ECLI:NL:GHARL:2026:135

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
Wahv 200.348.859/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WahvArt. 13a Wahv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens noodsituatie bij rechts inhalen

De betrokkene kreeg een sanctie van €250 opgelegd voor rechts inhalen op de Rijksweg A58 in Tilburg. De kantonrechter matigde deze sanctie tot €187,50 vanwege schending van de hoorplicht. In hoger beroep stelde de betrokkene dat sprake was van een noodsituatie: hij moest uitwijken om een noodstop te voorkomen vanwege gevaarlijk rijgedrag van een andere bestuurder.

De ambtenaar kon zich de situatie niet meer herinneren, maar erkende dat de betrokkene afstand hield en tijdig kon uitwijken. Het hof oordeelde dat de noodsituatie aannemelijk was en dat de betrokkene als kwetsbare motorrijder geen verwijt kon worden gemaakt. Daarom was het opleggen van een sanctie niet billijk.

Het hof vernietigde de sanctiebeschikking en de beslissing van de kantonrechter, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van €642,13. De betrokkene werd daarmee volledig in het gelijk gesteld.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wegens rechts inhalen wordt vernietigd vanwege een noodsituatie, en de betrokkene wordt in het gelijk gesteld.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.348.859/01
CJIB-nummer
: 249030538
Uitspraak d.d.
: 13 januari 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant van 16 april 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 187,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “rechts inhalen waar dat verboden is”. Deze gedraging zou zijn verricht op 27 april 2022 om
16.42 uur op de Rijksweg A58 in Tilburg met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 187,50 in verband met de schending van de hoorplicht door de officier van justitie.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, maar dat er sprake was van een noodsituatie. Daartoe wordt aangevoerd dat de bestuurder in het voertuig voor de betrokkene gevaarlijk rijgedrag vertoonde. De betrokkene wilde om die reden een baan naar rechts schuiven, maar voordat deze mogelijkheid er was remden de bestuurders voor hem zo hard af dat sprake was van een noodrem. Anders dan de ambtenaar aangeeft heeft de betrokkene juist afstand van zijn voorgangers gehouden waardoor hij tijdig kon uitwijken naar rechts en als motorrijder niet mee hoefde in een noodrem. Dit heeft de betrokkene direct bij staandehouding uitgelegd aan de ambtenaar. Verder heeft de betrokkene ook schriftelijk de situatie van meet af aan uiteengezet terwijl de ambtenaar zich de gedraging niet meer kan herinneren. In dit geval zou de verklaring van de betrokkene dan ook doorslaggevend moeten zijn. In reactie op het verweerschrift brengt de gemachtigde naar voren dat de noodsituatie in een paar seconden plaatsvond en de betrokkene zijn veiligheid als kwetsbare motorrijder voorop heeft gesteld. Het is mogelijk dat de ambtenaar die ene seconde heeft gemist. Er was geen opzet op het rechts inhalen, de betrokkene kon simpelweg niet anders. De gemachtigde verzoekt de inleidende beschikking te vernietigen dan wel het bedrag van de sanctie (geheel) te matigen.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Rijstrook waarop betrokkene aanvankelijk reed: 1.
Rijstrook waarop betrokkene inhaalde: 2.
Snelheid waarmee betrokkene inhaalde: 91 met correctie 9 kilometer per uur.
Aantal ingehaalde voertuigen: 2. (…)
Verklaring betrokkene: verdachte/betrokkene gaf geen verklaring. Omschrijving door de verbalisant: niet nodig.”
5. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal een aanvullend proces-verbaal van 16 maart 2025 overgelegd, waarin de ambtenaar het volgende verklaart:
“Verbalisant kan zich deze zaak niet meer herinneren, echter kan ik mededelen gezien mijn 35 jarige ervaring als verbalisant en als motorrijder dat ik inmiddels 25 jaar werkzaam ben op de Rijkswegen en dat ik zowel op de motor als op de SIV, Snelle Interventie Voertuigen mijn werkzaamheden verricht. Betrokkene geeft aan in zijn bezwaarschrift dat het voor mij onmogelijk was om te kunnen zien waarom betrokkene rechts inhaalde. Ik verbalisant kijk gedurende mijn werkzaamheden ver naar voren om situaties te kunnen beoordelen. Betrokkene geeft ook aan in zijn bezwaarschrift dat hij twee auto’s voor zich een automobilist bezig zag met zijn telefoon. Mijn inziens is het dan al belangrijk dat je hierop gaat anticiperen en afstand neemt op je voorganger. Betrokkene besloot rechts in te halen.”
6. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de gedraging niet wordt ontkend, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
7. De betrokkene heeft van meet af aan aangevoerd dat er sprake was van een noodsituatie, in die zin, dat de betrokkene genoodzaakt was om als kwetsbare motorrijder uit te wijken naar rechts om te voorkomen dat hij net als zijn voorgangers een noodstop moest maken. Uit hetgeen de ambtenaar in het zaakoverzicht heeft verklaard, kan niet worden afgeleid dat het aangevoerde niet aannemelijk is.
Eerst in hoger beroep is de ambtenaar gevraagd om een aanvullend proces-verbaal. Het hof leidt uit dit proces-verbaal af dat de ambtenaar - begrijpelijk - zich de situatie niet meer kan herinneren. Van de opmerkingen van algemene aard die de ambtenaar maakt kan niet worden gezegd dat deze de situatie hier aan de orde betreffen. Uitgaande van de situatie zoals door de betrokkene is beschreven is het hof van oordeel dat hem redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt van de gedraging. Dat maakt oplegging van een sanctie in dit geval niet billijk. Het hof zal daarom als volgt beslissen.
8. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en een nadere toelichting op het hoger beroep dienen in totaal 2,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt en gelet op hetgeen is overwogen in het arrest van het hof van 24 september 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:5863), wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25.
9. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 642,13 (= (1 x € 934,- x 0,5) + (1,5 x € 934,- x 0,5 x 0,25)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 642,13.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.