnieuw beschikking bepaald.

2.Samenvatting en beslissing

2.1.
De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen op verzoek van Ignite per 1 augustus 2025 ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Het hof heeft deze ontbinding in de tussenbeschikking terecht bevonden en geoordeeld dat [verweerder] in beginsel recht heeft op een billijke vergoeding omdat de verstoring van de arbeidsverhouding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Ignite. Daarnaast heeft het hof Ignite ter zake van de contractuele ontslagvergoeding de hiervoor genoemde bewijsopdracht gegeven en verdere beslissingen aangehouden.
2.2.
Het hof acht Ignite niet geslaagd in het tegenbewijs. Dit betekent dat het hof net als de kantonrechter oordeelt dat Ignite de contractuele ontslagvergoeding verschuldigd is aan [verweerder] . Wat betreft de billijke vergoeding oordeelt het hof dat Ignite een lager bedrag dient te betalen dan de kantonrechter heeft toegewezen. Het hof licht deze beslissingen hierna toe.

3.De nadere motivering van de beslissing in hoger beroep

Contractuele ontslagvergoeding: Ignite is niet geslaagd in de bewijsopdracht
3.1
Het hof blijft bij wat is overwogen in de tussenbeschikking en zal hierna het bewijs bespreken dat Ignite ter voldoening van de aan haar opgedragen bewijsopdracht heeft overgelegd. Bij de waardering van het bewijs stelt het hof voorop dat Ignite geen bewijs hoeft te leveren van haar eigen stellingen. Voor tegenbewijs tegen een voorshandse aanname is voldoende dat Ignite die voorshandse aanname ontzenuwt, dat wil zeggen zodanige twijfel zaait dat de voorshands voor juist aangenomen stelling geen stand meer houdt.
3.2
Naast overlegging van en toelichting op het bewijs gaat Ignite in haar akte ook nog in op de compensatie voor de waarde van aandelen in het kader van de billijke vergoeding. [verweerder] heeft daarop bij antwoordakte uitgebreid gereageerd. Dit gaat de bewijsopdracht te buiten. Voor zover partijen op dit punt nieuwe stellingen en verweren hebben aangevoerd, laat het hof die daarom buiten beschouwing. Datzelfde geldt voor de productie die [verweerder] bij zijn antwoordakte heeft overgelegd en waar het hof niet naar heeft gevraagd.
3.3
Ignite stelt in het aan haar opgedragen tegenbewijs te zijn geslaagd. Volgens Ignite was deze aanvullende vergoeding gekoppeld aan het statutair bestuurderschap. Ter onderbouwing hiervan heeft Ignite bij haar akte diverse e-mails en conceptversies van de arbeidsovereenkomsten van managementteamleden [naam1] , [naam2] en [verweerder] overgelegd, waarover in 2021 met bijstand van advocaten is onderhandeld.
In het bijzonder wijst Ignite op de eerste ‘mark-up’ van de concept-arbeidsovereenkomst voor [naam1] , op dat moment enig statutair bestuurder. Deze is door mr. [naam4] (een van de advocaten van [naam1] , [naam2] en [verweerder] ) met het volgende begeleidend schrijven ook aan [naam2] en [verweerder] toegezonden:
‘Bijgaand een eerste mark-up van de concept-arbeidsovereenkomst voor [naam1] . Ik heb daar een aantal algemene zaken uitgehaald en toegevoegd maar ook enkele vragen in opgenomen die voor alle drie relevant zijn. Willen jullie je input geven? Dan pas ik ook de andere twee concepten aan’.
Bij het voorgestelde artikel 4.4 in de eerste mark-up van de concept-arbeidsovereenkomst voor [naam1] is de volgende opmerking geplaatst:
‘We stellen voor deze voorziening op te nemen, ook gezien de contractuele beperkingen op basis van de Investments- en Shareholdersagreement. Gezien het gebrek aan ontslagbescherming voor [naam1] ligt deze bepaling voor hem iets meer voor de hand dan voor [naam2] en [verweerder] ’.
[naam1] reageert daarop als volgt:
‘Dit is akkoord, heb ik ook zo met [naam3] overlegd.’.
Zonder dat door of namens anderen dan [naam1] op artikel 4.4 is ingegaan - terwijl andere kwesties als de bonus, de omvang van loondoorbetaling in het tweede ziektejaar, die zowel [naam1] , [naam2] als [verweerder] aangingen, wel onderwerp van gesprek zijn geweest - is artikel 4.4 ook in de andere individuele arbeidsovereenkomsten blijven staan.
3.4
De opmerking van mr. [naam4] acht het hof onvoldoende om aan te nemen dat met [verweerder] is overeengekomen dat aanspraak op de contractuele ontslagvergoeding beperkt is tot de situatie dat [verweerder] statutair bestuurder is. Duidelijk is dat voor [verweerder] , [naam1] en [naam2] als gevolg van de overname door SilverTree in maart/april 2021 een nieuwe situatie ontstond. Zij kregen een nieuwe arbeidsovereenkomst, meer verantwoordelijkheden ( [verweerder] promoveerde van Financial Manager naar CFO) en werden aandeelhouders in de nieuwe organisatie met de nodige contractuele beperkingen in de Investments- en Shareholders Agreement. Het statutaire bestuurderschap speelde hierin destijds, specifiek voor [naam1] , ook een rol maar was hierin niet doorslaggevend (‘ligt iets meer voor de hand’). De bepaling is van meet af aan ook opgenomen in de concept-arbeidsovereenkomsten zoals die namens [naam2] en [verweerder] aan SilverTree ter bespreking zijn voorgelegd. Dit terwijl [verweerder] toen nog geen statutair bestuurder was en [naam2] zelfs nimmer statutair bestuurder is geworden.
3.5
Uit de tekst van het artikel noch uit enig ander overgelegd stuk (uit correspondentie of anderszins) kon [verweerder] afleiden dat hij in geval van ontslag de keuze had tussen ofwel zich neerleggen bij het ontslagvoornemen en aanspraak maken op de contractuele ontslagvergoeding ofwel een beroep doen op ontslagbescherming en geen aanspraak hebben op die extra vergoeding. Evenmin is gebleken dat [verweerder] duidelijk is gemaakt dat de contractuele ontslagvergoeding niet van toepassing zou zijn in de situatie waarin hij niet of niet langer statutair bestuurder (meer) is. Als Ignite artikel 4.4 in de door haar bepleite zin had willen beperken, had zij dat expliciet met [verweerder] moeten overeenkomen, althans [verweerder] expliciet moeten voorhouden. Het is het hof niet gebleken dat dat (voldoende) is gebeurd.
3.6
Zoals het hof in de tussenbeschikking reeds heeft geoordeeld, is de stelling dat een contractuele ontslagvergoeding naast de wettelijke transitievergoeding in een reguliere arbeidsovereenkomst ongebruikelijk is, onvoldoende om anders te oordelen. Ignite heeft bij akte na tussenbeschikking nog aangevoerd dat de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat [verweerder] aanspraak maakt op deze vergoeding. In deze niet nader onderbouwde stelling, die bovendien tardief is aangevoerd, vindt het hof ook geen grond om de bepaling buiten beschouwing te laten en [verweerder] de contractuele ontslagvergoeding te ontzeggen.
Conclusie
3.7
Het bewijs afwegend komt het hof tot het oordeel dat Ignite niet is geslaagd in het tegenbewijs door de voorlopige aanname te ontzenuwen dat partijen zijn overeengekomen dat [verweerder] bij ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst op initiatief van Ignite (behoudens de situatie van een dringende reden) recht heeft op betaling van een contractuele ontslagvergoeding van drie maandsalarissen. Hiermee is komen vast te staan dat Ignite de contractuele ontslagvergoeding verschuldigd is aan [verweerder] . De kantonrechter heeft deze vergoeding dus terecht toegewezen.
Billijke vergoeding: inleiding
3.8
Vervolgens komt het hof toe aan de bespreking van de door [verweerder] verzochte billijke vergoeding. Het ernstig verwijtbaar handelen van Ignite rechtvaardigt een billijke vergoeding aan [verweerder] . De kantonrechter heeft een billijke vergoeding toegekend van € 126.360 bruto (18 x € 7.020 aan maandsalaris inclusief vakantiegeld). Daarbij heeft de kantonrechter tot uitgangspunt genomen dat [verweerder] in ieder geval van plan was te blijven tot de beoogde verkoop van Ignite die nog twee tot drie jaar op zich liet wachten. Dat het dienstverband eerder geëindigd zou zijn - omdat een doorlopen verbetertraject niet tot verbetering zou hebben geleid - is bij gebrek aan onderbouwing niet aangenomen. Verder is de (jonge) leeftijd van [verweerder] en de arbeidsmarkt betrokken en heeft de kantonrechter er rekening mee gehouden dat [verweerder] naast de transitievergoeding ook een contractuele ontslagvergoeding ontvangt. De duur van vrijstelling van werkzaamheden alsmede van het onderhandelingstraject, acht de kantonrechter geen omstandigheden die in dit geval moeten leiden tot vermindering van de billijke vergoeding.
3.9
Partijen kunnen zich allebei niet vinden in de door de kantonrechter toegekende billijke vergoeding. Ignite vindt dat de verwachte duur van de arbeidsovereenkomst en het verwachte inkomensverlies onjuist zijn ingeschat en dat de transitievergoeding en de contractuele ontslagvergoeding ten onrechte niet in mindering zijn gebracht. [verweerder] vindt dat het toegewezen bedrag recht doet aan de inkomenscomponent, maar dat de billijke vergoeding hoger dient uit te vallen omdat ook rekening moet worden gehouden met de financiële gevolgen van het verlies van zijn aandeelhouderspositie. Daarnaast wijst hij op pensioenschade en immateriële schade.
3.1
Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding, gaat het erom dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Daarbij kan, ex nunc toetsend, rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, voor zover deze zijn toe te rekenen aan het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever. [1]
Verwachte duur van de arbeidsovereenkomst en inkomensverlies
3.11
Voor de hoogte van de billijke vergoeding is onder meer de verwachte ‘levensduur’ van de arbeidsovereenkomst van belang. Ter bepaling hiervan dient het hof een schatting te maken van de vermoedelijke duur van de arbeidsovereenkomst als deze niet als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van Ignite zou zijn geëindigd door ontbinding door de kantonrechter met ingang van 1 augustus 2025. Anders gezegd: hoe lang zou de arbeidsovereenkomst naar verwachting hebben geduurd als Ignite aan [verweerder] wel een serieuze en reële verbeterkans had geboden? Dat is immers de weg die Ignite, gelet op haar visie dat het functioneren van [verweerder] achterbleef bij wat zij van hem kon verwachten, had moeten bewandelen.
3.12
Als Ignite met [verweerder] een deugdelijk verbetertraject zou zijn ingeslagen vanaf eind januari 2024, is het mogelijk dat dit traject niet tot de door Ignite gewenste verbetering zou hebben geleid en dat de arbeidsovereenkomst alsnog, minnelijk dan wel via een ontslagtraject, zou zijn beëindigd. Dat de arbeidsovereenkomst om financiële redenen of anderszins op initiatief van [verweerder] eerder zou zijn geëindigd, heeft Ignite niet onderbouwd. Anderzijds valt niet uit te sluiten dat - bij duidelijk uitgesproken verwachtingen en consequenties - partijen weer op één lijn waren komen te zitten en de arbeidsrelatie had kunnen worden voortgezet, in elk geval tot aan een verkoop van Ignite door SilverTree. De goede en de kwade kansen van deze scenario’s afwegend, schat het hof in dat de arbeidsovereenkomst na eind januari 2024 niet langer dan nog ongeveer drie jaar zou hebben geduurd, tot 1 februari 2027. De arbeidsovereenkomst is ontbonden per 1 augustus 2025 en tot die datum is loon betaald. Dit betekent dat het inkomensverlies over de periode vanaf
1 augustus 2025 tot 1 februari 2027 (18 maanden) moet worden begroot.
3.13
Voor de hoogte van de billijke vergoeding is ook van belang of [verweerder] inmiddels ander werk heeft gevonden en welke inkomsten hij daaruit geniet en welke andere inkomsten hij in redelijkheid in de toekomst kan verwerven. De feitelijke situatie is dat [verweerder] vanaf
1 augustus 2025 in dienst is bij [naam5] in [vestigingsplaats] als adviseur bedrijfsfinanciering en bedrijfsovernames. Het betreft een arbeidsovereenkomst voor één jaar voor 24 uur per week. In productie 25 bij verweerschrift in hoger beroep heeft [verweerder] zijn inkomens- en pensioenschade berekend op € 48.260 bruto per jaar, bestaande uit het verschil tussen wat hij nu bij [naam5] verdient en wat hij bij Ignite verdiende (inclusief pensioen, leaseauto en vakantiedagen). Ignite heeft deze schadeberekening niet concreet weersproken, zodat het hof hier bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding vanuit zal gaan.
3.14
[verweerder] is nog jong en het arbeidsmarktperspectief is goed, maar het hof acht de kans niet aannemelijk dat hij binnen de periode tot 1 februari 2027 ander werk vindt met een vergelijkbare positie en arbeidsvoorwaarden (inclusief beperkte reistijd) als hij bij Ignite had. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen de aard van het aan de orde zijnde ernstige verwijtbare handelen/nalaten van Ignite, houdt het hof geen rekening met de mogelijkheid van aanvullende of vervangende inkomsten.
3.15
Dit betekent dat het hof rekening houdt met een bedrag van € 72.390 (€ 48.260 x 1,5 jaar) aan inkomens- en pensioenschade over de periode van 1 augustus 2025 tot 1 februari 2027. Dit bedrag komt als billijke vergoeding voor toewijzing in aanmerking.
Contractuele ontslagvergoeding en transitievergoeding
3.16
Het hof ziet in dit geval geen reden voor een gehele dan wel gedeeltelijke aftrek van de transitievergoeding en de contractuele ontslagvergoeding. [verweerder] zou deze vergoedingen ook hebben ontvangen als de arbeidsovereenkomst zonder ernstig verwijtbaar handelen van Ignite zou zijn geëindigd.
Immateriële schade
3.17
In de omstandigheden van dit geval ziet het hof evenmin aanleiding om, zoals [verweerder] heeft verzocht, nog een extra bedrag voor immateriële schade toe te kennen. Op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b BW Pro kan vergoeding van immateriële schade plaatsvinden indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Dat Ignite zich niet als een goed werkgever heeft betoond, zal bij [verweerder] de nodige stress en spanning hebben opgeleverd. Maar dit is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat [verweerder] als gevolg van het handelen van Ignite immateriële schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. Daarvoor moet er (aanmerkelijk) meer aan de hand zijn en dat moet ook worden onderbouwd.
Verlies positie aandeelhouderschap
3.18
De eventuele schade die [verweerder] lijdt omdat hij door ontbinding van de arbeidsovereenkomst gedwongen zal worden om zijn aandelen te verkopen, betrekt het hof uitdrukkelijk niet bij de bepaling van de billijke vergoeding. In dit geval zijn nog te veel factoren onzeker die van invloed kunnen zijn op de vaststelling en de begroting of schatting van de door [verweerder] gestelde schade. Het hof beschikt daardoor over onvoldoende aanknopingspunten om op dit punt een verantwoorde beslissing te kunnen nemen.
Wettelijke rente
3.19
Zoals Ignite opmerkt bevat artikel 7:868a BW geen regeling voor de verschuldigdheid van de wettelijke rente over de billijke vergoeding. Dat betekent echter niet dat toewijzing van wettelijke rente over een billijke vergoeding naar zijn aard niet mogelijk is. Wettelijke rente is verschuldigd zodra de billijke vergoeding opeisbaar is en de schuldenaar in verzuim is met betaling. Anders dan waar Ignite vanuit gaat, is de billijke vergoeding niet opeisbaar op het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigt maar op het moment waarop de rechter beslist dat de billijke vergoeding verschuldigd is. De door de kantonrechter toegewezen ingangsdatum van de wettelijke rente over de billijke vergoeding (vanaf veertien dagen na de datum van de beschikking) is dus niet onjuist.
Proceskostenveroordeling bij de kantonrechter
3.2
In de beschikking van 28 maart 2025 heeft de kantonrechter Ignite veroordeeld in de proceskosten. Ignite is het daar niet mee eens. [verweerder] vindt dat Ignite ten onrechte niet in de volledige proceskosten is veroordeeld.
3.21
Het hof ziet geen grond om anders te oordelen over de proceskosten dan de kantonrechter. Er is sprake van ernstig verwijtbaar handelen/nalaten van Ignite, zodat zij op grond van de ‘Aanbeveling schikking en proceskosten Wwz’ in de proceskosten van [verweerder] kon worden veroordeeld. Van buitengewone omstandigheden die een volledige proceskostenveroordeling rechtvaardigt, zoals misbruik van recht of onrechtmatig procederen door Ignite, is geen sprake.
De conclusie
3.22
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beschikking van de kantonrechter alleen op het onderdeel van de hoogte van de billijke vergoeding vernietigd zal worden. Voor zover Ignite ter voldoening van de beschikking van de kantonrechter meer aan [verweerder] heeft voldaan dan hem op basis van dit arrest toekomt, wordt [verweerder] veroordeeld tot terugbetaling daarvan, vermeerderd met de wettelijke rente over het teveel betaalde vanaf betaling tot terugbetaling aan Ignite.
3.23
Ignite zal als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in het principaal hoger beroep in de proceskosten worden veroordeeld. In het incidenteel hoger beroep heeft [verweerder] grotendeels ongelijk gekregen en zal hij in de proceskosten worden veroordeeld.
3.24
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4. De beslissing
Het hof:
4.1
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 28 maart 2025 voor zover het de billijke vergoeding betreft en beslist in plaats daarvan als volgt:
4.2
veroordeelt Ignite om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 72.390, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na de datum van de beschikking van de kantonrechter van 28 maart 2025 tot de dag van de gehele betaling;
4.3
veroordeelt [verweerder] tot terugbetaling van wat hij op grond van de deels vernietigde beschikking meer heeft ontvangen dan waarop hij krachtens deze beschikking recht heeft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf betaling tot de dag van terugbetaling;
4.4
veroordeelt Ignite tot betaling van de volgende proceskosten van [verweerder] in het principaal hoger beroep:
€ 362 aan griffierecht
€ 3.225 aan salaris van de advocaat (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief €1.290);
4.5
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de volgende proceskosten in het incidentele hoger beroep, aan de zijde van Ignite vastgesteld op € 1.290 aan salaris advocaat (2 punten x
€ 1.290 x 0,5);
4.6
bepaalt dat de onder 4.5 genoemde proceskosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.7
verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.8
verwerpt het principaal en het incidenteel hoger beroep voor het overige en wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Willemse, A.A. van Rossum en D.M.A. Bij de Vaate, en is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle) en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (ServiceNow).