Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1605

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
200.356.800
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:195 lid 1 BWArt. 2:195 lid 7 BWArt. 2:198 lid 6 BWArt. 3:251 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot buiten toepassing verklaring blokkeringsregeling pandhouder aandelen

Placere Placet verstrekte een lening van vijf miljoen euro aan [verweerder1], met pandrecht op aandelen in [verweerder3] als zekerheid. Door wanbetaling wenste Placere Placet haar pandrecht uit te winnen door de aandelen aan zichzelf te verkopen, maar stuitte op een statutaire blokkeringsregeling die overdracht aan mede-aandeelhouders verplicht stelt.

De voorzieningenrechter wees het verzoek van Placere Placet af omdat niet was aangetoond dat haar belangen bepaaldelijk vorderden dat de blokkeringsregeling buiten toepassing werd verklaard. Placere Placet ging in hoger beroep met meerdere grieven, maar het hof bekrachtigde het vonnis.

Het hof oordeelde dat de stelling dat één aandeelhouder feitelijk alle aandelen houdt niet opging, en dat de blokkeringsregeling bedoeld is om het besloten karakter van de BV te beschermen. De vermeende onredelijke uitkomst bij executie is geen grond om de regeling buiten toepassing te verklaren. Ook de financiële situatie van de vennootschapsgroep rechtvaardigt dit niet. Het hof veroordeelde Placere Placet tot betaling van de proceskosten van [verweerders] c.s.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van Placere Placet af om de blokkeringsregeling buiten toepassing te verklaren en veroordeelt haar tot betaling van de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.356.800
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 445304
beschikking van 17 maart 2026
in de zaak van
Placere Placet B.V. (Placere Placet)
die is gevestigd in Amsterdam
advocaat: mr. K. de Bruijn
en

1.[verweerder1] B.V. ( [verweerder1] )

die is gevestigd in [vestigingsplaats]

2. [verweerder2] B.V. ( [verweerder2] )

die is gevestigd in [vestigingsplaats]

3. [verweerder3] B.V. ( [verweerder3] )

die is gevestigd in [vestigingsplaats]

4. [verweerder4] ( [verweerder4] )

die woont in [woonplaats]
hierna samen: [verweerders] c.s.
advocaat: mr. E.A.S. Jansen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Placere Placet heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (hierna: de voorzieningenrechter), op 14 april 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het beroepschrift;
  • het verweerschrift;
  • de akte van Placere Placet met aanvullende stukken.
1.2.
Op 19 november 2025 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden, waarbij de heer [naam1] namens Placere Placet is verschenen, bijgestaan door mr. De Bruijn en mr. Branger. Namens [verweerders] c.s. is [verweerder4] verschenen, bijgestaan door mr. Jansen. Ook was aanwezig de heer [naam2] (de adviseur van [naam1] ).
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat partijen in overleg zouden treden om te kijken of zij tot een oplossing zouden komen. Partijen hebben tot 31 december 2025 de tijd gekregen om zich uit te laten over de vraag of er nog belang is bij een uitspraak van het hof. Op verzoek van partijen heeft het hof vervolgens uitstel verleend tot en met 28 januari 2026.
1.4.
Op 28 januari 2026 heeft Placere Placet het hof medegedeeld dat zij haar subsidiaire verzoek intrekt en dat zij het hof verzoekt alsnog uitspraak te doen. Het hof heeft daarna een datum voor uitspraak bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
Placere Placet heeft een geldlening verstrekt van 5 miljoen euro aan [verweerder1] . Ter zekerheid van die lening hebben [verweerder1] en [verweerder2] ten gunste van Placere Placet een pandrecht gevestigd op alle aandelen die zij houden in [verweerder3] . [verweerder1] heeft verzuimd de lening terug te betalen volgens de afspraken in de leningsakte. Placere Placet is daarom voornemens haar pandrecht uit te winnen en de aandelen aan zichzelf te verkopen. Zij stuit daarbij echter op de blokkeringsregeling zoals opgenomen in de statuten van [verweerder3] (hierna: de blokkeringsregeling). Placere Placet wenst dat de blokkeringsregeling terzijde wordt geschoven.
Het geschil en de beslissing bij de voorzieningenrechter
2.2.
Placere Placet heeft de voorzieningenrechter onder andere verzocht de blokkeringsregeling buiten toepassing te verklaren. [verweerders] c.s. hebben op hun beurt een verzoek gedaan op grond van artikel 3:251 BW Pro.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft alle verzoeken van partijen afgewezen en heeft onder andere geoordeeld dat de omstandigheden zoals door Placere Placet gesteld onvoldoende zijn om aan te nemen dat haar belang bepaaldelijk vordert dat de blokkeringsregeling buiten toepassing verklaard moet worden.
De vorderingen in hoger beroep
2.4.
Met zeven klachten (grieven) is Placere Placet in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de voorzieningenrechter, waarmee zij wil bereiken dat die beschikking wordt vernietigd en haar (in hoger beroep gewijzigde) verzoek wordt toegewezen. In hoger beroep verzoekt Placere Placet de blokkeringsregeling alsnog buiten toepassing te verklaren. Daarnaast heeft Placere Placet gevorderd [verweerders] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten in beide instanties.
2.5.
Het hof zal de beslissing van de voorzieningenrechter bekrachtigen en licht hierna toe hoe het tot dat oordeel is gekomen.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Relevante feiten
3.1.
Verschillende vennootschappen exploiteren een restaurant onder de naam [naam3] . Deze groep van vennootschappen wordt hierna aangeduid als de [naam4] .
3.2.
[verweerder3] is bestuurder en 100% aandeelhouder van de [naam4] . [verweerder4] is enig bestuurder van [verweerder3] .
3.3.
De aandelen in [verweerder3] worden voor 60% gehouden door [verweerder2] en voor 40% door [verweerder1] , van welke beide rechtspersonen [verweerder4] bestuurder is. [verweerder2] houdt daarnaast 100% van de aandelen in [verweerder1] .
3.4.
In de statuten van [verweerder3] is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
Blokkerinqsreqelinq/aanbiedingsplicht algemeen
Artikel 14
14.1 .
Elke overdracht van aandelen kan slechts plaatshebben, nadat de aandelen aan de mede-aandeelhouders te koop zijn aangeboden op de wijze als hierna is bepaald.
(…)
14.2.
Een aandeelhouder behoeft zijn aandelen niet aan te bieden indien de overdracht geschiedt met schriftelijke toestemming van de medeaandeelhouders, binnen drie maanden nadat zij allen hun toestemming hebben verleend.
14.3.
De aandeelhouder die een of meer aandelen wil overdragen - hierna te noemen aanbieder - deelt aan het bestuur mede, welke aandelen hij wenst over te dragen.
14.4.
Deze mededeling geldt als een aanbod aan de mede-aandeelhouders tot verkoop van de aandelen. (…).
De prijs zal - tenzij de aandeelhouders eenparig anders overeenkomen - worden vastgesteld door een of meer onafhankelijke deskundigen, die door de aandeelhouders in gemeenschappelijk overleg worden benoemd. Komen zij hieromtrent binnen dertig dagen na ontvangst van de in lid 6 bedoelde kennisgeving van het aanbod niet tot overeenstemming, dan zal de meest gerede partij aan de Kantonrechter binnen wiens kanton de vennootschap statutair is gezeteld, de benoeming van drie onafhankelijke deskundigen verzoeken.
(…)
14.17.
Van het bepaalde in dit artikel kan geheel of gedeeltelijk worden afgeweken met schriftelijke goedkeuring van alle aandeelhouders.’
3.5.
Placere Placet Ltd. heeft bij akte van 20 februari 2014 aan [verweerder1] een lening verstrekt van vijf miljoen euro. Ter zekerheid voor de terugbetaling van die lening is een pandrecht gevestigd op alle aandelen die [verweerder1] en [verweerder2] houden in [verweerder3] . Verder is in de akte van 20 februari 2014, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
8. Bepalingen pandrecht
(…)
Blokkeringsregeling
8.6.
De in de statuten van de vennootschap voorkomende blokkeringsregeling is van toepassing op de vervreemding en overgang van de aandelen door de pandhouder of de verblijving als bedoeld in artikel 3:251 BW Pro van de aandelen aan de pandhouder, met dien verstande dat de pandhouder alle ten aanzien van de vervreemding en overdracht aan de pandgever toekomende rechten en bevoegdheden uitoefent en diens verplichtingen nakomt.’
3.6.
Bij notariële akte van 30 december 2016 is een nieuw pandrecht gevestigd en heeft Placere Placet Ltd. haar vorderingen op [verweerder1] overgedragen aan Placere Placet, waarvan [naam1] enig aandeelhouder en bestuurder is. Placere Placet werd daarmee ook pandhouder.
3.7.
Sinds maart 2020 heeft [verweerder1] niet meer volledig voldaan aan haar verplichtingen met betrekking tot het terugbetalen van de geldlening en de daarbij behorende rente. Ondanks meerdere sommaties van Placere Placet is betaling door [verweerder1] uitgebleven. Placere Placet is daarom op 7 december 2022 overgegaan tot dagvaarden van [verweerder1] om de opeisbaarheid van haar vorderingen vast te stellen.
3.8.
Gedurende die procedure heeft Placere Placet aan [verweerders] c.s. medegedeeld dat zij haar pandrecht op de aandelen wenst uit te winnen door alle aandelen te verkopen en dat zij daarbij de blokkeringsregeling zal doorlopen. Conform die blokkeringsregeling heeft Placere Placet meerdere keren aan [verweerder1] en [verweerder2] verzocht toestemming te verlenen tot verkoop van de aandelen zonder dat de aandelen aangeboden hoeven te worden aan de aandeelhouders. Ook heeft Placere Placet aangegeven in overleg te willen treden om gezamenlijk een onafhankelijk deskundige aan te wijzen die de waarde van de aandelen kan vaststellen.
3.9.
[verweerders] c.s. heeft hierop aangegeven dat zij het vonnis van de rechtbank wenst af te wachten en dat voor iedereen duidelijk is dat de aandelen een negatieve waarde hebben. Volgens [verweerders] c.s. hoeft daar geen onafhankelijke deskundige aan te pas te komen.
3.10.
Bij vonnis van 3 juli 2024 heeft de rechtbank Gelderland [verweerder1] onder meer veroordeeld tot betaling van € 1.687.500,- aan Placere Placet. Ook na dit vonnis is [verweerder1] niet overgegaan tot betaling. Placere Placet heeft daarop [verweerders] c.s. wederom verzocht af te zien van het doorlopen van de blokkeringsregeling, en als zij daartoe niet bereid zouden zijn, voorgesteld om Vantage Valuation (hierna: Vantage ) opdracht te geven tot het waarderen van de aandelen. [verweerders] c.s. hebben daarop laten weten dat zij hun standpunt handhaven dat waardering van de aandelen door een onafhankelijke deskundige geen zin heeft.
3.11.
Uiteindelijk heeft Placere Placet ervoor gekozen Vantage alsnog in te schakelen om de aandelen in [verweerder3] te waarderen. Uit het door Vantage opgestelde rapport van 16 december 2024 volgt dat de waarde van de aandelen op dat moment nihil is.
3.12.
Placere Placet wenst haar pandrecht uit te winnen door de aandelen te verkopen aan zichzelf voor € 675.001,- (een geldelijke vergoeding van € 1,- en een niet-geldelijke vergoeding in de vorm van de verplichting voor de pandhouder om zijn uitstaande schuld te verminderen met € 675.000,-), maar volgens haar wordt die uitwinning tegengehouden door [verweerders] c.s. omdat zij niet meewerken aan het doorlopen van de blokkeringsregeling, althans de statuten gebruiken om uitwinning door Placere Placet van haar pandrecht te voorkomen.
Het juridisch kader
3.13.
In artikel 2:195 lid 1 BW Pro is bepaald dat voor een geldige overdracht van aandelen is vereist dat de aandeelhouder die één of meer aandelen wil vervreemden, deze eerst aanbiedt aan zijn medeaandeelhouders. Van deze krachtens de wet geldende blokkeringsregeling mag in de statuten worden afgeweken. Een blokkeringsregeling is bedoeld om het besloten karakter van de BV te waarborgen. Doordat de aandelen bij vervreemding door een van de aandeelhouders eerst aangeboden moeten worden aan de andere aandeelhouders, worden de aandeelhouders beschermd tegen ongewenste nieuwe aandeelhouders.
3.14.
Zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.4 bevat artikel 14 van Pro de statuten van [verweerder3] een eigen blokkeringsregeling die onder andere bepaalt dat elke overdracht van aandelen alleen kan plaatsvinden nadat de aandelen aan de aandeelhouders te koop zijn aangeboden op de wijze zoals in dat artikel is bepaald.
3.15.
Op grond van artikel 2:198 lid 6 BW Pro is een statutaire regeling over de vervreemding en de overdracht van aandelen ook van toepassing op de vervreemding en overdracht van de aandelen door de pandhouder. Oftewel, de pandhouder (Placere Placet) moet bij de executie en de daaropvolgende vervreemding van de aandelen alle regels ten aanzien daarvan (dus ook de blokkeringsregeling) in acht nemen. Zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.5 is een soortgelijke regeling opgenomen in artikel 8.6 van de akte van geldlening en verpanding van aandelen van 20 februari 2014.
3.16.
Een statutaire regeling over de overdraagbaarheid van aandelen (zoals een blokkeringsregeling) kan op grond van artikel 2:195 lid 7 BW Pro op verzoek van onder andere de pandhouder geheel of gedeeltelijk buiten toepassing worden verklaard door de rechter. De rechter wijst dat verzoek alleen toe als (1) de belangen van de verzoeker dat bepaaldelijk vorderen en (2) de belangen van anderen daardoor niet onevenredig worden geschaad.
Vorderen de belangen van Placere Placet bepaaldelijk dat de blokkeringsregeling buiten toepassing wordt verklaard?
3.17.
Gelet op het voorgaande zal het hof allereerst de vraag beantwoorden of de belangen van Placere Placet bepaaldelijk vorderen dat de blokkeringsregeling buiten toepassing wordt verklaard. In dit kader voert Placere Placet allereerst aan dat de toepassing van de blokkeringsregeling in de gegeven omstandigheden onredelijk is. Volgens Placere Placet worden alle aandelen van [verweerder3] indirect gehouden door [verweerder4] . [verweerder4] houdt namelijk volgens Placere Placet alle aandelen in [verweerder2] , die op haar beurt alle aandelen houdt in [verweerder1] . Dat maakt dat het economisch belang bij [verweerder3] in één hand is en daarvoor is de blokkeringsregeling niet bedoeld, aldus Placere Placet. Volgens Placere Placet volgt uit de jurisprudentie dat als feitelijk sprake is van één aandeelhouder de belangen van de pandhouder bepaaldelijk vorderen dat de blokkeringsregeling buiten toepassing wordt verklaard. Bovendien, zo stelt Placere Placet, zal het doorlopen van de blokkeringsregeling een onredelijk resultaat opleveren. Als de blokkeringsregeling wordt gevolgd, moeten de aandelen van [verweerder2] en [verweerder1] over en weer worden aangeboden aan elkaar. In dit geval komt daarbij dat de waarde van de aandelen vastgesteld is op nihil. Dat maakt dat [verweerder1] (de partij die wanpresteert) alsnog de gelegenheid krijgt om – bij executoriale verkoop door Placere Placet – alle aandelen over te nemen voor € 0,-. Dat is volgens Placere Placet een onredelijke uitkomst, nu zij (aangezien een substantieel deel van de aflossing op de lening en de verschuldigde rente niet is betaald) recht en belang heeft om haar pandrecht uit te winnen zoals zij voornemens is.
3.18.
De stelling dat [verweerder4] indirect alle aandelen in handen heeft, is door [verweerders] c.s. gemotiveerd betwist. In het verweerschrift hebben [verweerders] c.s. uiteengezet dat [verweerder2] drie aandeelhouders heeft (waaronder een STAK) en dat [verweerder4] zelf geen aandeelhouder is. Mr. Jansen heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat eerder door hem in processtukken werd gezegd dat [verweerder4] 100% aandeelhouder is in [verweerder2] , maar dat dit een ‘
slip of the pen’is geweest. [verweerder4] heeft vervolgens een nadere toelichting gegeven waaruit volgt dat naast de STAK, waarbij aan [verweerder4] en zijn dochters certificaten zijn uitgegeven, twee vennootschappen van zijn dochters aandeelhouders zijn van [verweerder2] . Placere Placet heeft daar niets tegen ingebracht, althans alleen aangegeven dat zij het heeft geprobeerd op te zoeken, maar niet kon vinden. Het hof gaat er dan ook vanuit dat [verweerder4] niet 100% aandeelhouder is van [verweerder2] . Het beroep van Placere Placet op vereenzelviging gaat dan ook niet op.
3.19.
Voor wat betreft de door Placere Placet gestelde onredelijke uitkomst bij het doorlopen van de blokkeringsregeling oordeelt het hof als volgt. Placere Placet wenst met het buiten toepassing verklaren van de blokkeringsregeling te voorkomen dat de aandelen van [verweerder1] en [verweerder2] over en weer voor € 0,- moeten worden aangeboden. Op zichzelf valt het te begrijpen dat deze uitkomst Placere Placet onredelijk voorkomt, maar dat is niet waarvoor de regeling van artikel 2:195 lid 7 BW Pro is bedoeld. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze bepaling is bedoeld voor de situatie waarin een blokkeringsregeling in de weg staat aan de uitoefening van (onder andere) een pandrecht, en dus niet voor een situatie waarin de uitoefening van het pandrecht niet de gewenste uitkomst heeft.
3.20.
Placere Placet heeft verder naar voren gebracht dat zij belang heeft bij een spoedige executie (en dus het buiten toepassing verklaren van de blokkeringsregeling) zodat zij in dat geval de waarde van het onderpand veilig kan stellen en de maximale opbrengst kan genereren voor haar onderpand. Volgens haar verkeert de [naam4] in financieel zwaar weer. Zo heeft [verweerder1] al vijf jaar niets terugbetaald, heeft zij zelf meerdere malen bevestigd dat zij niet kan voldoen aan haar betalingsverplichtingen en is een dochteronderneming van de [naam4] al failliet verklaard. Placere Placet vreest dat de financiële moeilijkheden van de [naam4] hun weerslag zullen vinden in de waarde van de (aandelen in de) [naam4] . Zodra de aandelen in handen zijn van Placere Placet, zal [naam1] als ervaren horecaondernemer, met zijn kennis, ervaring en financiële middelen de [naam4] na een herstructurering tot een hernieuwd succes maken, aldus Placere Placet.
3.21.
Het hof acht niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een dreigende discontinuïteit binnen de [naam4] . Tussen partijen is niet in geschil dat de [naam4] aanzienlijke schulden heeft. Het hof gaat er echter vanuit (gelet op de gemotiveerde betwisting van [verweerder4] waartegen Placere Placet onvoldoende heeft ingebracht) dat de aandelen van de [naam4] niet steeds minder waard worden. Volgens [verweerder4] wordt op dit moment afgelost op een schuld van de ING en de Belastingdienst, waardoor de waarde van de aandelen juist steeds minder negatief wordt. Daar komt bij dat het hof het aannemelijk acht dat een eventuele wisseling van eigenaar juist niet gunstig zal zijn voor de waarde van de aandelen. Zoals toegelicht tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is [verweerder4] het gezicht van de [naam4] en is hij aan die groep verbonden. Bij een nieuwe eigenaar is het waarschijnlijk dat de banken zich zullen terugtrekken, kredieten worden opgezegd en betalingsregelingen worden ingetrokken. Dit is door Placere Placet niet weerlegd. Bovendien heeft Placere Placet haar plannen met de [naam4] niet nader geconcretiseerd, zodat niet is gebleken dat een eigenaarswissel (zoals Placere Placet voor ogen heeft) daadwerkelijk een gunstig effect zal hebben op de waarde van de aandelen.
3.22.
Placere Placet heeft tot slot nog aangevoerd dat de blokkeringsregeling buiten toepassing moet worden verklaard omdat tot nu toe [verweerders] c.s. hun medewerking tot het doorlopen van de blokkeringsregeling hebben onthouden, terwijl het doorlopen van de blokkeringsregeling zonder hun medewerking onmogelijk is. Zo hebben [verweerders] c.s. volgens Placere Placet onder andere geweigerd conform de statuten in gezamenlijk overleg te treden over de benoeming van een deskundige en weigerden zij het voorstel van Placere Placet om Vantage te benoemen. Als zou worden aangenomen dat het wel mogelijk is om de blokkeringsregeling te doorlopen, stelt Placere Placet zich op het standpunt dat het doorlopen daarvan uiterst bezwaarlijk, kostbaar en tijdrovend is. Zo zijn partijen gebonden aan verschillende termijnen en formaliteiten en vereist de blokkeringsregeling een kostbaar en tijdrovend waarderingsproces van de aandelen. Als partijen niet tot een gezamenlijke benoeming van een deskundige komen (waarvan nu sprake is), staat enkel nog de route naar de kantonrechter open die in dat geval wordt verzocht om drie onafhankelijke deskundigen te benoemen. Volgens Placere Placet bestaat geen wettelijke grondslag voor een dergelijke benoeming door de kantonrechter en is vereist dat de kantonrechter bereid is een welwillendheidsbeslissing te nemen. Daarvoor is van belang dat beide partijen een benoeming door de kantonrechter wensen. Gelet op de weerstand van [verweerders] en [verweerder2] tot nu toe, is het zeer aannemelijk dat de kantonrechter niet bereid zal zijn om een welwillendheidsbeslissing te nemen. Als de kantonrechter wel bereid is deskundigen te benoemen, geldt dat deze route onnodig kostbaar en tijdrovend zou zijn, aldus Placere Placet.
3.23.
Naar het oordeel van het hof kunnen de enkele omstandigheden dat het (verder) doorlopen van de blokkeringsregeling tijdrovend en kostbaar is niet de conclusie rechtvaardigen dat de belangen van Placere Placet bepaaldelijk vorderen dat die blokkeringsregeling buiten toepassing wordt verklaard. Het hof neemt daarbij onder andere in aanmerking dat Placere Placet al op 15 augustus 2024 aan [verweerders] c.s. heeft laten weten dat zij de kantonrechter zal inschakelen en dus al geruime tijd de kans heeft gehad om de kantonrechter te verzoeken deskundigen te benoemen. Bovendien staat niet vast dat [verweerders] c.s. niet zullen meewerken aan een dergelijk verzoek, althans kan niet vooruitgelopen worden op de vraag of de kantonrechter bereid is een beslissing te nemen.
De conclusie
3.24.
De conclusie is dat de door Placere Placet aangevoerde omstandigheden niet tot het oordeel kunnen leiden dat haar belangen bepaaldelijk vorderen dat de blokkeringsregeling buiten toepassing wordt verklaard. Grieven I en V slagen dan ook niet. Het hof komt – gelet op dit oordeel – niet toe aan de beoordeling van de vraag of de belangen van [verweerders] c.s. onevenredig worden geschaad. Grief VI behoeft dan ook geen verdere bespreking, net zoals grief VII nu Placere Placet heeft laten weten haar subsidiaire verzoek in te trekken. De grieven II tot en met IV hebben geen zelfstandige betekenis, zodat het hof bespreking daarvan achterwege laat.
3.25.
Omdat Placere Placet in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar veroordelen tot betaling van de proceskosten van [verweerders] c.s. bij het hof. Het hof wijst het meer en anders verzochte af.
3.26.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 14 april 2025;
4.2.
veroordeelt Placere Placet tot betaling van de volgende proceskosten van [verweerders] c.s. :
- € 827,- aan griffierecht
- € 2.580,- aan salaris van de advocaat van [verweerders] c.s. (2 procespunten x tarief II);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad en
4.5.
wijst het meer en anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.L. Wattel, K. Mans en H.J. Berends, en is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.