De curator van de failliete eenmanszaak [naam2], gevestigd in Denemarken, vorderde terugbetaling van betalingen die Stet Holland had ontvangen, stellende dat deze betalingen onverschuldigd waren en onderdeel van een witwasconstructie. Stet Holland voerde aan dat de betalingen legitiem waren als koopprijs voor geleverde pootaardappelen aan een Syrische klant, waarbij [naam2] als tussenpersoon fungeerde vanwege bancaire restricties.
De rechtbank wees de vorderingen af en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof oordeelt dat de curator onvoldoende heeft onderbouwd dat de betalingen zonder rechtsgrond zijn verricht. De omstandigheden, waaronder Whatsapp-berichten en factuurgegevens, ondersteunen dat de betalingen namens de Syrische klant GOSM zijn gedaan.
Daarnaast faalt de vordering op grond van onrechtmatige daad omdat de curator geen schade heeft aangetoond en onvoldoende bewijs leverde dat Stet Holland op de hoogte was van witwaspraktijken. Ook de faillissementspauliana-vordering strandt omdat niet aan alle vereisten is voldaan, met name het ontbreken van wetenschap van Stet over het ontbreken van tegenprestatie.
Het hof veroordeelt de curator tot betaling van de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Het hoger beroep wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland wordt bekrachtigd.