ECLI:NL:GHARL:2026:1328

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
24/81
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:68 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM wegens afschrijving en waardevermindering gebruikte auto

Belanghebbende kocht een gebruikte Volkswagen Golf met een hoge CO2-uitstoot en diende BPM-aangifte in met een berekende afschrijving op basis van een taxatierapport. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op, gebaseerd op een lager bedrag aan waardevermindering vastgesteld door Domeinen Roerende Zaken (DRZ).

Belanghebbende maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de naheffingsaanslag, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betwistte belanghebbende de aanslag opnieuw, maar trok het beroep op waardevermindering wegens schadeverleden en correctie voor marktsituatie in. Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd voor een hogere schade dan vastgesteld door de Inspecteur en dat de hogere CO2-uitstoot een waardeverhogende invloed heeft op de handelsinkoopwaarde.

Belanghebbende mocht binnen de taxatiemethode niet wisselen naar een andere koerslijst vanwege onduidelijkheden en gebrek aan bewijs. Wel mocht hij overstappen naar de koerslijstmethode met gebruik van de koerslijst van AutotelexPro, die passend werd bevonden. Op basis daarvan werd de naheffingsaanslag verminderd tot €4.261. Tevens werd belanghebbende een vergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn en werden proceskosten en griffierecht aan hem vergoed.

Uitkomst: Het hof vermindert de naheffingsaanslag BPM tot €4.261 en veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/81
uitspraakdatum: 3 maart 2026
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 14 december 2023, nummer ARN 22/308 in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm(hierna: de Inspecteur)
en
de Staat der Nederlanden(Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 4.239.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend. Het op 10 februari 2026 door belanghebbende ingediende stuk (factuur van 16 december 2020) heeft het Hof wegens strijdigheid met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten. Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard zich neer te leggen bij deze beslissing.
1.5
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam1] en mr. [naam2] verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd.
1.6
Na de zitting is door de Inspecteur (digitaal) een stuk ingediend (een e-mail van de Inspecteur aan de gemachtigde van 10 februari 2026). Voor het Hof vormt dit stuk geen aanleiding het onderzoek op de voet van artikel 8:68 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te heropenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft een uit Duitsland afkomstige gebruikte personenauto van het merk Volkswagen (Golf 2.0 TSI GTI; hierna: de auto) gekocht. De datum van eerste toelating van de auto is 6 mei 2015. De CO2-uitstoot van de auto beloopt 217 gram per kilometer. Het vermogen van de auto bedraagt 155 kW.
2.2.
De auto is op 21 december 2020 door de RDW gekeurd. Belanghebbende heeft op 22 december 2020 voor de auto aangifte BPM gedaan naar een verschuldigd bedrag van € 1.913. De bruto BPM beloopt volgens de aangifte € 28.597 op basis van een CO2-uitstoot van 217 gram per kilometer. De gehanteerde vermindering (afschrijving) heeft belanghebbende berekend aan de hand van een door [naam3] van de [bedrijfsnaam] op 13 december 2020 opgesteld taxatierapport. De schouw van de auto door deze taxateur heeft op 7 december 2020 plaatsgevonden. De kilometerstand beliep toen 79.876. In het taxatierapport is op basis van een koerslijst van EurotaxGlass’s (hierna: Eurotax) een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 12.894 in aanmerking genomen. Daarbij is wel een bijstelling voor de factor dealersituatie toegepast maar niet voor de factor marksituatie. Verder is op basis van een schadecalculatie uitgegaan van een bedrag aan herstelkosten wegens schade aan de auto van € 9.876 welk bedrag voor 100% als waardevermindering in aanmerking is genomen, zodat de handelsinkoopwaarde € 3.018 beloopt. Volgens het taxatierapport is er schade aan de velgen en banden, de automatische versnellingsbak, de elektrische installatie en de carrosserie. In het rapport is voorts het volgende vermeld:
‘(…)
De (…) handelswaardes zijn gebaseerd aan de hand van koerslijstonderzoek, marktonderzoek en hierin is rekening gehouden met de volgende emolumenten: schadeverleden reeds bekend, schadeverleden na herstel, garantie- en coulance mogelijkheden, afwijkende specificaties.
Het percentage van de gecalculeerde schade dat in mindering gebracht is op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is gesteld op 100% tenzij anders aangegeven.
(…)’.
In het taxatierapport is uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 45.101.
2.3.
Belanghebbende heeft de auto op 28 december 2020 op verzoek van de Inspecteur getoond bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). DRZ heeft op basis van het onderzoek met dagtekening 30 december 2020 een rapport opgesteld. DRZ heeft een schade aan de auto vastgesteld van € 3.288 en 72% daarvan (€ 2.367) als waardevermindering in aanmerking genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat heeft DRZ op basis van een koerslijst van AutotelexPro op € 14.742 bepaald, zodat de handelsinkoopwaarde volgens DRZ € 12.375 beloopt. De historische nieuwprijs bedraagt volgens DRZ € 46.292. Daarbij is rekening gehouden met een bedrag van € 10.301 aan BPM (CO2-uitstoot van 173 gram per kilometer).
2.4.
De Inspecteur heeft op basis van voornoemd DRZ-rapport de onderhavige naheffingsaanslag BPM ten bedrage van € 4.239 aan belanghebbende opgelegd. Daarbij is de Inspecteur uitgegaan van een bruto BPM van € 28.597 en een historische nieuwprijs van € 46.292. Wat betreft de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat is de Inspecteur uitgegaan van het door belanghebbende op basis van de in de koerslijst van Eurotax gehanteerde bedrag van € 12.894 waarop hij vervolgens het door DRZ bepaalde bedrag aan waardevermindering wegens schade van € 2.367 in mindering heeft gebracht, zodat de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat € 10.527 beloopt. Verder heeft de Inspecteur rekening gehouden met een extra leeftijdskorting.
2.5.
De tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister heeft op 29 maart 2021 plaatsgevonden.
2.6.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag vergeefs bezwaar aangetekend. Het daartegen ingestelde beroep heeft de Rechtbank in haar uitspraak van 14 december 2023 ongegrond verklaard. Wel heeft de Rechtbank belanghebbende ten laste van de Staat vergoedingen voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, proceskosten en griffierecht toegekend.
2.7.
Belanghebbende heeft op 27 december 2023 hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank aangetekend.

3.Geschil

In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. Het beroep op een waardevermindering wegens ‘schadeverleden’ van de auto is door belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken. Dat geldt evenzeer voor de grief dat de Inspecteur bij het hanteren van de koerslijst Eurotax binnen de taxatiemethode ambtshalve een correctie voor ‘bijstelling marktsituatie’ had moeten toepassen (nader stuk bladzijde 6). Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

4.Beoordeling van het geschil

Omvang schade
4.1.
De bewijslast met betrekking tot het in aanmerking nemen van een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele van belanghebbende werkt.
4.2.
Met hetgeen belanghebbende in dit dossier aan bewijs heeft bijgebracht – waaronder het taxatierapport met fotomateriaal – acht het Hof, gelet op hetgeen de Inspecteur heeft gesteld en gelet op het door hem ingebrachte DRZ-rapport met fotomateriaal, belanghebbende er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de schade aan de auto meer bedraagt dan het bedrag van € 3.288 dat door de Inspecteur in aanmerking is genomen. Daarover is bij het Hof twijfel blijven bestaan en dat werkt, zoals gezegd, ten nadele van belanghebbende.
Percentage waardevermindering
4.3.
In hoger beroep is, naar belanghebbende desgevraagd ter zitting heeft verklaard, niet in geschil dat – gelijk de Inspecteur heeft gedaan – van deze schade 72% ervan als waardevermindering in aanmerking kan worden genomen.
Historische nieuwprijs; BPM van te registreren auto
4.4.
Ter bepaling van de historische nieuwprijs moet in aanmerking worden genomen het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen (HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.4). Dat is hier op basis van 217 gram per kilometer een bedrag van € 28.597 (en niet € 10.301 op basis van 173 gram per kilometer waarvan de Inspecteur is uitgegaan), zodat de historische nieuwprijs € 64.588 bedraagt. Het gelijk op dit punt is daarom aan belanghebbende.
Handelsinkoopwaarde; invloed van hogere CO2-uitstoot
4.5.
Om de werkelijke waarde(daling) van de te registreren auto zo goed mogelijk te benaderen, moet volgens de Inspecteur in het geval, zoals hier ten opzichte van de bij de naheffing gebruikte koerslijst een hogere historische nieuwprijs in aanmerking moet worden genomen als gevolg van een hogere CO2-uitstoot, ook de handelsinkoopwaarde naar boven worden bijgesteld.
4.6.
Als uitgangspunt heeft naar het oordeel van het Hof te gelden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde in gebruikte staat zal hebben. Die hogere CO2-uitstoot wordt immers veroorzaakt door een andere – over het algemeen duurdere – uitrusting of uitvoering (Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876).
4.7.
Indien, zoals in het onderhavige geval, de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering (afschrijving) betwist, ligt het op de weg van de belastingplichtige om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering meebrengen (HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.5.3). Naar het oordeel van het Hof brengt deze bewijsregel mee dat de belastingplichtige – in geval van betwisting – het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Een dergelijke verdeling van de bewijslast ligt te meer voor de hand nu als uitgangspunt heeft te gelden dat een afwijkende CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed zal hebben op de handelsinkoopwaarde. De partij die stelt dat dit uitgangspunt niet opgaat, zoals belanghebbende doet, dient de daarvoor relevante feiten en omstandigheden aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken (Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876). Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende.
4.8.
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende geen bewijs bijgebracht op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de hogere CO2-uitstoot die in aanmerking is genomen ter bepaling van de historische nieuwprijs (zie r.o.4.4) niet (ook) leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde.
Switch binnen taxatiemethode
4.9.
Alsdan wenst belanghebbende binnen de taxatiemethode te switchen van de in het taxatierapport en bij de naheffing gehanteerde koerslijst van Eurotax naar een koerslijst van XRAY die door belanghebbende bij XRAY is opgevraagd. Daarin is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 14.082 en een historische nieuwprijs van € 66.843.
4.10.
De Inspecteur heeft betwist dat deze koerslijst bruikbaar is ter bepaling van de afschrijving voor de auto. Het Hof deelt die opvatting van de Inspecteur. In de eerste plaats is het namelijk niet de onafhankelijke taxateur die zijn eerdere taxatie wenst aan te passen maar belanghebbende (in de persoon van de gemachtigde) zelf. Bovendien gaat het om nieuwe gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt voor de vaststelling van de afschrijving en ook niet op verzoek van de Inspecteur zijn toegevoegd (vgl. HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, r.o. 3.2.3). Verder bestaat met betrekking tot de door belanghebbende ingebrachte koeslijst van XRAY geen duidelijkheid over de daarin opgenomen handelsinkoopwaarde van de referentieauto van € 14.082, aangezien niet duidelijk is of die handelsinkoopwaarde hoort bij de in de koerslijst vermelde rubriek “CO2 XRAY 148 NEDC” of bij de rubriek “CO2 klant 217 NEDC. En die twijfel werkt bewijsrechtelijk in het nadeel van belanghebbende.
4.11.
De conclusie luidt dat belanghebbende er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de taxatiewaarde van de Inspecteur van € 10.527 als geheel genomen te hoog is vastgesteld.
Switch naar koerslijstmethode
4.12.
Alsdan wenst belanghebbende te switchen van de taxatiemethode naar de koerslijstmethode. Die switch als zodanig is toegestaan (vgl. HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472).
4.13.
In de eerste plaats beroept belanghebbende zich in dit verband op de koerslijst van Eurotax. Met inachtneming van een correctie wegens zowel ‘bijstelling marktsituatie’ als ‘bijstelling dealersituatie’ bedraagt de handelsinkoopwaarde volgens belanghebbende € 11.633. De Inspecteur heeft onder meer erop gewezen dat het vermogen van de auto (155 kW) afwijkt van het vermogen van de referentieauto in deze koerslijst (162 kW). Gelet op het verschil in vermogen acht het Hof deze koerslijst in het kader van de koerslijstmethode niet bruikbaar (vgl. HR 22 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 4.2.3). Opmerking hierbij verdient nog dat de omstandigheid dat de Inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslag wel is uitgegaan van de koerslijst van Eurotax hieraan niet afdoet, aangezien dat is gebeurd in het kader van de taxatiemethode waarbij een koerslijst slechts een uitgangspunt vormt.
4.14.
Wanneer de koerslijst van Eurotax niet kan worden gebruikt beroept belanghebbende zich op de eerdergenoemde koerslijst van XRAY. In aanmerking genomen dat het in die koerslijst vermelde referentievoertuig ook een vermogen van 162 kW heeft, is ook deze koerslijst in het kader van de switch naar de koerslijstmethode niet bruikbaar.
4.15.
In zijn conclusie in het in hoger beroep ingediende nadere stuk heeft belanghebbende tot slot nog een beroep gedaan op de door DRZ gehanteerde koerslijst van AutotelexPro. Daarin is een handelsinkoopwaarde van € 14.742 vermeld. Aangezien in die koerslijst een referentievoertuig is opgenomen met – eveneens – een vermogen van 155kW en de Inspecteur verder niet of niet voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat deze referentieauto niet van hetzelfde merk, model, type, uitvoering en leeftijd is als de auto, is de conclusie gerechtvaardigd dat belanghebbende de afschrijving mag bepalen met gebruikmaking van deze koerslijst in het kader van de koerslijstmethode (vgl. HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.2.4).
4.16.
Uitgaande van een handelsinkoopwaarde van € 14.742, een historische nieuwprijs van € 64.588 (zie r.o. 4.4) en een bruto BPM van € 28.597 beloopt de verschuldigde BPM – met inachtneming van een extra leeftijdskorting – € 6.174, zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 4.261 (€ 6.174 -/- € 1.913).
Vergoeding immateriële schade
4.17.
Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Die aanspraak is terecht. De redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar is met minder dan zes maanden overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 500, te vergoeden door de Staat.
Slotsom
4.18.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is. Voorts dient aan hem de in 4.17 vermelde vergoeding van € 500 te worden toegekend.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Omdat het hoger beroep gegrond is, ziet het Hof aanleiding de Inspecteur te gelasten aan belanghebbende het door hem voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 274 te vergoeden. De Rechtbank heeft belanghebbende reeds een vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht toegekend. Het Hof laat die beslissing in stand.
5.2.
Het Hof ziet voorts aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.3.
Het Hof stelt deze kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht en berekend naar de tarieven van 2026 vast op € 1.332 voor bezwaar (2 punten x 1 x € 666), € 1.868 voor de kosten in beroep (2 punten x 1 x € 934) en € 1.868 voor de kosten in hoger beroep (2 punten x 1 x € 934), ofwel in totaal op € 5.068. In dit geval – bij een gegrond (hoger) beroep – worden geen afzonderlijke punten toegekend in het kader van de vergoeding van immateriële schade. De Rechtbank heeft belanghebbende ten laste van de Staat een proceskostenvergoeding toegekend. Omdat de Staat geen hoger beroep heeft ingesteld, laat het Hof die beslissing in stand.

6.Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond,
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoedingen van immateriële schade, proceskosten en het griffierecht,
  • verklaart het beroep bij de Rechtbank gegrond,
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar,
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.261,
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade van € 500, en
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 5.068, en
  • gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 274.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
De griffier, De raadsheer,
(J.W.J. de Kort) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.