ECLI:NL:GHARL:2026:1532

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
21-003820-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal fatbike met gevangenisstraf van 27 dagen

In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de politierechter vernietigd en verdachte veroordeeld voor diefstal van een fatbike op 6 augustus 2025. De politierechter sprak verdachte vrij, maar het hof kwam tot een ander bewijswaardering op basis van camerabeelden, getuigenverklaringen en het feit dat verdachte in het bezit was van de gestolen fatbike bij zijn aanhouding.

Er was sprake van een vormverzuim bij de aanhouding van verdachte op 7 augustus 2025, omdat deze niet op heterdaad werd aangehouden en voorafgaande toestemming van de officier van justitie ontbrak. Het hof constateerde dit verzuim, maar vond dat verdachte hierdoor geen concreet nadeel had ondervonden en volstond met deze constatering.

Het hof achtte het bewezen dat verdachte de fatbike met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen. Gezien de recidive van verdachte en de ernst van het feit legde het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van 27 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest had doorgebracht.

Daarnaast gelastte het hof de teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan verdachte. Verdachte verscheen niet ter zitting en maakte gebruik van zijn zwijgrecht. Het vonnis is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 12 maart 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 27 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest voor diefstal van een fatbike.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003820-25
Uitspraakdatum: 12 maart 2026
VERSTEK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 3 september 2025 met parketnummer 18-221756-25 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende te [woonadres]

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 26 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt dat verdachte wordt veroordeeld voor het tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met aftrek van voorarrest en dat de inbeslaggenomen goederen, te weten een betonschaar en een sporttas, aan verdachte worden teruggegeven. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Het vonnis

De politierechter heeft verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken en de teruggave gelast van de inbeslaggenomen goederen, te weten een betonschaar en een sporttas.
Het hof komt tot een ander oordeel met betrekking tot het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te [plaats] , gemeente [gemeente] een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek

Het hof constateert dat verdachte op 7 augustus 2025 “op heterdaad” is aangehouden te [plaats2] als verdachte van diefstal van een fatbike. Uit het dossier volgt dat op die dag onder verdachte een fatbike is aangetroffen, welke een dag eerder, op 6 augustus 2025, is weggenomen vanaf een bedrijventerrein te [plaats] .
In een proces-verbaal van bevindingen hebben verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] beschreven dat zij ten tijde van de aanhouding in de veronderstelling verkeerden dat het een heterdaad-situatie betrof, maar dat zij later hoorden dat de fatbike al op een eerder moment was gestolen. Daarom is de aanhouding van verdachte op 8 augustus 2025 alsnog direct aan de officier van justitie gemeld.
Het hof stelt vast dat ten tijde van de aanhouding van verdachte op 7 augustus 2025 geen sprake was van een heterdaad-situatie met betrekking tot de diefstal van de fatbike en dat daarom ten onrechte geen voorafgaande toestemming van een officier van justitie is verkregen voor het verrichten van de aanhouding. Dit betreft een vormverzuim en dat is ook door de dienstdoende verbalisanten onderkend, waarna alsnog een officier van justitie over de aanhouding is ingelicht. Nu verdachte op 7 augustus 2025 onder invloed van alcohol en in het bezit van een gestolen fatbike is aangetroffen, was aanhouding op heterdaad op verdenking van heling op dat moment mogelijk geweest. Gelet op het voorgaande heeft verdachte geen concreet nadeel ondervonden ten gevolge van het vormverzuim. Het hof zal daarom volstaan met de enkele constatering van het verzuim.

Bewijsoverweging

Verdachte wordt verweten dat hij op 6 augustus 2025 te [plaats] een fatbike heeft gestolen. Het dossier bevat een aangifte van [slachtoffer] , waaruit volgt dat zijn fatbike op voornoemde dag is weggenomen van het terrein [naam1] te [plaats] , waar aangever zijn fatbike bij de winkel (het hof begrijpt: “ [naam2] ”) had geparkeerd. Door de politie zijn camerabeelden van 6 augustus 2025 verkregen van binnen in de winkel en van een gedeelte van het terrein buiten de winkel. Deze beelden zijn beschreven in het dossier. Ook bevat het dossier enkele ‘stills’ van de beelden.
Op de beelden binnen de winkel wordt gezien dat een manspersoon de winkel binnen komt lopen gekleed in een korte blauwe broek, witte sokken en witte sportschoenen met 3 donkere strepen, blauw trainingsjack met witte banden op de schouders tot halverwege de armen en op de linkerborst van het jack een teken van 'Under Armour' en een blauwe pet. Het gaat om een blanke man met een stevig sportief postuur (sportschooltype).
Op de beelden buiten het bedrijf wordt gezien dat dezelfde persoon naar de fietsen loopt, daar wat rommelt aan de voorzijde van een fiets en kort daarna op deze fiets wegrijdt en het terrein verlaat.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof waargenomen dat de foto van verdachte uit gegevens van de strafrechtdatabank (SKDB) op meerdere onderdelen gelijkenissen vertoont met de persoon die is afgebeeld op een ‘still’ van de camerabeelden binnen in de winkel, die op pagina 24 van het dossier is opgenomen. De overeenkomsten tussen de afgebeelde personen betreffen de vorm van de mond, de smalle lippen, de vorm van de zichtbare wenkbrauw, het overhangende ooglid, de vorm van de op de ‘still’ zichtbare oorlel en de hechting van die oorlel aan de huid van de kaak.
Een dag nadat de fatbike is weggenomen, wordt verdachte aangehouden te [plaats2] en is hij in het bezit van weggenomen fatbike. Bij zijn politieverhoor herkent verbalisant [verbalisant3] verdachte aan zijn gelaat, dezelfde norse blik en de opvallende deuk in zijn kin als de persoon die op fotografische opnamen van het bedrijf “ [naam2] ” te zien is. Ook op de bewegende beelden van het eerdere moment binnen in het bedrijf herkent [verbalisant3] verdachte, nu aan de hand van een overeenkomende tatoeage op het rechterscheenbeen.
Het hof stelt op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, vast dat verdachte degene is geweest die op 6 augustus 2025 de fatbike van aangever heeft weggenomen. Het hof acht het tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 6 augustus 2025 te [plaats] een fatbike, die aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich op klaarlichte dag schuldig gemaakt aan diefstal van een fatbike. Hij heeft daarmee laten zien geen respect te hebben voor het eigendom van anderen en heeft puur gehandeld met het oog op eigen financieel gewin.
Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 29 januari 2026, waaruit blijkt dat hij in de afgelopen jaren meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Over de persoon van verdachte is weinig bekend geworden, nu hij zich bij zijn verhoren bij de politie en de rechter-commissaris en ter zitting bij de politierechter telkens op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Ook met de reclassering heeft verdachte niet in gesprek willen gaan en ter zitting in hoger beroep is hij niet verschenen. Het hof constateert dat verdachte een adres heeft in [land] , maar ook dat hij in de afgelopen jaren is veroordeeld voor feiten die op verschillende plaatsen in Nederland zijn gepleegd. Van bijzondere persoonlijke omstandigheden die tot strafverzwaring dan wel strafmatiging moeten leiden, is het hof niet gebleken.
Gelet op de aard en ernst van het feit en op de recidive van verdachte, acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en noodzakelijk. Het hof ziet in deze zaak geen aanleiding om een langere vrijheidsstraf op te leggen dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof zal daarom een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 27 dagen, met aftrek van voorarrest.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op artikel 310 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
27 (zevenentwintig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. STK Betonschaar;
1. STK Sporttas.
Gelast de
teruggave aan de rechthebbendevan de in beslag genomen (reeds teruggegeven) Don Souris Fatbike type Capo in de kleur blauw.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Fuhler, mr. T.H. Bosma, en mr. J.F.C. Schnitzler, in aanwezigheid van de griffier D.D. Drost en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 12 maart 2026.