De kantonrechter in Zutphen wees op 1 mei 2025 het verzoek van de verzoeker af om de bewindvoerder en mentor te ontslaan. De verzoeker ging hiertegen in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
De verzoeker stelde dat het vertrouwen in de bewindvoerder was verdwenen, wat volgens vaste rechtspraak een gewichtige reden kan zijn voor ontslag. De bewindvoerder stelde dat de samenwerking tot eind 2024 goed verliep, maar dat de mentale achteruitgang van de verzoeker en zijn middelengebruik de situatie bemoeilijkten.
Het hof oordeelde dat de verzoeker onvoldoende concrete voorbeelden gaf van een vertrouwensbreuk en dat het wisselende vertrouwen samenhing met zijn psychische gesteldheid. De bewindvoerder behartigt de belangen van de verzoeker naar behoren, de financiële situatie is stabiel en er is goed contact. Daarom zijn er geen gewichtige redenen voor ontslag. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en wees het beroep af.