ECLI:NL:GHARL:2026:1543

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
21-002226-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 lid 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 123b Wegenverkeerswet 1994Art. 14a Wetboek van StrafrechtArt. 14b Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor rijden met ongeldig rijbewijs en onder invloed van cannabis

Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het besturen van een personenauto op 3 oktober 2024 terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en hij onder invloed was van een te hoge concentratie THC in zijn bloed. De politierechter had hem reeds veroordeeld, maar het hof vernietigde het vonnis om redenen van doelmatigheid en deed opnieuw recht.

De bewijsmiddelen bestonden uit waarnemingen van verbalisanten die verdachte als bestuurder herkenden, het aantreffen van zijn telefoon in het voertuig, en het feit dat verdachte kort na het verlaten van het voertuig werd aangetroffen. Verdachte ontkende, maar zijn verklaringen waren tegenstrijdig en niet geloofwaardig. Het hof achtte de identificatie betrouwbaar en stelde vast dat verdachte de feiten had begaan.

Het hof hield rekening met de ernst van de feiten, de herhaalde overtredingen van verdachte, zijn verslavingsproblematiek en positieve ontwikkelingen. De opgelegde straf bestond uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken met een proeftijd van 2 jaar, een taakstraf van 60 uur subsidiair 30 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor 10 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf werd afgewezen vanwege de positieve ontwikkeling van verdachte. Het arrest werd uitgesproken door het hof op 12 maart 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken, taakstraf van 60 uur en voorwaardelijke ontzegging rijbevoegdheid van 10 maanden.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002226-25
Uitspraakdatum: 12 maart 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 7 mei 2025 met parketnummer 96-005602-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 96-156788-22, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van zitting van het hof van 26 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt dat het vonnis van de politierechter wordt bevestigd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.G. Knegt, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft verdachte veroordeeld voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 2 jaren, tot een taakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis en tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 10 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij, op of omstreeks 3 oktober 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [naam] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;
2.
hij, op of omstreeks 3 oktober 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 3,2 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;
3.
hij, op of omstreeks 3 oktober 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] , op de weg, [naam] , als bestuurder een motorrijtuig (personenauto), van categorie B heeft bestuurd, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid had verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde voorwaarden, en aan hem geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 oktober
2024, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met
nummer PLO [proces-verbaal nummer] d.d. 11 december 2024, inhoudende als relaas van
verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] dan wel één hunner, zakelijk weergegeven:
Op 3 oktober 2024 reden wij op de [naam] te [plaats] . Wij zagen een Audi met
kenteken [kenteken] ons tegemoet rijden. Wij keken in de ogen van de bestuurder,
hierbij kregen wij een onderbuikgevoel en hebben ons dienstvoertuig gedraaid voor
een verkeerscontrole. Wij zagen het voertuig geparkeerd staan aan de [naam2]
te [plaats] . Wij zagen dat er geen bestuurder meer in het voertuig zat. Wij, hebben
ter plaatse onderzoek gedaan in onze politiesystemen (MEOS). Wij zagen dat de auto
op naam stond van ene [naam3] . De RDW foto van [naam3] kwam niet
overeen met de bestuurder die wij enkele minuten daarvoor hadden zien rijden. Na
verder onderzoek zagen wij door het raam van het stilstaande voertuig een
kentekenplaat [kenteken2] op de achterbank liggen. Wij hebben dit kenteken [kenteken2]
door onze politiesystemen gehaald. Wij zagen dat er een AOL op dit voertuig was opgemaakt. Aan deze AOL waren twee personen gekoppeld, van wie [verdachte] er één was. Toen wij [verdachte] door onze politiesystemen haalden hebben we gekeken naar de RDW en SKDB foto. Wij herkenden [verdachte] honderd procent als
de bestuurder die wij zonet hadden zien rijden. Ik [verbalisant1] , heb toen [verdachte]
gebeld op het nummer ( [telefoonnummer] ), dat bij ons bekend was in ons politiesysteem
(MEOS). Ik zag dat er een telefoon af ging in het desbetreffende voertuig. Hieruit
kon ik concluderen dat de telefoon van [verdachte] in het voertuig lag. Wij hebben
een zoekslag gemaakt in het gebied. Op het moment dat wij het voertuig [kenteken]
weer zagen, zagen wij, twee personen wegrennen vanuit de richting van het voertuig.
Ik, verbalisant [verbalisant2] , zag [verdachte] vervolgens uit een [naam4]
lopen in de richting van verbalisant. Ik riep direct tegen [verdachte] dat hij
aangehouden was voor het besturen van een voertuig met ongeldig verklaard
rijbewijs.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen
d.d. 2 december 2024 opgenomen op pagina 9 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende
als relaas van verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] met betrekking tot bloedonderzoek:
Op 3 oktober 2024 heeft verpleegkundige [verpleegkundige] bloed afgenomen bij verdachte in
het bijzijn van verbalisant [verbalisant1] . Het afgenomen bloed is door verbalisant [verbalisant2]
in de voorgeschreven verpakking, gewaarmerkt, direct verpakt en
verzegeld verzonden naar het Maasstad Ziekenhuis te Rotterdam voorzien van een
genummerde en op naam gestelde SIN-sticker [Sin-sticker] .
3. Een schriftelijk stuk, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Maasstad Ziekenhuis, zaaknummer [zaaknummer] , d.d. 15 oktober 2024 opgemaakt door dr. [naam5] , opgenomen op pagina 42 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende:
Aangewezen stof
Meetbare stof
Eindresultaat in bloed
[Sin-sticker]
Cannabis
THC
3.2 microgram per
liter
4. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van het Openbaar Ministerie van 19 juni
2023, in persoon betekend op 21 juli 2023, inhoudende de mededeling dat het rijbewijs van rechtswege ongeldig is geworden:
U bent door de politierechter te Groningen op 23 mei 2023 veroordeeld. Het vonnis is onherroepelijk geworden op 7 juni 2023. Uw rijbewijs is op basis van artikel 123b WVW1994 ongeldig geworden op de datum dat het vonnis onherroepelijk is geworden.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte
d.d. 3 oktober 2024 opgenomen op pagina 21 e.v. van voornoemd dossier inhoudende de
verklaring van verdachte voor zover inhoudende:
Ik weet dat ik geen rijbewijs heb en dat mijn rijbewijs ongeldig is verklaard.
6. Een schriftelijk bescheid, te weten een registerbevraging van de Politie op 22 oktober
2024 van de rijbewijsgegevens van verdachte [verdachte] geboren [geboortedag] 1998, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier voor zover inhoudend:
rijbewijs categorie B vanaf 2 maart 2022 ongeldig;
rijbewijs categorie AM en B vanaf 19 juni 2023 ongeldig van rechtswege.

Bewijsoverweging

Verdachte wordt kortgezegd verweten dat hij op 3 oktober 2024 een personenauto heeft bestuurd, terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en zijn geldigheid had verloren (feiten 1 en 3) en terwijl hij een te hoge concentratie THC in zijn bloed had (feit 3).
Verdachte heeft ontkend dat hij op voornoemde datum een personenauto heeft bestuurd. Namens hem is dan ook vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de herkenning van verdachte door verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] niet betrouwbaar is en daarom niet voor het bewijs kan worden gebruikt.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. Verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] hebben op 3 oktober 2024 op de [naam] te [plaats] een Audi met kenteken [kenteken] hen tegemoet zien rijden. Zij keken de bestuurder in de ogen en kregen een onderbuikgevoel. Zij zijn daarop gekeerd om een verkeerscontrole uit voeren. Zij hebben vervolgens het voertuig geparkeerd en onbemand aangetroffen aan de [naam2] te [plaats] .
Verbalisanten hebben eerst getracht de naam van de bestuurder te achterhalen door het kenteken van het voertuig na te trekken. Dit kenteken stond op naam van ene [naam3] , maar de RDW-foto van deze persoon bleek niet overeen te komen met de persoon die verbalisanten als bestuurder hadden zien rijden.
In het voertuig lag, door het raam zichtbaar, een kentekenplaat met kenteken [kenteken2] op de achterbank. Uit onderzoek in de politiesystemen bleek dat deze kentekenplaat gekoppeld was aan [naam6] en [verdachte] . Verbalisanten hebben vervolgens op een bijbehorende foto in het kentekenregister [verdachte] (hierna: verdachte) herkend als degene die zij even daarvoor als bestuurder van het voertuig hadden gezien. Vervolgens hebben verbalisanten een van verdachte bekend telefoonnummer gebeld en zagen zij in het voertuig op dat moment een telefoon overgaan.
Verbalisanten zijn gaan zoeken in de omgeving van het voertuig nadat ze zijn gekeerd. Op het moment dat zij het voertuig vervolgens weer in het zicht krijgen, zien zij twee personen wegrennen vanuit de richting van het voertuig in de richting van de [naam7] . Eén van deze personen is op de [naam7] te [plaats] aangetroffen en zij bleek [naam6] te zijn, naast [verdachte] de andere persoon die aan het kenteken in de auto gekoppeld is. Zij heeft toen gezegd dat ze haar tas uit de auto heeft gepakt en heeft in de richting gewezen waar verdachte naar toe is gerend, waarna verbalisanten ook verdachte hebben aangetroffen en aangehouden. Hoewel uit het dossier niet volgt hoeveel tijd er precies is verstreken tussen het aantreffen van het onbemande voertuig, de zoektocht in de omgeving en vervolgens de waarneming van verdachte en [naam6] bij het voertuig, stelt het hof vast dat dit tijdsverloop in elk geval beperkt moet zijn geweest. Uit openbare bronnen volgt immers dat de [naam] , de [naam2] en de [naam7] te [plaats] zich op korte afstand van elkaar bevinden en de afstanden derhalve in korte tijd te overbruggen zijn.
Verdachte is over bovengenoemde bevindingen bevraagd en heeft op verschillende onderdelen wisselend verklaard over zijn aanwezigheid in dan wel nabij het voertuig. Zo heeft hij bij zijn politieverhoor verklaard dat zijn telefoon in de auto lag omdat hij een dag eerder in de auto had zitten ‘chillen’ als bijrijder van de jongen van wie de auto is en dat hij, op het tijdstip waarop de verbalisanten de bestuurder zagen rijden, bij zijn schoonmoeder thuis zat. Dat hij werd aangetroffen door de politie was omdat hij met zijn [naam6] even aan het wandelen was. Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte daarentegen verklaard dat hij op de dag van zijn aanhouding in de auto heeft gezeten met een persoon met wie hij die dag had gewerkt, niet zijnde de kentekenhouder van het voertuig. Die niet nader genoemde persoon zou verdachte hebben afgezet en zijn weggereden, maar daarna weer zijn teruggekeerd om de telefoon van verdachte, die nog in de auto lag, terug te brengen. Vervolgens zou die persoon zijn weggerend voor de politie omdat ook hij niet over een geldig rijbewijs beschikte, waarop verdachte zelf ook maar heeft besloten om weg te rennen. Het hof constateert dat beide verklaringen van verdachte niet goed met elkaar te rijmen zijn en dat bovendien de verklaring ter zitting in hoger beroep niet past bij de waarneming van verbalisanten die twee personen, naar later bleek verdachte en [naam6] , hebben zien wegrennen, en geen derde persoon hebben gezien. Het hof acht de verklaringen van verdachte, gelet op deze wisselingen en tegenstrijdigheden, niet geloofwaardig.
Het hof ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid en de juistheid van de hiervoor beschreven identificatie van verdachte te twijfelen. Weliswaar hebben de verbalisanten geen gedetailleerde beschrijving gegeven van de persoon die zij als bestuurder in de Audi hebben zien rijden, maar de vergelijking van die bestuurder met de foto van verdachte in het kentekenregister heeft slechts enkele minuten later plaatsgevonden. Die identificatie vindt vervolgens objectieve bevestiging in de constatering dat de telefoon van verdachte in het voertuig lag en in de omstandigheid dat verdachte niet lang daarna nabij het voertuig wordt gezien. Dat verdachte vervolgens is weggerend van de politie, duidt naar uiterlijke verschijningsvorm op vluchtgedrag. Dit sterkt het hof in de overtuiging dat verdachte inderdaad de bestuurder is geweest.
Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat het rijbewijs van verdachte ongeldig was verklaard en zijn geldigheid had verloren, en dat verdachte dat ook wist. Ook blijkt daaruit dat verdachte een te hoge THC-waarde in zijn bloed had. Het hof acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op 3 oktober 2024 te [plaats] , terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, [naam] , als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie heeft bestuurd;
2.
hij op 3 oktober 2024 te [plaats] , een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 3,2 microgram THC per liter bloed bedroeg, een gehalte hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;
3.
hij op 3 oktober 2024 te [plaats] , op de weg, [naam] , als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van categorie B heeft bestuurd, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid had verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde voorwaarden, en aan hem geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 en 3 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van telkens overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straffen

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft een personenauto bestuurd, terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en zijn geldigheid had verloren, en terwijl hij onder invloed was van een te hoge concentratie THC in zijn bloed. Door aldus te handelen heeft verdachte zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend. Verdachte heeft zijn eigen belangen voorrang gegeven boven het maatschappelijk belang van de verkeersveiligheid. Bovendien heeft hij blijk gegeven aan het handelen van het bevoegd gezag onvoldoende gewicht toe te kennen.
Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 29 januari 2026, waaruit blijkt dat verdachte meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Daarbij valt op dat verdachte zich voornamelijk in het jaar 2024 aan dergelijke feiten schuldig heeft gemaakt, terwijl het in de periode daarvóór en daarna minder lijkt voor te komen. De nu bewezenverklaarde feiten zijn eveneens gepleegd in 2024.
Uit een reclasseringsrapport van 20 maart 2025 komt naar voren dat verdachte met verslavingsproblematiek kampte, dat hij zijn baan verloor en daardoor minder inkomsten had, en dat verdachte vermoedelijk niet over voldoende vaardigheden beschikt om op adequate wijze met tegenslagen om te gaan. Verdachte heeft dit ter zitting in hoger beroep in grote lijnen bevestigd en heeft daaraan toegevoegd dat hij een tijd lang “een beetje ontspoord” was, maar dat het nu beter met hem gaat. Verdachte zegt te zijn gestopt met drugsgebruik. Hij bevindt zich in de afrondende fase van een behandeling bij Verslavingszorg Noord-Nederland en heeft nog tot 2028 een meldplicht bij de reclassering in verband met een eerder opgelegde straf. Ook heeft hij nog een eerder opgelegde taakstraf te voltooien. Daarna is hij van plan zijn eigen timmerbedrijf weer op te starten en heeft hij inmiddels weer een rijbewijs gehaald.
Het hof heeft ter terechtzitting de indruk gekregen dat verdachte na een moeilijke periode zijn leven weer op een positieve en zinvolle wijze wil vormgeven. Dat maakt naar het oordeel van het hof echter niet dat de nu bewezenverklaarde feiten uit 2024 onbestraft kunnen blijven. Het hof is van oordeel dat de eerder door de politierechter opgelegde straffen recht doen aan de hiervoor beschreven omstandigheden. Het hof ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken en acht oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 2 jaren, met daarnaast een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis, passend en noodzakelijk. Ook zal het hof verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van 10 maanden met eveneens een proeftijd van 2 jaren.

Vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 96-156788-22 is verdachte op 23 mei 2023 door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren.
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 25 februari 2025 de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf gevorderd. Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich – overeenkomstig de officier van justitie in eerste aanleg - op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.
Het hof wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, omdat het hof tenuitvoerlegging van de straf in de onderhavige zaak niet opportuun acht, gelet op hetgeen hierboven met betrekking tot de persoon van verdachte is overwogen. Afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging doet daarmee recht aan de positieve ontwikkeling die verdachte thans doormaakt.

Wetsartikelen

De straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 9, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
10 (tien) maanden.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Wijst afde vordering van de officier van justitie van 25 februari 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 23 mei 2023 in de zaak met parketnummer 96-156788-22 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Fuhler, mr. T.H. Bosma, en mr. J.F.C. Schnitzler, in aanwezigheid van de griffier, D.D. Drost, en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 12 maart 2026.