ECLI:NL:GHARL:2026:1550

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
21-005139-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verwijzing na Hoge Raad
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 261 SvArt. 423 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen nietigverklaring dagvaarding valsheid documenten

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de politierechter in Zwolle, waarin de dagvaarding nietig werd verklaard wegens onvoldoende feitelijke omschrijving van valsheid. De officier van justitie had hoger beroep ingesteld tegen deze nietigverklaring.

Het hof heeft de tenlastelegging en het procesdossier beoordeeld en geoordeeld dat de dagvaarding voldoende feitelijk is omschreven, met duidelijke aanduiding van tijd, plaats en de betrokken geschriften, waaronder loonstroken en een werkgeversverklaring van een bedrijf. Hierdoor was voor verdachte voldoende duidelijk welk strafrechtelijk verwijt hem werd gemaakt.

De verdediging had betoogd dat de dagvaarding onvoldoende was, maar het hof verwierp dit standpunt. Omdat de politierechter ten onrechte niet op de inhoud van de zaak heeft beslist, vernietigt het hof het vonnis en wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het hof op 11 maart 2026 te Zwolle, waarbij ook de advocaat-generaal en de raadsman van verdachte hun standpunten hebben toegelicht.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de politierechter en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005139-24
Uitspraakdatum: 11 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 13 november 2024 met parketnummer 84-313479-22 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 25 februari 2026 en wat op de zitting bij de politierechter is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.G. Eckhardt, hebben aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de politierechter moet worden bevestigd. In de tenlastelegging is niet verfeitelijkt waaruit de ‘valsheid’ zou hebben bestaan. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, nu verdachte anders een feitelijke behandeling wordt onthouden.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de ‘valsheid’ in de tenlastelegging niet verder feitelijk omschreven hoeft te worden en dat de dagvaarding voldoende feitelijk is en voldoet aan de vereisten van artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De advocaat-generaal stelt dat het wellicht de voorkeur geniet dat de zaak na vernietiging van het vonnis wordt teruggewezen naar de rechtbank teneinde de zaak inhoudelijk te behandelen, omdat de verdachte anders een feitelijke instantie zou mislopen.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt dat bij de beoordeling of een tenlastelegging een voldoende opgave van het feit en de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan behelst in de zin van artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het gaat om de beantwoording van de vraag of op grond van de in de tenlastelegging gebezigde bewoordingen -indien deze worden gelezen in samenhang met het procesdossier- voor de verdachte voldoende duidelijk was welk strafrechtelijk verwijt hem wordt gemaakt en welke concrete feitelijke gedragingen hem in verband daarmee worden verweten.
In de tenlastelegging zijn opgenomen, tijd en plaats van het feit en ook de geschriften waarom het gaat zijn feitelijk omschreven, te weten: loonstroken afkomstig van [bedrijfsnaam] en een werkgeversverklaring afkomstig van [bedrijfsnaam] . Verder is in de tenlastelegging opgenomen dat deze geschriften zijn ingediend (gebruikt) bij de ING-bank om als bewijs te dienen van enig feit als waren deze echt en onvervalst.
Indien de dagvaarding wordt gelezen
in samenhang met het dossieris daarmee naar het oordeel van het hof voor verdachte voldoende duidelijk geworden wat hem wordt verweten en om wat voor concrete feitelijke gedragingen het daarbij gaat. Het hof concludeert dat de dagvaarding voldoet aan de daaraan te stellen eisen van art. 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering. In eerste aanleg hebben de advocaat en verdachte ook laten blijken dat zij begrijpen waarover het gaat en dat het strafrechtelijk verwijt dat verdachte wordt gemaakt duidelijk was.
Naar het oordeel van het hof had de politierechter de dagvaarding niet nietig mogen verklaren. Het vonnis van de politierechter wordt daarom vernietigd.
Nu ten onrechte niet op de hoofdzaak is beslist en zowel de verdediging als de advocaat-generaal hebben verzocht om terugwijzing naar de rechtbank die de zaak in eerste aanleg behandelde, wijst het hof op de voet van artikel 423, tweede lid, Sv de zaak terug naar de rechtbank Overijssel, met inachtneming van het arrest van dit hof.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep.
Wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank Overijssel, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Aldus gewezen door
mr. K.J.C. Geeve, voorzitter,
mr. A.J. Smit en mr. H. Heins, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.A. Dunnink, griffier,
en op 11 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.