ECLI:NL:GHARL:2026:1508

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
21-002929-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 63 SrArt. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal met inklimming en oplegging ISD-maatregel

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, waarin verdachte was veroordeeld voor diefstal met inklimming en tot een ISD-maatregel van 2 jaar was veroordeeld.

Het hof bevestigde de bewezenverklaring en het vonnis, behalve voor wat betreft de strafoplegging. Gezien het strafblad van verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en het reclasseringsrapport, achtte het hof een ISD-maatregel passend, maar verkort tot 18 maanden vanwege de reeds doorgebrachte voorarrestperiode.

De reclassering signaleerde ernstige problemen op alle leefgebieden en concludeerde dat een klinische opname noodzakelijk is voor gedragsverandering en vermindering van recidiverisico. Verdachte toonde motivatie om zijn leven te beteren, wat het hof als kans ziet.

Daarnaast werd de bewaring gelast van negen sieraden en twee armbanden die in beslag zijn genomen, omdat onduidelijk is wie de rechthebbenden zijn.

Het arrest werd uitgesproken op 11 maart 2026 door het hof in Leeuwarden.

Uitkomst: Het hof legt een ISD-maatregel van 18 maanden op voor diefstal met inklimming en bevestigt de bewaring van in beslag genomen goederen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002929-25
Uitspraakdatum: 11 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 26 juni 2025 met parketnummer 18-407745-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in [P.I.] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 25 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G.E. Menick, hebben aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft, bij vonnis van 26 juni 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD) voor de duur van 2 jaren. De rechtbank heeft gelast de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, goederen te bewaren ten behoeve van de rechthebbende.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen behalve voor zover het de strafoplegging betreft. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Oplegging van maatregel

Bij het bepalen van de maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met inklimming. Verdachte heeft met zijn handelen ernstige inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 27 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft lange tijd structureel drugs gebruikt. Hij bevindt zich momenteel vanwege onderhavige strafzaak in detentie. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard tijdens zijn detentie voorzichtige stappen te hebben gezet richting het opbouwen van een nieuw leven. Zo is hij op zoek naar werk en huisvesting. Hij heeft gesprekken met een psychiater en gebruikt medicatie om kalm te blijven. Verdachte heeft verklaard gemotiveerd te zijn om te werken aan een leven zonder drugsgebruik en strafbare feiten.
Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van een reclasseringsrapport van 2 juni 2025. In dit rapport geeft de reclassering aan problemen te signaleren op alle leefgebieden, die verdachte tot nu toe niet zelfstandig heeft kunnen oplossen. Daarnaast hebben tot op heden de ambulante en klinische interventies, al dan niet in een gedwongen kader, onvoldoende geresulteerd in een positieve (gedrags)verandering. Naar aanleiding hiervan ziet de reclassering een klinische opname als enige mogelijkheid tot positieve (gedrags)verandering, en daardoor tot vermindering van het recidiverisico. Met een klinische opname kan zorgvuldig onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van belemmerende factoren die verdachte ervan weerhouden een ‘maatschappelijk geaccepteerd’ leven zonder recidive te leiden. Daarnaast biedt een klinische opname in een juridisch kader tijd, rust, structuur en stabiliteit waardoor er voor verdachte de mogelijkheid is zijn mogelijkheden en begrenzingen te ervaren.
Gelet op het feit dat verdachte de afgelopen jaren onvoldoende bereidheid heeft getoond om samen te werken met de reclassering of hulpverlening, ziet de reclassering geen meerwaarde in een klinische opname in het kader van een voorwaardelijke straf. Volgens de reclassering is een klinische behandeling in een ISD niet alleen passend, maar ook noodzakelijk.
Het hof overweegt dat is voldaan aan de voorwaarden die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht stelt aan het opleggen van een ISD-maatregel. Het bewezenverklaarde feit betreft een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde ten minste driemaal veroordeeld voor een misdrijf. Verdachte kreeg hiervoor vrijheidsbenemende straffen opgelegd. Het hof onderschrijft hetgeen de reclassering schrijft in haar rapport en is dan ook van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en dat de veiligheid van goederen het opleggen van de maatregel eist.
Gelet op het voorgaande zal het hof aan verdachte de ISD-maatregel opleggen. Het hof benadrukt dat verdachte deze maatregel als kans kan zien om zijn tijd in de inrichting te benutten om zijn leven de positieve wending te geven waarvoor hij gemotiveerd zegt te zijn. Het hof houdt tot slot rekening met het feit dat verdachte voor onderhavig feit inmiddels ruim een jaar in voorarrest zit en zal de duur van de maatregel daarom verkorten ten opzichte van het maximum.
Alles afwegende acht het hof het opleggen van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 18 maanden passend en geboden.

Beslag

Onder verdachte zijn negen sieraden en twee armbanden in beslaggenomen die nog niet aan de rechthebbende zijn teruggegeven. Omdat ten aanzien van deze goederen onduidelijk is wie de rechthebbenden zijn, zal het hof de bewaring van deze goederen ten behoeve van de rechthebbenden gelasten.

Wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op de artikelen 38m, 38n, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van
18 (achttien) maanden.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 2 STK Sieraad (omschrijving: 2 waaier vorm goudkleurige oorbellen, goudkleurig), goednummer -1786865;
- 1 STK Sieraad (omschrijving: 1 goudkleurige gedraaide oorsieraad, goudkleuring), goednummer -1786978;
- 1 STK Sieraad (omschrijving: 1 goudkleurige stalen oorsieraad, goudkleurig), goednummer -1786980;
- 1 STK Sieraad (omschrijving: 1 oorsieraad met twee sliertjes en sliertjes met steentjes, goudkleurig), goednummer -1786982;
- 1 STK Sieraad (omschrijving: ketting, goudkleurig), goednummer -1786983;
- 1 STK Sieraad (omschrijving: 1 ronde stalen goudkleurige oorsieraad, goudkleurig), goednummer -1786986;
- 1 STK Sieraad (omschrijving: 1 goudkleurige oorsieraad bewerkt met 3 ringetjes, goudkleurig), goednummer -1786987;
- 1 STK Sieraad (omschrijving: 1 oorsieraad goudkleurig, dikke ring, goudkleurig), goednummer -1786993;
- 1 STK Armband (omschrijving: 1 goudkleurige rekbare (mouw ophouder) armband, goudkleurig), goednummer -1786998;
- 1 STK Armband (omschrijving: 1 goudkleurige spiraalvormige armband, goudkleurig), goednummer -1787004.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. A.J. Rietveld, mr. H.J. Deuring en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 11 maart 2026.