Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1596

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
200.358.933
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 lid 1 onder a en b BWArt. 810a lid 2 RvArt. 3 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 20 Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag over minderjarige met complexe problematiek bevestigd

De rechtbank Overijssel heeft het gezag van de moeder over haar zoon, geboren in 2020, beëindigd en de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel tot voogd benoemd. De minderjarige woont sinds april 2022 bij gezinshuisouders en heeft ernstige gezondheids- en ontwikkelingsproblemen als gevolg van verwaarlozing en mogelijk seksueel misbruik. Sinds november 2022 is er een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing.

De moeder ging in hoger beroep tegen de beslissing en verzocht aanvankelijk om een deskundigenonderzoek naar haar en haar moeder, later alleen naar haar eigen opvoedcapaciteiten. Het hof wees dit verzoek af omdat een dergelijk onderzoek te belastend zou zijn voor de minderjarige, die intensieve professionele zorg en begeleiding nodig heeft. Bovendien is er sinds februari 2025 geen omgang tussen moeder en kind vanwege de heftige reacties van het kind.

Het hof oordeelt dat het gezag terecht is beëindigd omdat de moeder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn kan hervatten. Het belang van het kind staat voorop, waarbij duidelijkheid over de woonplaats en een veilige hechtingsomgeving essentieel zijn. De gezinshuisouders bieden deze stabiliteit en professionele zorg. De moeder blijft een rol in het leven van het kind behouden, ondanks het verlies van het gezag. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de moeder en wijst het verzoek tot deskundigenonderzoek af wegens het belang van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.358.933
zaaknummer rechtbank Overijssel 331009
beschikking van 17 maart 2026
over de beëindiging van het gezag over
[de minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. T.R. Oude Veldhuis
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
die is gevestigd in Almelo
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel(de GI)
die is gevestigd in Hengelo
en
[belanghebbende1] en [belanghebbende2](de gezinshuisouders)
die wonen in [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam]

1.1. Samenvatting

De rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft het gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd en de GI tot voogd van [de minderjarige] benoemd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder heeft een zoon: [de minderjarige] (geboren [in] 2020 in Almelo).
2.2.
Tot de beslissing van de rechtbank had de moeder het gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] woont vanaf april 2022 bij de gezinshuisouders.
2.4.
Er is sinds 14 november 2022 een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing bij de gezinshuisouders voor [de minderjarige] .

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogd van [de minderjarige] te benoemen.
3.2.
De rechtbank heeft de verzoeken van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 10 juni 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt. Als dat verzoek niet direct wordt toegewezen, dan wil de moeder dat het hof in een tussenbeslissing een deskundige benoemt om de opvoedcapaciteiten en de opvoedmogelijkheden van de moeder en oma (moederszijde) samen te onderzoeken, voordat het hof een eindbeslissing neemt. Op de mondelinge behandeling heeft de moeder haar verzoek gewijzigd, in die zin dat zij wil dat alleen haar opvoedcapaciteiten en haar opvoedmogelijkheden worden onderzocht.
4.2.
De raad en de GI willen dat de beslissing in stand blijft.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift van de raad
4.4.
De zitting bij het hof was op 10 februari 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad
  • een vertegenwoordiger van de GI
  • de gezinshuisouders

5.Het oordeel van het hof

5.1.
Het hof zal een eindbeslissing geven over de beëindiging van het gezag. Het hof zal het verzoek van de moeder om eerst een deskundige te benoemen, afwijzen. Het hof legt hieronder uit waarom.
Deskundigenonderzoek
5.2.
In een zaak over de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, benoemt de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, op voorwaarde dat het deskundigenonderzoek mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. [1]
5.3.
[de minderjarige] kampt met PTSS, hechtingsproblemen, ernstige darmproblemen (voortkomend uit zware verwaarlozing en/of seksueel misbruik) en ernstige trauma gerelateerde klachten. Uit de stukken en uit wat de raad, de GI en de gezinshuisouders aan het hof hebben verteld, concludeert het hof dat alle zeilen moeten worden bijgezet om [de minderjarige] tot ontwikkeling te laten komen. [de minderjarige] heeft naast zijn professionele opvoeders (de gezinshuisouders) veel andere hulpverleners om zich heen: van [naam1] , van zijn cluster 4 basisschool en van een organisatie voor kinderen met FASD. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden er bij [de minderjarige] geen ruimte is om hem en de moeder (en hun onderlinge verhouding) te laten onderzoeken. Een onderzoek is voor [de minderjarige] te belastend.
5.4.
Daar komt bij dat er al sinds februari 2025 geen omgang is tussen de moeder en [de minderjarige] , omdat [de minderjarige] zo heftig op de moeder reageert. De moeder heeft aan het hof verteld dat zij en [de minderjarige] elkaar twee dagen na de mondelinge behandeling weer voor het eerst zouden zien, maar dat die afspraak is afgezegd omdat het niet goed gaat met [de minderjarige] . De gezinshuismoeder en de GI hebben verteld dat nog niet duidelijk is wanneer de omgang wel kan plaatsvinden, maar de hoop is dat dat in maart 2026 zal zijn. Het hof overweegt – net als de rechtbank – dat als een deskundige goed onderzoek wil kunnen doen naar de verhouding tussen de moeder en [de minderjarige] en naar de opvoedvaardigheden van de moeder, er dan periodes zullen moeten komen waarin die deskundige de moeder en [de minderjarige] gedurende langere tijd samen observeert. In deze situatie, waarin niet bekend is wanneer en in welke vorm en mate de omgang zou kunnen plaatsvinden, is een (intensief) onderzoek waarbij [de minderjarige] en de moeder gedurende langere tijd samen geobserveerd zouden moeten worden, niet in het belang van [de minderjarige] .
5.5.
De moeder heeft op de mondelinge behandeling nog toegelicht dat zij vooral behoefte heeft aan een onderzoek naar de vraag of het aan haar heeft gelegen dat [de minderjarige] trauma’s heeft. Het hof overweegt dat als de moeder onderzocht wil hebben wat haar rol is geweest, hiervoor andere mogelijkheden zijn, zoals een persoonlijkheidsonderzoek bij de moeder. Dit kan de moeder (via de huisarts) zelf regelen. Hiervoor is een deskundigenonderzoek waarbij ook [de minderjarige] wordt betrokken niet nodig.
5.6.
Het hof is van oordeel dat het belang van [de minderjarige] zich verzet tegen een deskundigenonderzoek en wijst dit verzoek van de moeder daarom af.
Gezagsbeëindiging
5.7.
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt. [2]
5.8.
Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen. [3]
5.9.
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat het gezag van de moeder over [de minderjarige] moet worden beëindigd. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over, maakt deze na eigen onderzoek tot de zijne en voegt hieraan het volgende toe.
Zoals de rechtbank heeft overwogen, kunnen er redenen zijn om het gezag niet te beëindigen, ondanks dat aan de hiervoor genoemde wettelijke grondslag is voldaan. Die ruimte is mede ontstaan door de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). De moeder stelt dat niet is gebleken dat voortzetting van de familieband voor [de minderjarige] schadelijk is. Zij verwijst hierbij naar twee uitspraken van het EHRM. [4] Het hof overweegt dat uit die uitspraken volgt dat van gezagsbeëindiging alleen sprake kan zijn als is gebleken dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind, maar ook dat de belangen van het kind en die van de ouders tegen elkaar moeten worden afgewogen.
Zoals hiervoor al is geschreven, is [de minderjarige] in de eerste anderhalf jaar van zijn leven beschadigd. [de minderjarige] heeft daardoor ernstige problemen die hij waarschijnlijk, zo volgt uit het raadsrapport, zijn hele leven zal houden. [de minderjarige] moet daarom bij zijn ontwikkeling worden ondersteund door professionele hulpverleners. De moeder kan (als niet-professional) deze ondersteuning niet bieden. Het hof is daarom van oordeel dat de moeder de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. Daarbij is het – zoals in het raadsrapport staat – voor [de minderjarige] belangrijk dat hij vanuit een gespecialiseerde opvoedsetting wordt begeleid en groot mag worden en zijn behandeling kan volgen. De gezinshuisouders bieden hem deze setting en weten adequaat om te gaan met [de minderjarige] en zijn complexe problematiek en zij zijn daarnaast zijn veilige gehechtheidsfiguren.
Ook is het voor [de minderjarige] belangrijk dat hij weet dat hij bij de gezinshuisouders mag opgroeien. [de minderjarige] vraagt regelmatig aan de gezinsmoeder of hij bij de gezinshuisouders mag blijven wonen. Onduidelijkheid over zijn woonplek vormt een risico voor de ontwikkeling van [de minderjarige] , omdat hij zich hierdoor mogelijk niet voldoende kan richten op zijn eigen ontwikkeling. Vanwege de ernstige zorgen over [de minderjarige] is het essentieel dat hij zich veilig kan hechten aan de gezinshuisouders.
De moeder vraagt te laten zien welke gezagsbeslissingen zij zou hebben tegengehouden. Het hof vindt het antwoord daarop niet van doorslaggevend belang bij zijn oordeel. Het zwaartepunt ligt naar het oordeel van het hof bij de hiervoor genoemde belangen. Het hof vindt dat daaruit volgt dat het belang van [de minderjarige] bij gezagsbeëindiging zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij het behoud van het gezag.
5.10.
Op de mondelinge behandeling heeft de moeder aan het hof verteld dat – ook als zij haar gezag behoudt – [de minderjarige] bij de gezinshuisouders kan blijven wonen. Het hof vindt het positief dat de moeder achter het verblijf van [de minderjarige] bij de gezinshuisouders staat, maar dat maakt het oordeel van het hof niet anders. Anders dan de moeder, is het hof van oordeel dat gezagsbeëindiging nodig is om [de minderjarige] duidelijkheid te geven over waar hij zal opgroeien. Het hof verwijst naar wat hierover in de vorige rechtsoverweging 5.9. staat.
Dat de moeder bang is dat zij meer naar de achtergrond zal verdwijnen als zij geen gezag meer heeft, maakt het oordeel van het hof ook niet anders. Daarbij overweegt het hof – ten overvloede – dat die angst ongegrond lijkt. Zowel de moeder als de gezinshuisouders als de GI hebben aan het hof verteld dat hun onderlinge samenwerking goed is. Zij hebben een WhatsApp groep waarin zij foto’s van en berichten over [de minderjarige] met elkaar delen. Verder zien de moeder, de GI en de gezinshuisouder elkaar (in aanwezigheid van de hulpverlener van de moeder) tijdens koffiemomenten die regelmatig worden gehouden. Ook heeft de gezinshuismoeder verteld dat in het gezinshuis met [de minderjarige] veel over de moeder wordt gesproken. De gezinshuisouders hebben op de mondelinge behandeling aan het hof verteld dat de moeder voor [de minderjarige] belangrijk is en dat de gezinshuisouders willen dat de moeder een rol blijft spelen in het leven van [de minderjarige] . Zij zullen zich daarvoor blijven inzetten.
5.11
Het hof zal de beslissing van de rechtbank in stand laten (bekrachtigen).

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 10 juni 2025;
6.2.
wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, H. Phaff, en A.L.H. Ernes, en is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
2.Artikel 1:266 lid 1 onder Pro a en b van het Burgerlijk Wetboek
3.Artikel 3 en Pro artikel 20 Verdrag Pro inzake de rechten van het kind
4.N.P./ Moldavië en Strand Lobben/ Noorwegen