Uitspraak
1.[geïntimeerde1] en
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de memorie van grieven tevens verduidelijking/wijziging van eis
- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
- de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep tevens akte uitlating producties
2.De kern van de zaak
- het eind 2019 uitgebreide hekwerk aan de noordzijde van de weg ter plaatse van het vier meter brede weidehek, dat toegang biedt tot het grasland in het westelijk deel, en het verharde erf in het oostelijk deel te verwijderen en verwijderd te houden
- binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het prikkeldraad om de bovenste stang van het hekwerk aan de zuidkant te verwijderen en verwijderd te houden
- binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het verkeersbord te verwijderen en verwijderd te houden
- binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de camera aan het begin van de weg te verwijderen en verwijderd te houden, althans deze zodanig te richten dat geen opnames kunnen worden gemaakt van personen die zich over de weg begeven van en naar de woning van [appellante] .
3.De toelichting op de beslissing van het hof
erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan naar de [straatnaam1] op de thans bestaande wijze, zulks ten behoeve van het bij deze overgedragen gedeelte van het kadastraal perceel gemeente [gemeentenaam] [kadastrale aanduiding7] (plaatselijk bekend [adres1] te [woonplaats] ), en ten laste van het aan verkopers in eigendom verblijvende gedeelte van het kadastrale perceel gemeente [gemeentenaam] [kadastrale aanduiding7] (plaatselijk bekend [adres3] te [woonplaats] ).”
erfdienstbaarheid van weg tet gebruik en ten nutte van het niet-verkochte deel van gemeld [kadastrale aanduiding8] en de percelen kadastraal bekend Gemeente [gemeentenaam] , [kadastrale aanduiding9] en [kadastrale aanduiding4] , (...) uit te oefenen langs de Noordwestzijde van het lijdend erf op de thans bestaande voet, welke uitweg een breedte moet hebben van drie en een halve meter.”
om te komen van en te gaan naar de openbare wegen [straatnaam2] on [straatnaam1] te [woonplaats] , ten gunste van het perceel van [appellante] en ten laste van een gedeelte van het perceel van [naam2][de rechtsvoorgangers van [geïntimeerden] , toevoeging hof]
, welk gedeelte is begrensd aan de noordkant door het perceel van [naam3][nu ook toebehorend aan [appellante] , toevoeging hof]
(kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [kadastrale aanduiding1] , aan de oostkant door het perceel van [appellante] (kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [kadastrale aanduiding3] ) en aan de zuidkant door een door [naam2] geplaatst hek en het perceel van [naam2] (kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [kadastrale aanduiding10] ) en welk gedeelte een breedte heeft van circa 3 meter en een lengte van circa 88 meter, met aldus een oppervlakte van circa 264 m2, met dien verstande dat het niet is toegestaan gebruik te maken van de erfdienstbaarheid van weg met zware motorvoertuigen, zoals vrachtwagens, tractoren, landbouwmachines en graafwerktuigen, behoudens incidenteel gebruik, enkele keren per jaar, met een tractor met aanhanger en een paardenwagen voor één of twee paarden.“
op de thans bestaande wijze’ in de akte van 19 januari 1996 aan de hand van een objectieve uitleg voldoende duidelijkheid biedt voor het vaststellen van de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze waarop deze mag worden uitgeoefend. Daarbij neemt het hof tot uitgangspunt dat die woorden betrekking hebben op het feitelijk gebruik dat van de weg werd gemaakt op het moment van vestigen van de erfdienstbaarheid. De partijbedoeling zoals die is vastgelegd in de vestigingsakte ziet op dit feitelijk gebruik en voor de uitleg van de akte van 19 januari 1996 is meer dan alleen het doel van (vestiging van) de erfdienstbaarheid van belang. De eerste grief van [appellante] slaagt daarom. Niet in geschil is dat de weg waarop de erfdienstbaarheid betrekking heeft, is aangelegd in 1993 en sindsdien niet is aangepast. Een objectieve uitleg van de akte van 19 januari 1996 brengt mee dat bedoeld is een recht van uitweg te vestigen over de op dat moment bestaande weg. In de akte van vestiging zijn geen beperkingen opgenomen met betrekking tot (de frequentie van) het gebruik van die weg of de (breedte of zwaarte van de) voertuigen waarmee over die weg gereden mag worden. Een objectieve uitleg van de vestigingsakte kan daarom niet leiden tot de door [geïntimeerden] gevorderde beperkingen in het gebruik van de erfdienstbaarheid. [geïntimeerden] heeft nog gesteld dat de woorden ‘
op de thans bestaande wijze’ verwijzen naar de wijze waarop ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid van de weg gebruik werd gemaakt. Uit de in de akte van vestiging opgenomen bewoordingen kan het hof niet afleiden op welke wijze er van de weg gebruik werd gemaakt. Een objectieve uitleg kan daarom alleen leiden tot de vaststelling dat de uitweg om te komen van en te gaan naar de [straatnaam1] liep over de toen al bestaande weg. Volgens [geïntimeerden] blijkt uit de verklaringen van [naam4] dat zijn schoonvader [naam5] (de rechtsvoorganger van [geïntimeerden] ) niet wilde dat er met zwaar verkeer over de weg werd gereden. Die subjectieve bedoeling van [naam5] kan het hof niet met een objectieve uitleg uit de bewoordingen van de akte van 19 januari 1996 afleiden. Omdat het hof de inhoud van de erfdienstbaarheid op basis van de akte van vestiging voldoende kan bepalen, komt het hof niet toe aan uitleg van de erfdienstbaarheid op basis van de plaatselijke gewoonte of de wijze waarop de erfdienstbaarheid te goeder trouw zonder tegenspraak is uitgeoefend.