ECLI:NL:GHARL:2026:1606

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
200.362.655/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige bij pleegouders bevestigd

De moeder en vader hebben gezamenlijk gezag over twee minderjarige kinderen. Voor de oudste minderjarige is op 4 oktober 2023 een machtiging tot uithuisplaatsing bij pleegouders verleend, welke later is verlengd. De jongste minderjarige woont sinds haar geboorte bij de grootouders.

De moeder is in hoger beroep gegaan tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de oudste minderjarige bij de pleegouders en verzocht om plaatsing bij de grootouders. Het hof heeft het perspectiefonderzoek van een deskundige beoordeeld en acht dit voldoende zorgvuldig en volledig uitgevoerd.

Het hof volgt het advies om de oudste minderjarige bij de pleegouders te laten wonen, mede vanwege haar hechting en ontwikkeling daar. Het belang van het opgroeien binnen de eigen cultuur en religie weegt niet zwaarder dan andere omstandigheden. Het verzoek tot benoeming van een aanvullende deskundige wordt afgewezen.

De beschikking van de rechtbank tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt bekrachtigd en het overige verzoek van de moeder wordt afgewezen.

Uitkomst: De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de pleegouders wordt bekrachtigd en het verzoek tot plaatsing bij de grootouders afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.362.655/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 335969)
beschikking van 17 maart 2026
over de uithuisplaatsing van
[de minderjarige1]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. E. Baldan Kaya,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI),
die is gevestigd in Amsterdam,
en
[belanghebbende1](de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. B.H.J. van Rhijn,
en
de heer [naam1] en mevrouw [naam2](de pleegouders),
die wonen op een bij het hof bekend adres.

1.Samenvatting

De meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] bij de pleegouders verlengd tot 3 september 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2023 ( [de minderjarige1] ) en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2025 ( [de minderjarige2] ).
De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
Over [de minderjarige1] :
2.2.
Op 2 augustus 2023 is de toen nog ongeboren [de minderjarige1] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI.
2.3.
Op 4 oktober 2023 is een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] . Bij beschikking van de kinderrechter van 13 oktober 2023 is de ondertoezichtstelling over [de minderjarige1] uitgesproken en is een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn nadien verlengd.
2.4.
[de minderjarige1] woont vanaf 4 oktober 2023 bij de pleegouders.
2.5.
Er geldt een omgangsregeling waarbij de moeder [de minderjarige1] één keer per maand ziet (met begeleiding). In juli 2025 heeft de moeder ervoor gekozen deze omgangsregeling niet meer uit te voeren. Sindsdien heeft er geen omgang meer plaatsgevonden tussen de moeder en [de minderjarige1] .
[de minderjarige1] heeft één keer per maand begeleide omgang met de vader. Ook heeft zij één keer per twee weken gedurende een uur begeleide omgang met de grootouders van moederszijde (hierna: de grootouders) bij [naam3] .
Over [de minderjarige2] :
2.6.
Op 29 april 2025 is de toen nog ongeboren [de minderjarige2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI.
2.7.
Op 9 mei 2025 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de toen nog ongeboren [de minderjarige2] in het netwerkpleeggezin van de grootouders vanaf de geboorte van [de minderjarige2] . Bij beschikking van de kinderrechter van 17 juli 2025 is de ondertoezichtstelling over [de minderjarige2] uitgesproken en is de machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerkpleeggezin verlengd.
2.8.
[de minderjarige2] woont sinds haar geboorte bij de grootouders. De moeder komt in beginsel twee keer per week op bezoek.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De GI heeft de rechtbank verzocht de ondertoezichtstelling over [de minderjarige1] voor de duur van elf maanden te verlengen (zodat de periodes gelijk lopen) en [de minderjarige1] voor nog een periode van een jaar uit huis te mogen plaatsen bij de pleegouders (een voorziening voor pleegzorg).
3.2.
De rechtbank heeft de verzoeken van de GI toegewezen en zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] verlengd tot 3 september 2026.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 2 september 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de uithuisplaatsing. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof bepaalt dat [de minderjarige1] bij de grootouders wordt geplaatst.
Als het hof van oordeel is dat aanvullend onderzoek noodzakelijk is, verzoekt de moeder om een deskundige te benoemen om te onderzoeken of de grootouders geschikt zijn om te functioneren als perspectiefbiedende opvoeders.
Daarnaast had de moeder in haar beroepschrift het hof verzocht om te bepalen dat de GI haar volledige medewerking moet verlenen zowel aan het deskundigenonderzoek als aan een passende opbouw van het contact tussen [de minderjarige1] , de grootouders en het hele gezin. Dit verzoek betreffende de opbouw van het contact heeft de moeder tijdens de zitting ingetrokken. Het hof hoeft dus niet meer te beslissen op dit verzoek.
4.2.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 2 december 2025;
  • de brief van de raad voor de kinderbescherming (de raad) van 6 januari 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
  • het verweerschrift van de GI;
  • de stukken van de moeder, ingediend op 20 februari 2026 en 23 februari 2026.
4.4.
De zitting bij het hof was op 25 februari 2026 in Zwolle. Aanwezig waren:
  • mr. Baldan Kaya;
  • twee vertegenwoordigers van de GI;
  • de pleegouders.
Mr. Baldan Kaya en de pleegouders hebben tijdens de zitting spreekaantekeningen respectievelijk een brief overgelegd en voorgelezen.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] . De kinderrechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoekt [2] .
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
Ter beoordeling aan het hof ligt de vraag voor of [de minderjarige1] bij de pleegouders moet blijven wonen of dat zij geplaatst moet worden bij de grootouders.
5.3.
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] bij de pleegouders noodzakelijk is. Het hof zal de beslissing van de rechtbank over de uithuisplaatsing daarom in stand laten (bekrachtigen). Het hof neemt de motivering van de rechtbank - na eigen onderzoek - over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5.4.
De moeder heeft zich in hoger beroep onder meer op het standpunt gesteld dat het door [naam3] uitgevoerde perpectiefonderzoek ondeugdelijk, eenzijdig en onvolledig is geweest. Bovendien is er volgens de moeder sprake geweest van onjuiste interpretaties, die ertoe hebben geleid dat de grootouders geen eerlijke kans hebben gekregen.
Het hof volgt de moeder niet in dit standpunt. Het hof is van oordeel dat het onderzoek voldoende deugdelijk, zorgvuldig en volledig is uitgevoerd.
5.5.
[naam3] heeft in het “Advies opvoedbesluit en plan van aanpak vervolg” van 7 augustus 2025 geadviseerd om [de minderjarige1] bij de pleegouders te laten wonen en de grootouders niet de verantwoordelijkheid te laten dragen voor de opvoeding en verzorging van [de minderjarige1] . Het hof neemt, net als de rechtbank, dit advies van [naam3] over. Gelet hierop gaat het hof voorbij aan de stelling van de moeder dat de rechtbank onlangs ten aanzien van [de minderjarige2] , het zusje van [de minderjarige1] , heeft geoordeeld dat zij wel bij de grootouders kan wonen en er daarom geen reden is waarom dat voor [de minderjarige1] anders zou moeten zijn. De situatie van de beide kinderen is immers niet gelijk.
5.6.
Verder heeft de moeder aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het recht van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] om als zussen samen op te groeien en hun belang om op te groeien binnen hun eigen cultuur en religie.
Weliswaar heeft het in beginsel de voorkeur om broers en zussen samen te laten opgroeien en binnen hun eigen cultuur en religie, maar dit is niet doorslaggevend voor de vraag bij wie een minderjarige uithuisgeplaatst moet worden. Andere omstandigheden kunnen ook een rol spelen en zwaarder wegen dan het belang van een minderjarige om binnen de familie en eigen cultuur en religie op te groeien. In dit geval is er naar het oordeel van het hof sprake van dergelijke andere omstandigheden.
Zoals hierboven al is overwogen ziet het hof in het perspectiefonderzoek van [naam3] en het daaruit voortvloeiende advies voldoende reden om te bepalen dat [de minderjarige1] niet bij de grootouders geplaatst kan worden. Bovendien weegt voor het hof mee dat de situatie van beide zusjes verschillend is, in die zin dat [de minderjarige1] al vanaf enkele dagen na haar geboorte, dus inmiddels al bijna 2,5 jaar, bij de pleegouders woont, het goed met haar gaat, zij zich goed ontwikkelt en aan de pleegouders gehecht is. Het hof acht het niet in het belang van [de minderjarige1] dat zij overgeplaatst zou worden naar de grootouders.
Met betrekking tot het opgroeien binnen de eigen cultuur en religie overweegt het hof als volgt. Voor (de identiteitsontwikkeling van) een kind is het belangrijk om de culturele en religieuze achtergrond van zowel de moeder als de vader mee te krijgen. De moeder en de grootouders zijn Turks en islamitisch. Maar uit de stukken en de verklaringen tijdens de zitting is gebleken dat de vader geen Turkse en islamitische achtergrond heeft. Het hof acht het van belang dat [de minderjarige1] ook de achtergrond van de vader meekrijgt. Het ziet in het door de moeder aangevoerde daarom geen doorslaggevende reden om te bepalen dat [de minderjarige1] bij de grootouders geplaatst moet worden. Daar komt bij dat uit het dossier en ter zitting is gebleken dat in het pleeggezin aandacht wordt gegeven aan de cultuur en religie van de moeder.
5.7.
Daarnaast is het hof anders dan de moeder van oordeel dat de rechtbank terecht de persoonlijke problematiek van de moeder heeft betrokken in de beoordeling. Weliswaar heeft de moeder niet gevraagd om [de minderjarige1] terug te plaatsen bij haar thuis, maar de situatie van de moeder is ook van belang als [de minderjarige1] ergens anders verblijft. Ook dan is het belangrijk dat er op een toereikende manier door de verschillende betrokkenen kan worden samengewerkt met de moeder, dat de moeder in het belang van [de minderjarige1] kan handelen en afspraken nakomt en dat de veiligheid van [de minderjarige1] voldoende gewaarborgd is.
Deskundige
5.8.
De moeder heeft het hof gevraagd om een deskundige te benoemen indien het hof dat nodig acht. Gelet op het bovenstaande oordeel van het hof dat het door [naam3] uitgevoerde perspectiefonderzoek voldoende deugdelijk is en dat het hof het advies van [naam3] overneemt, is er geen reden om nog een deskundige te benoemen om een aanvullend onderzoek te verrichten. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 2 september 2025 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] ;
6.2.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kuijpers, mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. L. van Dijk en, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 17 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.
2.artikel 1:265c lid 2 BW.