ECLI:NL:GHARL:2026:1457

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.361.738
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a lid 1 BWArt. 1:253a lid 4 BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging hoofdverblijfplaats en zorgregeling kind in het belang van het kind

De rechtbank Gelderland wees verzoeken van de vader en de gecertificeerde instelling (GI) af over de hoofdverblijfplaats, vervangende toestemming voor hulpverlening en zorgregeling van het kind [kind2]. Het hof Arnhem-Leeuwarden vernietigt deze beschikking en wijst de verzoeken alsnog toe.

De ouders hebben samen gezag over [kind2], die sinds 2021 onder toezicht van de GI staat. De rechtbank had in 2022 bepaald dat [kind2] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft met een co-ouderschapsregeling. Door verslechterde schoolprestaties en het verzoek van het kind zelf, verbleef [kind2] tijdelijk bij de vader. Het hof constateert dat het kind klem zit tussen de ouders, wat zijn welzijn schaadt.

Het hof volgt het advies van de GI en de raad voor de kinderbescherming en wijzigt de hoofdverblijfplaats naar de vader, met een weekendregeling bij de moeder. Tevens verleent het hof vervangende toestemming voor hulpverlening door Praktijk [naam]. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en het hof wijst het overige af.

Uitkomst: Het hof wijzigt de hoofdverblijfplaats van het kind naar de vader, stelt een nieuwe zorgregeling vast en verleent vervangende toestemming voor hulpverlening.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummers gerechtshof 200.361.738 en 200.361.739
zaaknummers rechtbank Gelderland 455054 en 457303
beschikking van 10 maart 2026
over de hoofdverblijfplaats, vervangende toestemming voor hulpverlening en de zorgregeling
in de zaak van
[verzoeker] (de vader)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. M. Janse
en
[verweerster](de moeder)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. S.P. ter Linden
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel(de GI)
die is gevestigd in Zwolle
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
als adviseur van het gerechtshof

1.Samenvatting

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft in de beschikking van 24 oktober 2025 de verzoeken van de vader en de GI die gaan over de hoofdverblijfplaats van [kind2] , vervangende toestemming voor hulpverlening aan [kind2] en de zorgregeling voor [kind2] , afgewezen. Het hof beslist dat de verzoeken van de vader en de GI alsnog moeten worden toegewezen en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben drie kinderen:
  • [kind1] , geboren [in] 2008
  • [kind2] , geboren [in] 2011
  • [kind3] , geboren [in] 2013
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de jongste twee kinderen. [kind1] is inmiddels meerderjarig.
2.3.
De kinderen staan sinds 26 oktober 2021 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling van [kind2] en [kind3] loopt tot 26 oktober 2026. De ondertoezichtstelling van [kind1] is inmiddels beëindigd.
2.4.
Deze procedure gaat alleen over [kind2] .
2.5.
In de (echtscheidings)beschikking van 6 januari 2022 heeft de rechtbank bepaald dat [kind2] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. Verder heeft de rechtbank een co-ouderschapsregeling vastgesteld, waarbij [kind2] de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder verblijft, waarbij wordt gewisseld op de maandag en waarbij de vakanties en feestdagen in onderling overleg tussen de ouders gelijk wordt verdeeld.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
In de procedure bij de rechtbank zijn verschillende verzoeken ingediend. Voor zover hier van belang, zijn de volgende verzoeken gedaan.
  • Door de GI is verzocht een zorgregeling vast te stellen, waarbij [kind2] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft en waarbij [kind2] in de weekenden het ene weekend bij de moeder en het andere weekend bij de vader verblijft van vrijdag uit school tot maandag naar school en waarbij de vakanties en feestdagen gelijk tussen beide ouders worden verdeeld.
  • Door de vader is verzocht de verzoeken van de GI toe te wijzen. De vader heeft verder zelfstandig verzocht te bepalen dat [kind2] zijn hoofdverblijf bij de vader zal hebben en aan hem vervangende toestemming te verlenen voor het inzetten van hulpverlening aan [kind2] door Praktijk [naam] in [woonplaats1] .
3.2.
De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft de verzoeken van de GI en de vader, zoals hiervoor onder 3.1. genoemd, afgewezen.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vaderis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep met twee beroepschriften. Hij wil dat het hof alsnog de verzoeken toewijst die bij de rechtbank zijn gedaan over:
I. de hoofdverblijfplaats van [kind2]
II. vervangende toestemming voor het inzetten van hulpverlening aan [kind2]
III. de zorgregeling voor [kind2]
Het beroepschrift van de vader met daarin de verzoeken onder I. en II. is bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 200.361.738. Het beroepschrift van de vader met daarin het verzoek onder III. is bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 200.361.739.
4.2.
De moederis het niet eens met de verzoeken van de vader in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.
4.3.
De GIis het eens met de verzoeken van de vader in hoger beroep. De GI wil dat deze verzoeken worden toegewezen.
4.4.
De raadheeft tijdens de zitting in hoger beroep geadviseerd de verzoeken van de vader toe te wijzen.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.5.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • in beide zaken een beroepschrift van de vader, beide beroepschriften zijn ontvangen op 21 november 2025
  • het verweerschrift van de moeder
  • het verweerschrift van de GI
4.6.
[kind2] is uitgenodigd te vertellen wat hij vindt van de verzoeken van de vader. Het hof heeft geen reactie van [kind2] ontvangen. Tijdens de zitting is ter sprake gekomen dat [kind2] een brief of e-mail had willen sturen met daarin zijn mening. Het hof heeft echter geen brief of e-mail van [kind2] ontvangen. Het is niet duidelijk geworden of [kind2] er bewust voor heeft gekozen om niet op de uitnodiging van het hof te reageren of dat hij dit door omstandigheden niet heeft gedaan. Het hof ziet echter geen aanleiding om [kind2] nogmaals te vragen om zijn mening te geven. Deze mogelijkheid heeft hij namelijk gehad en een minderjarige is ook niet verplicht om zijn mening te geven. Het hof realiseert zich dat door [kind2] nogmaals de mogelijkheid te geven om zijn mening te geven, hij dit als een verplichting kan ervaren, waarbij hij het gevoel heeft dat hij tussen beide ouders moet kiezen. Het hof wil niet meer druk bij hem neerleggen dan (zoals volgt uit wat hierna wordt overwogen) de afgelopen tijd al is gebeurd, en zal daarom [kind2] niet nog een keer vragen om zijn mening te geven.
4.7.
De zitting bij het hof was op 3 februari 2026. Aanwezig waren:
  • mr. Janse namens de vader
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming
  • een vertegenwoordiger van de GI

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De ouders hebben samen het gezag over [kind2] en dat betekent onder andere dat zij samen gezagsbeslissingen nemen en afspraken kunnen maken over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. Als de ouders het oneens zijn over een te nemen gezagsbeslissing, over de hoofdverblijfplaats of de zorgregeling, kan een van hen dit aan de rechter voorleggen. [1] De rechter kan een eerder vastgestelde hoofdverblijfplaats en zorgregeling wijzigen als de omstandigheden daarna zijn gewijzigd. [2] De rechter neemt een beslissing die hij in het belang van het kind vindt.
5.2.
Dat sprake is van gewijzigde omstandigheden staat tussen partijen niet ter discussie en is op grond van de stukken en de bespreking tijdens de zitting voldoende vast komen te staan.
Hoofdverblijfplaats en zorgregeling
5.3.
In de beschikking van 6 januari 2022 is bepaald dat [kind2] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft en dat tussen de ouders een co-ouderschapsregeling geldt. In afwijking van deze regeling heeft [kind2] vlak voor de zomervakantie 2025 twee maanden bij zijn vader gewoond. Aanleiding hiervoor waren de slechte resultaten van [kind2] op school en zijn verzoek om een periode bij de vader te kunnen verblijven omdat hij daar meer structuur voor zijn schoolwerk heeft. In de zomervakantie 2025 is de co-ouderschapsregeling weer hervat. Begin 2026 bleken de schoolresultaten van [kind2] weer verslechterd. [kind2] heeft hierover met de jeugdbeschermer gesproken en zelf aangegeven dat hij graag weer grotendeels bij zijn vader wil verblijven. Inmiddels verblijft [kind2] grotendeels bij de vader en is hij één keer in de veertien dagen een weekend bij de moeder.
5.4.
De moeder is het hier niet mee eens en voert daartoe het volgende aan. Zonder overleg met haar is besloten de co-ouderschapregeling te stoppen en [kind2] grotendeels bij zijn vader te laten verblijven. Volgens haar wordt de vader klakkeloos gevolgd in zijn standpunt, terwijl [kind2] bij de kinderrechter duidelijk heeft aangegeven dat hij voortzetting van de co-ouderschapsregeling wenst. De mening van [kind2] moet worden gerespecteerd. Verder vreest de moeder dat een wijziging van de zorgregeling en hoofdverblijfplaats uiteindelijk zal leiden tot dezelfde situatie als bij [kind1] , waarbij er helemaal geen contact meer is tussen moeder en kind.
5.5.
Het hof gaat voorbij aan de bezwaren van de moeder en zal de verzoeken van de vader toewijzen. Uit de informatie van de GI en het advies van de raad tijdens de zitting in hoger beroep blijkt duidelijk dat [kind2] klem zit tussen zijn ouders. Sinds het uiteengaan is tussen de ouders sprake van een enorme strijd en hieraan wordt [kind2] voortdurend blootgesteld. Hiervan heeft [kind2] veel last, wat ook wel blijkt uit het feit dat zijn schoolprestaties niet goed zijn en hij lichamelijke klachten ervaart. [kind2] heeft de afgelopen jaren laten zien dat hij zich steeds aanpast aan (de mening van) de ouder waar hij op dat moment verblijft. Om uit de strijd te blijven en niet tussen zijn ouders te hoeven kiezen, praat hij mee met de ouder waar hij op dat moment verblijft. Het is voor [kind2] lastig aan te geven wat hij zelf echt wil zonder dat hij daarbij een van zijn ouders kwetst. Om die reden geeft de mening die [kind2] bij de kinderrechter heeft gegeven voor het hof niet de doorslag. De mening van een kind is belangrijk, maar in dit geval vindt het hof het niet in het belang van [kind2] om de huidige co-ouderschapsregeling te laten voortduren. Om zich in de toekomst goed verder te kunnen ontwikkelen is rust en ruimte voor [kind2] nodig. Volgens de raad en de GI kan deze rust en ruimte worden geboden door de hoofdverblijfplaats van [kind2] bij de vader te bepalen en een weekendregeling met de moeder vast te leggen. Het hof volgt deze adviezen. Omdat de vader de afgelopen jaren een groei heeft laten zien in zijn communicatie en houding naar de GI en de kinderen toe, acht het hof een hoofdverblijfplaats bij de vader het meest in het belang van [kind2] . De vader heeft de afgelopen jaren laten zien dat hij [kind2] de nodige steun maar ook ruimte kan bieden, waarbij [kind2] de vrijheid heeft om ook buiten de regeling om contact met zijn moeder te hebben. Ook in de samenwerking met de GI heeft de vader een groei laten zien, waardoor de GI gesprekken met de vader kan hebben over het belang van de kinderen.
5.6.
Gelet op het voorgaande, zal het hof bepalen dat [kind2] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft, waarbij er een weekendregeling met de moeder zal gelden. Indien [kind2] meer tijd met zijn moeder wil doorbrengen, gaat het hof ervan uit dat [kind2] deze vrijheid krijgt. De grieven van de vader over de hoofdverblijfplaats (grief I in zaaknummer 200.361.738) en de zorgregeling (grief I in zaaknummer 200.361.739) slagen dan ook.
Vervangende toestemming voor hulpverlening
5.7.
Vast staat dat [kind2] op dit moment hulpverlening van [naam] ontvangt. Tijdens de zitting in hoger beroep is gebleken dat ook de moeder de inzet van hulpverlening voor [kind2] belangrijk vindt. Zij heeft om die reden haar verweer tegen het verzoek van de vader laten vallen. Omdat ook het hof voortzetting van de hulpverlening van [naam] in het belang van [kind2] acht, zal het hof het verzoek van de vader toewijzen. Daarmee slaat de grief van de vader (grief II in zaaknummer 200.361.738).
Conclusie
5.8.
De beslissing van de rechtbank zal ongedaan worden gemaakt (worden vernietigd).
Uitvoerbaar bij voorraad
5.9.
De beslissing in deze uitspraak kan ook worden uitgevoerd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). [3]

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 24 oktober 2025 voor zover daarbij de verzoeken van de vader en de GI over de hoofdverblijfplaats van [kind2] , vervangende toestemming voor hulpverlening aan [kind2] en de zorgregeling voor [kind2] zijn afgewezen en beslist:
6.2.
wijzigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 6 januari 2022 voor wat betreft de hoofdverblijfplaats van [kind2] en bepaalt dat [kind2] , geboren [in] 2011 zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft;
6.3.
wijzigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 6 januari 2022 voor wat betreft de zorgregeling en verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders ten behoeve van [kind2] als volgt:
  • [kind2] verblijft eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de moeder;
  • [kind2] verblijft de helft van de vakanties en feestdagen bij de moeder, waarbij de ouders in onderling overleg de vakanties en feestdagen verdelen;
6.4.
verleent aan de vader vervangende toestemming voor het inzetten van hulpverlening van [naam] in [woonplaats1] voor [kind2] ;
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, J.U.M. van der Werff en L. Hamer, bijgestaan door mr. M. Knipping-Verbeek als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:253a lid 1 BW.
2.artikel 1:253a lid 4 in samenhang met artikel 1:377e BW.
3.Het toelichten van de betekenis van uitvoerbaarheid bij voorraad is conform aanbeveling 25 van PS III. Uitvoerbaarheid bij voorraad niet opnemen bij een bekrachtiging van een al uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking. Alleen bij toewijzing van een aanvankelijk afgewezen beslissing over uitvoerbaarheid bij voorraad opnemen.