ECLI:NL:GHARL:2026:1388

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
21-001996-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 55 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens afpersing en diefstal met geweld van minderjarige

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 6 maart 2026 het vonnis van de politierechter in hoger beroep vernietigd en opnieuw recht gedaan. Verdachte werd bewezenverklaard van afpersing, diefstal met geweld en diefstal met een pinpas van een destijds veertienjarige aangever. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met geweld en bedreiging de aangever dwong geld af te geven en diens pinpas afnam, en dat hij met een valse sleutel geldbedragen heeft weggenomen.

De rechtbank had verdachte eerder veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 voorwaardelijk, maar het hof legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden op, gelet op de ernst van de feiten, het jonge slachtoffer en de eerdere veroordelingen van verdachte. Daarnaast wees het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot €1.791, bestaande uit €791 materiële en €1.000 immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente.

Het hof verwierp het verweer van verdachte dat hij het slachtoffer niet had aangeraakt en dat er geen sprake was van een gewelddadige straatroof. De verklaringen van het slachtoffer, de foto’s van letsel en de kapotte jas, en de overige bewijsmiddelen overtuigden het hof van het bewezenverklaarde. Het hof legde ook een schadevergoedingsmaatregel op om de schadevergoeding te bevorderen.

De strafrechtelijke kwalificatie betrof afpersing en diefstal met geweld, waarbij sprake was van eendaadse samenloop. Het hof vond een deels voorwaardelijke straf niet opportuun gezien de eerdere veroordelingen en het gedrag van verdachte. De wettelijke rente over de schadevergoeding gaat in vanaf 18 december 2023, de datum van het delict.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf en toewijzing van €1.791 schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001996-25
Uitspraakdatum: 6 maart 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 28 maart 2025 met parketnummer 16-184600-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] .
ingeschreven te [adres] ,
op dit moment vanwege een andere strafzaak verblijvende [verblijfplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 21 november 2025 en 20 februari 2026 en op de zitting bij de politierechter besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast vordert de advocaat-generaal gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van
€ 1.652,00, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.A. Bruinsma, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte ten aanzien van afpersing, diefstal met geweld en bedreiging met geweld en diefstal met behulp van valse sleutels veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen tot een bedrag van € 1.791,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij voor het overige deel afgewezen.
Het hof komt tot een deels andere bewezenverklaring en legt aan verdachte een andere straf op dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 18 december 2023 te [plaats 1] , [gemeente] met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde] en/of een derde toebehoorde(n), door
- die [benadeelde] van achteren vast te grijpen bij de nek en/of achterover te trekken,
- die [benadeelde] eenmaal of meermalen te slaan in het gezicht,
- met kracht de knie in de buik van die [benadeelde] te drukken,
- met kracht de arm tegen de keel van die [benadeelde] te drukken,
- een mes aan die [benadeelde] te tonen en bij/tegen de keel van die [benadeelde] te houden, en/of
- daarbij te zeggen: "geef geld en alles wat je bij je hebt", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
2.
hij op of omstreeks 18 december 2023 te [plaats 1] , [gemeente] een geldbedrag en/of een pinpas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [benadeelde] van achteren vast te grijpen bij de nek en/of achterover te trekken,
- die [benadeelde] eenmaal of meermalen te slaan in het gezicht,
- met kracht de knie in de buik van die [benadeelde] te drukken,
- met kracht de arm tegen de keel van die [benadeelde] te drukken,
- een mes aan die [benadeelde] te tonen en bij/tegen de keel van die [benadeelde] te houden, en/of
- daarbij te zeggen: "geef geld en alles wat je bij je hebt", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
3.
hij op of omstreeks 19 december 2023 te [plaats 2] , een of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met een bankpas op naam van voornoemde [benadeelde] , tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet was gerechtigd, meermaals contactloos te betalen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs van het onder 1 en 2 tenlastegelegde

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De verklaring van verdachte zoals hij die ter zitting in hoger beroep heeft afgelegd, dient niet te worden gevolgd en is niet verifieerbaar. De advocaat-generaal verzoekt voorwaardelijk, in het geval het hof daar anders over denkt, dat het hof een tussenarrest wijst om het openbaar ministerie de gelegenheid te geven de verklaring van verdachte te kunnen verifiëren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit vrijspraak ten aanzien van de onder feit 1 ten laste gelegde geweldscomponent en volledige vrijspraak van feit 2. Op basis van het dossier is niet wettig en overtuigend te bewijzen dat een zeer gewelddadige straatroof heeft plaatsgevonden. Verdachte verklaart aangever niet te hebben aangeraakt. Ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 3 heeft de verdediging zich aan het oordeel van het hof gerefereerd.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de geweldscomponent in het onder 1 tenlastegelegde en vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarover in het bijzonder het volgende.
Uit de aangifte en de verklaring van verdachte ter zitting in hoger beroep volgt dat op 18 december 2023 een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen verdachte en aangever. Aangever verklaart dat verdachte een arm om zijn nek heeft gedaan en hem naar achter trok waardoor hij ten val kwam. Vervolgens drukte verdachte met zijn onderarm op zijn keel en zijn knie op zijn buik en zei tegen hem dat hij zijn geld moest geven. Aangever verklaart dat hij bang was en dat hij geld over heeft gemaakt. Voorts heeft aangever verklaard dat zijn pinpas is weggenomen.
Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep onder meer verklaard dat hij aangever op 18 december 2023 heeft gezien bij het station in [plaats 1] . Verdachte verklaart dat hij aangever vroeg hem geld te geven, dat hij de pinpas van aangever heeft meegenomen en dat hij (verdachte) boos was en dat hij zich kon voorstellen dat aangever bang is geworden.
Hoewel zowel de verklaring van verdachte als de verklaring van aangever vragen oproepen ten aanzien van de precieze aanleiding voor hetgeen is voorgevallen, neemt dit niet weg dat gelet op het voorgaande vaststaat dat er een confrontatie heeft plaatsgevonden waarbij verdachte met geweld aangever heeft gedwongen geld af te geven (via een Tikkie) en waarbij verdachte de pinpas van aangever heeft afgenomen. Het hof let daarbij naast de inhoud van de aangifte en de verklaring van verdachte ter zitting in hoger beroep op de foto’s waarop letsel bij aangever te zien is en de zich in het dossier bevindende foto van de kapotte jas van aangever.
Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hieronder is opgenomen.
Het hof ziet, gezien het voorgaande, geen reden om – zoals voorwaardelijk door de advocaat-generaal verzocht – een tussenarrest te wijzen en de verklaring van verdachte te (laten) verifiëren.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op 18 december 2023 te [plaats 1] , [gemeente] met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag dat geheel aan die [benadeelde] toebehoorde, door
- die [benadeelde] van achteren vast te grijpen bij de nek en achterover te trekken,
- die [benadeelde] te slaan in het gezicht,
- met kracht de knie in de buik van die [benadeelde] te drukken,
- met kracht de arm tegen de keel van die [benadeelde] te drukken, en
- daarbij te zeggen: "geef geld en alles wat je bij je hebt".
2.
hij op 18 december 2023 te [plaats 1] , [gemeente] een pinpas die geheel aan [benadeelde] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door
- die [benadeelde] van achteren vast te grijpen bij de nek en achterover te trekken,
- die [benadeelde] te slaan in het gezicht,
- met kracht de knie in de buik van die [benadeelde] te drukken,
- met kracht de arm tegen de keel van die [benadeelde] te drukken, en
- daarbij te zeggen: "geef geld en alles wat je bij je hebt".
3.
hij op 19 december 2023 te [plaats 2] meerdere geldbedragen, die geheel aan [benadeelde] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met een bankpas op naam van voornoemde [benadeelde] , tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet was gerechtigd, meermaals contactloos te betalen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het hof is daarbij van oordeel dat bij de feiten 1 en 2 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De feiten 1 en 2 leveren een in zodanige mate samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat verdachte in wezen één strafrechtelijk verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking en het beschermde belang van de afzonderlijk tenlastegelegde strafbepalingen ook nagenoeg identiek zijn.
Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van afpersing en diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing, diefstal met geweld en diefstal van geldbedragen met de door hem van aangever afgenomen pinpas. Wat er ook zij van de door verdachte opgevoerde reden van de confrontatie, vaststaat dat verdachte veel te ver is gegaan en dat bij een slachtoffer van nog maar veertien jaar oud. Voorgaande moet beangstigend zijn geweest voor het slachtoffer, die aangeeft last te hebben (gehad) van hetgeen hem is overkomen. Verdachte heeft met zijn handelen laten zien dat hij geen respect heeft voor de lichamelijke integriteit, goederen en eigendommen van anderen.
Het hof heeft gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 januari 2026, waaruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, onder meer voor strafbare feiten met een geweldscomponent.
Het hof weegt voorts mee dat verdachte ter zitting in hoger beroep een verklaring heeft afgelegd over het bewezenverklaarde feit, waarbij hij zijn eigen aandeel in het bewezenverklaarde in ieder geval deels heeft bekend. Maar het hof stelt ook vast dat verdachte onvoldoende verantwoordelijkheid neemt voor zijn kwalijke gedrag.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden passend en noodzakelijk. Gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie en hetgeen ter zitting en uit het dossier naar voren is gekomen, acht het hof oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf niet opportuun.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.006,00 ingediend. De politierechter heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.791,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de politierechter gevorderde schadevergoeding.
Op de zitting en uit het dossier is het hof gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 1.791,00, waarvan € 791,00 materieel en € 1.000,00 immaterieel, te vermeerderen met de wettelijke rente, door het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
Met betrekking tot de materiële schade overweegt het hof dat de verdediging de schadepost van € 91,00 (het afgeperste geld) niet heeft betwist. De post van € 915,00 (de Canada Goose jas) is volgens de verdediging onvoldoende onderbouwd. Het hof ziet dit anders. De verdediging heeft niet betwist dat aangevers jas kapot is gegaan en evenmin dat dit een dure jas was, zoals in de vordering onderbouwd. De benadeelde partij heeft de prijs van een vergelijkbare jas onderbouwd en een percentage wegens afschrijving afgetrokken. De politierechter heeft de schade op dit punt kennelijk geschat op een bedrag van € 700,00. Het hof neemt die schatting over.
De benadeelde partij heeft, naast de door hem gevorderde materiële schade, op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek recht op een immateriële schadevergoeding, nu hij lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verzochte schadevergoeding van € 1.000,00 is billijk. De verdediging heeft zonder verdere motivering om matiging van dit bedrag verzocht. Het hof ziet daar geen reden toe. Daarbij heeft het hof niet alleen gelet op de onderbouwing die de benadeelde partij in zijn vordering heeft gegeven, maar ook op de Rotterdamse Schaal waarin in hoofdstuk 19.1 onder b ernstige bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal (art. 312 Sr Pro) en/of afpersing (art. 317 Sr Pro) worden beschreven. In deze zaak is het slachtoffer op straat afgeperst en van zijn pinpas beroofd. Er is geweld tegen hem gebruikt en hij heeft enig letsel opgelopen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 55, 57, 63, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.791,00 (duizend zevenhonderdeenennegentig euro) bestaande uit € 791,00 (zevenhonderdeenennegentig euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.791,00 (duizend zevenhonderdeenennegentig euro) bestaande uit € 791,00 (zevenhonderdeenennegentig euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 17 (zeventien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 18 december 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. L.T. Wemes en mr. G. Souer, in aanwezigheid van de griffier mr. J.R. Sotthewes-de Jonge en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 6 maart 2026.