ECLI:NL:GHARL:2026:1623

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
200.343.653/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230c BWArt. 6:230m BWArt. 6:230t BWArt. 6:96 lid 2 BWArt. 7:5 lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt gedeeltelijke ontbinding overeenkomst voor dode bomen op landgoed

De Limieten leverde en plantte tussen 2016 en 2020 volwassen bomen op het landgoed van [geïntimeerden] c.s. Een deel van deze bomen stierf door natte standplaatsen veroorzaakt door een storende kleilaag in de bodem. De landgoedeigenaren vorderden ontbinding van de overeenkomst en schadevergoeding voor de dode bomen.

De rechtbank kende gedeeltelijke ontbinding toe voor bomen die door De Limieten zelf waren geplant, maar wees dit af voor bomen die door het hoveniersbedrijf van de landgoedeigenaar waren geplant. De Limieten ging in hoger beroep tegen deze uitspraken en vorderde betaling van een openstaande factuur.

Het hof oordeelde dat De Limieten aansprakelijk is voor het afsterven van de beuken en tulpenbomen in bos 2 vanwege het planten in een storende kleilaag zonder waarschuwing of drainage. Voor bos 3, waar De Limieten alleen leverde en derden plantten, werd de ontbinding afgewezen. De vorderingen voor vergoeding van rapportkosten voor bos 3 werden eveneens afgewezen.

Na verrekening van de terug te betalen bedragen met de openstaande factuur moet de landgoedeigenaar nog een deel van de factuur betalen, inclusief incassokosten. De proceskosten van de rechtbank worden gecompenseerd, maar de landgoedeigenaar wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bevestigt gedeeltelijke ontbinding voor door De Limieten geplante bomen en wijst ontbinding voor door derden geplante bomen af; landgoedeigenaar moet na verrekening een deel van de factuur betalen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.343.653/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland (Lelystad) 16520984
arrest van 17 maart 2026
in de zaak van
Kwekerij De Limieten B.V.
die is gevestigd in Huizen
bij de rechtbank: gedaagde
hierna:
De Limieten
advocaat: mr. M.L. Dingemans te Amsterdam
en

1.[geïntimeerde1]

2.
[geïntimeerde2]
die beiden wonen in [woonplaats]
bij de rechtbank: eisers
hierna beiden aan te duiden als:
[geïntimeerden] c.s.
advocaat: mr. E.M. Uijttewaal te Ochten

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
De Limieten heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, op 19 oktober 2022 en 21 juni 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 7 september 2023;
  • de memorie van grieven van 7 januari 2025;
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van 15 april 2025;
  • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van 24 juni 2025;
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 5 februari 2026 is gehouden. Ter gelegenheid daarvan hebben [geïntimeerden] c.s. nog tijdig de producties 2 tot en met 5 in het geding gebracht. Het door De Limieten daags voor de mondelinge behandeling overgelegde proces-verbaal van een parallelle procedure bij de rechtbank Gelderland is te laat in het geding gebracht, reden waarom die door het hof als productie is geweigerd.
1.2.
Partijen hebben op de mondelinge behandeling het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
De Limieten heeft in het tijdsbestek van enige jaren meerdere volwassen bomen aan [geïntimeerden] c.s. geleverd en deels ook zelf geplant of laten planten. Een aantal van deze bomen zijn doodgegaan omdat ze te nat stonden.
2.2
[geïntimeerden] c.s. hebben bij de rechtbank gevorderd dat de onderliggende overeenkomsten partieel worden ontbonden en dat De Limieten de waarde van dode bomen aan [geïntimeerden] c.s. vergoedt en daarbovenop ook aanvullende schade moet vergoeden. De rechtbank heeft die vorderingen deels toegewezen, waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat, ook voor de bomen die niet door De Limieten zelf zijn geplant, op De Limieten de plicht rustte om te beoordelen of de beoogde standplaats wel geschikt was voor de geleverde bomen. De bedoeling van het hoger beroep van De Limieten is dat die vorderingen alsnog worden afgewezen en dat haar tegenvordering (betaling van een openstaande factuur) wordt toegewezen.
2.3
[geïntimeerden] c.s. hebben ook (incidenteel) hoger beroep ingesteld. Dat gaat over een extra boom (
carpinus betulus(haagbeuk)) waarvoor zij vergoeding vorderen en over een afgewezen vordering betreffende de kosten van een partijdeskundige.
2.4
Het hof zal beslissen dat het hoger beroep van De Limieten deels slaagt en dat het hoger beroep van [geïntimeerden] c.s. geen doel treft. Het hof zal die beslissingen hierna toelichten nadat eerst de relevante feiten zijn weergegeven.
3. De relevante feiten
De rechtbank heeft in het tussenvonnis de voor haar beslissingen relevante feiten weergegeven. Het hof neemt hierna die feiten over voor zover niet betwist en voor de beoordeling in hoger beroep relevant. Het hof vult die vaststelling aan met enige feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan.
3.1
[geïntimeerden] c.s. waren eigenaar van het aan de [adres1] in [woonplaats] gelegen (moderne) [naam1] . Op dit perceel wilden [geïntimeerden] c.s. een boomrijke omgeving realiseren. Zij zijn in contact gekomen met De Limieten die is gespecialiseerd in het kweken, verkopen en leveren van volwassen bomen en heesters. De Limieten heeft tussen 2016 en 2020 diverse bomen en planten aan [geïntimeerden] c.s. geleverd en deels geplant (al dan niet met behulp van door haar ingeschakelde derden). Een deel van de door De Limieten geleverde beplanting is door derden – in opdracht van [geïntimeerden] c.s. – geplant.
3.2
Het eerste deel van het landgoed waar de Limieten de beplanting heeft verzorgd betreft een voormalig populierenbos. Derden hebben daar voor [geïntimeerden] c.s. een (natuurlijke) vijver gerealiseerd. De Limieten heeft daarvoor diverse bomen geleverd en geplant. Dit deel wordt verder aangeduid als bos 1 en is gerealiseerd in 2017. Bos 1 is verder niet in geschil.
3.3
Het deel hierna aangeduid als bos 2 betreft een voormalig perceel grasland. Op dit deel heeft De Limieten in april 2017 notenbomen geleverd en geplant. Deze notenbomen zijn op verzoek van [geïntimeerden] c.s. in april 2019 vervangen door beukenbomen (
fagus sylvatica). Ook heeft De Limieten voor dit deel onder meer een tulpenboom (
liriodendron) en een haagbeuk (
carpinus betulus) geleverd en geplant. De order voor de vervanging van de notenbomen is van 1 april 2019 en betreft een totaalbedrag van € 275.000 (incl. btw).
3.4
Het onderhoud aan bos 2 berustte vanaf augustus 2019 bij [naam2] v.o.f. uit [plaats1] (verder: [naam2] ). [naam2] heeft de daar geplante bomen, conform de instructies van De Limieten, in de zomer van water voorzien.
3.5
[geïntimeerden] c.s. hebben later een aanvullend perceel aangekocht en bij hun landgoed gevoegd. Ook dit betrof een perceel weiland, waar [geïntimeerden] c.s. een oprijlaan en daaromheen bos wilden aanleggen (verder aan te duiden als bos 3). De plannen voor dit bos zijn ontwikkeld door [naam3] dat onder meer overleg heeft gevoerd met de gemeente. De gemeente stond ter plaatse alleen de aanplant van fruitbomen toe, die in dobbelsteenverband geplant moesten worden. Daarvoor is een omgevingsvergunning verleend. In opdracht van [geïntimeerden] c.s. heeft een loonbedrijf grondwerk op dit perceelsgedeelte uitgevoerd. [geïntimeerden] c.s. hadden aanvankelijk [naam4] B.V. benaderd om de bomen voor bos 3 te leveren die geplant zouden worden door [naam2] . De Limieten heeft [geïntimeerden] c.s. erop aangesproken dat zij de bomenleverancier van [geïntimeerden] c.s. was, waarna de aankooporder voor de bomen voor bos 3 bij De Limieten is geplaatst. De Limieten is niet gespecialiseerd in fruitbomen. Zij heeft de bomen voor bos 3 elders ingekocht (onder meer bij [naam4] ).
3.6
De order betreffende bos 3 dateert van 16 maart 2020 en omvat achttien fruitbomen, achttien knotwilgen, acht laankastanjes, vijf knotkastanjes en een walnootboom. Het totale, niet verder gespecificeerde bedrag van de order, is € 158.000 (incl. btw). Uit een eerdere orderbevestiging van 18 februari 2020 blijkt dat voor zeventien fruitbomen een totaalprijs gerekend is van € 54.587 ex btw. Later zijn nog een aantal extra noten- en appelbomen geleverd, waarmee het totale door De Limieten gefactureerde bedrag voor bos 3 neerkwam op € 185.250. (incl. btw). [geïntimeerden] c.s. hebben daarvan een bedrag van € 60.250 onbetaald gelaten.
3.7
De bomen voor bos 3 zijn door De Limieten geleverd en door [naam2] geplant in het voorjaar van 2020. Het ontwerpplan voor de aanplant is opgesteld door de tuinontwerpster van [naam2] . Vervolgens heeft [naam5] van De Limieten geadviseerd over welke te leveren boom op welke plantplek in het tuinontwerp kwam te staan.
3.8
In mei 2020 bleek dat er bomen in bos 2 waren doodgegaan. Bij e-mail van 22 juni 2020 schrijft [naam6] (hierna: [naam6] ) van De Limieten aan [geïntimeerde1] (hierna: [geïntimeerde1] ) over zijn zorgen over de hoge waterstand in bos 2 en in bos 3 bij de zware fruitbomen. Hij vraagt daarin aandacht voor het waterpeil en waarschuwt dat bij een te hoge waterstand de kluiten in het water staan, de wortels gaan rotten en de krenten, beuken en eiken het niet gaan redden. [naam2] informeert [geïntimeerde1] en [naam6] bij e-mail van 30 juni 2020 over de metingen van het waterpeil. Zijn waarneming is dat het hoge waterpeil een incident betrof. [geïntimeerde1] reageert bij e-mail van 30 juni 2020 op het bericht van [naam6] en schrijft onder meer dat hij vindt dat De Limieten verantwoordelijkheid dient te tonen door zelf in actie te komen nu het niet goed gaat met de bomen. Daarop reageert [naam6] met een e-mailbericht van 1 juli 2020 waarin hij onder meer vraagt of het maaiveld van bos 3 verhoogd is.
3.9
Bij e-mail van 18 augustus 2020 schrijft [naam6] dat de beuken van bos 2 het heel zwaar hebben en maar één of twee beuken het misschien gaan redden. Hij biedt aan voor de bomen die dood zijn gegaan, gratis vervangende bomen te leveren, met een bijdrage van [geïntimeerde1] in de arbeidskosten, welk aanbod zowel voor bos 2 als voor bos 3 geldt. Tevens verzoekt [naam6] aan [geïntimeerde1] het openstaande bedrag vóór 1 september 2020 te voldoen. [geïntimeerde1] reageert daarop per e-mail van 19 augustus 2020 waarin hij aangeeft behoefte te hebben aan een meer concrete uitwerking van het herstelplan. Partijen hebben daarover verder gecorrespondeerd.
3.1
[naam2] had in september 2020 de heer [naam7] Taxateur/European Tree Technician (hierna: [naam7] ) ingeschakeld om een onderzoek te doen naar de oorzaak van het niet of slecht aanslaan van de vruchtbomen in bos 3. Over zijn bevindingen rapporteert [naam7] in zijn ‘
Onderzoeksrapport aanplant vruchtbomen’ van 11 november 2020 (verder [naam7] -I) Daarin concludeert hij, kort gezegd, dat de door hem onderzochte bomen te nat hebben gestaan en zijn gestorven door zuurstofgebrek en rotting van de wortels omdat de bomen in een storende laag van zeer zware klei waren geplant. [naam2] en De Limieten leggen dit rapport verschillend uit op het punt aan wie het afsterven van de fruitbomen is te wijten.
3.11
Naar aanleiding van [naam7] -I doet De Limieten op 10 december 2020 aan [geïntimeerden] c.s. een (onder andere met [naam7] besproken) voorstel voor een plan van aanpak. Kort samengevat komt dat op het volgende neer: alle bomen van bos 3 moeten omhoog en komen daardoor iets op een terp te staan, om elke boom moet een drainagebuis naar de sloot, de bomen die afgestorven zijn moeten gelijk afgevoerd en vervangen worden en de uitvoering dient zo spoedig te gebeuren mogelijk in een droge periode in het nieuwe jaar.
3.12
Bij e-mail van 21 december 2020 aan [geïntimeerden] c.s. beklaagt [naam6] zich erover dat er nog steeds een betalingsachterstand is, ondanks zijn vergaande voorstellen om tot een oplossing te komen. Als voor 31 december 2020 geen betaling volgt, zal De Limieten niet verder gaan met haar werkzaamheden. [geïntimeerden] c.s. antwoorden daarop in afwijzende zin.
3.13
[naam7] brengt op 12 januari 2021 een aanvullend rapport uit over bos 3 (verder: [naam7] -II), waarin hij onder meer adviseert
  • het waterpeil in de sloot omlaag te brengen en indien mogelijk het polderpeil te hanteren;
  • drainage aan te brengen op maximaal 50 cm diepte (boven de kleilaag blijven) en de onderlinge afstand tussen de drainagebuizen op maximaal 5 meter te houden. In verband met de slempgevoeligheid van de grond is daarbij het advies om de sleuf rond de drainagebuis te vullen met drainagezand;
  • de hoogte van de draadkluit van de aan te planten bomen mag maximaal 50 cm zijn. Tijdens het planten moet de bovenkant van de kluit gelijk of iets boven het maaiveld blijven.
3.14
De adviezen drainage aan te leggen en het slootwaterpeil te verlagen zijn opgevolgd.
3.15
Uiteindelijk doen De Limieten en [naam2] op 9 februari 2021 een gezamenlijk finaal voorstel aan [geïntimeerden] c.s. dat voorziet in de (verder kosteloze) vervanging van de dode bomen in bos 3 door vervangende bomen van een lichtere maat als door [naam7] geadviseerd, en in kosteloze vervanging van de dode bomen in bos 2 door bomen van gelijke grootte (of een ander alternatief als [geïntimeerden] c.s. dat wensen). [geïntimeerde1] kan zich daar niet (volledig) in vinden onder meer omdat naar zijn mening er onvoldoende rekening wordt gehouden met het waardeverlies van de bomen als gevolg van de vervanging door goedkopere bomen en omdat [geïntimeerde1] niet betrokken wordt bij de keuze van de nieuwe bomen in bos 3. De gewenste wijzigingen/aanvullingen van [geïntimeerden] c.s. zijn voor De Limieten echter niet bespreekbaar.
3.16
Met een brief van 2 maart 2021 van hun toenmalige advocaat gaan [geïntimeerden] c.s. over tot gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomsten voor de dode beuken en tulpenboom in bos 2 en voor de zeventien dode en drie twijfelachtige fruitbomen in bos 3. Tevens wordt De Limieten verzocht deze bomen te verwijderen en gesommeerd tot terugbetaling van de betaalde koopsom en van de kosten van het planten.
3.17
Na verkregen verlof liet [geïntimeerde1] op 1 april 2021 conservatoir beslag leggen op het onroerend goed van De Limieten.
3.18
[naam7] brengt op verzoek van [geïntimeerden] c.s. nog een tweetal rapporten uit:
  • op 12 maart 2021 een rapport over de waarde van alle door De Limieten geleverde bomen in de bossen 1 tot en met 3 (verder [naam7] -III) en
  • op 30 juni 2021 een rapport over de afgestorven vruchtbomen (verder [naam7] -IV).
In de procedure bij de rechtbank is [geïntimeerden] c.s. nog in staat gesteld om een rapport van [naam7] over bos 2 in het geding te brengen. Dit is het rapport van 26 november 2022, dat verder wordt aangeduid als [naam7] -V.
3.19
Op verzoek van De Limieten heeft Ing. [naam8] van [naam9] op 22 juli 2021 een deskundigenrapport uitgebracht dat voortbouwt op [naam7] -I (verder [naam8] -I). [naam8] is bij het onderzoek van [naam7] dat heeft geleid tot [naam7] -V aanwezig geweest. [naam8] heeft zelf ook een rapport uitgebracht over bos 2 op 9 januari 2023 (verder: [naam8] -II).
3.2
In bos 2 zijn in maart 2021 ter vervanging van de dode bomen zeven platanen geplant die goed zijn aangeslagen. Ook in bos 3 zijn in 2021 vervangende (kleinere maat) fruitbomen geplant die zijn aangeslagen.
3.21
Op verzoek van De Limieten heeft Ing. [naam10] een rapport uitgebracht over de vraag of een professioneel verkoper/kweker een onderzoeksplicht heeft naar de groeiplaats-omstandigheden bij de verkoop van volwassen bomen aan een consument.
3.22
[naam7] c.s. hebben hun landgoed in februari 2025 te koop aangeboden, waarna het op 9 mei 2025 is verkocht. Op het moment van de verkoop was de in ovw. 3.3 bedoelde haagbeuk nog aanwezig en was deze niet (geheel) dood.
3.23
De Limieten heeft bij de rechtbank Gelderland geprocedeerd tegen [naam2] tot verhaal van de schadevergoeding waartoe zij in deze procedure door de rechtbank in Lelystad is veroordeeld. De rechtbank Gelderland heeft die vordering bij vonnis van 1 mei 2024 deels toegewezen. Tegen dat vonnis is ook hoger beroep ingesteld. Partijen zijn het niet eens geworden over voeging van beide procedures.

4.De beslissingen van de rechtbank

4.1
[geïntimeerden] c.s. hebben bij de rechtbank, kort gezegd, gevorderd dat de overeenkomst van 1 april 2019 (bos2) partieel wordt ontbonden voor zeven beukenbomen en de tulpenboom en dat de overeenkomst van 16 maart 2020 (bos 3) ook partieel wordt ontbonden voor zover die ziet op de inmiddels dode fruitbomen, een en ander leidende tot terugbetaling van € 138.293,79 te vermeerderen met wettelijke handelsrente en tot betaling van een aanvullende schadevergoeding van € 70.000 eveneens te vermeerderen met wettelijke handelsrente. Daarnaast vorderden zij de kosten van diverse rapporten van [naam7] op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW Pro en een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten.
4.2
Na het tussenvonnis hebben zij hun vorderingen nog vermeerderd met de vordering tot ontbinding van de overeenkomst voor bos 2 betreffende de haagbeuk en terugbetaling van € 9.157 en tot betaling van een aanvullende schadevergoeding voor het verwijderen daarvan en van plantkosten tot een bedrag van € 18.628,98.
4.3
De Limieten vorderde in reconventie de (veroordeling van [geïntimeerden] c.s. tot) betaling van het openstaande bedrag van € 60.250,- plus wettelijke handelsrente daarover en incassokosten. Daarnaast vorderde zij, in geval de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. zouden worden toegewezen, € 129.110,40 aan schadevergoeding omdat [geïntimeerden] c.s. hun zorgplicht voor de bomen in het kader van de ongedaanmakingsverplichting zouden hebben geschonden. Ook vorderde zij opheffing van het gelegde beslag.
4.4
De rechtbank heeft in het eindvonnis de eiswijziging van De Limieten betreffende de haagbeuk niet toegestaan. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat de overeenkomst voor bos 2 is ontbonden voor zeven beukenbomen en de tulpenboom. Daarvoor heeft de rechtbank aan terug te betalen koopprijs een bedrag van € 38.350,- toegewezen en aan aanvullende schadevergoeding € 9.000.
4.5
Ook voor bos 3 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de overeenkomst is ontbonden voor 23 fruitbomen met een factuurwaarde van € 104.481,27 (inclusief btw). Na verrekening met het openstaande factuurbedrag kende de rechtbank per saldo € 44.231,27 toe wat De Limieten terug moest betalen voor de bomen in bos 3. Aan aanvullende schade kende de rechtbank voor bos 3 een bedrag van € 4.000,- toe. Over al deze bedragen heeft de rechtbank de gewone wettelijke rente toegekend, over de terug te betalen bedragen, tezamen neerkomende op € 82.581,27 vanaf 7 maart 2021 en over de aanvullende schade, totaal € 13.000,- vanaf 15 april 2021.
4.6
Voor rapport [naam7] -V kende de rechtbank een vergoeding van € 3.061,30 toe, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 30 november 2022. Alle overige vorderingen heeft de rechtbank afgewezen. De rechtbank heeft De Limieten in de proceskosten in conventie en in reconventie veroordeeld.

5.De toelichting op de beslissing van het hof

De vorderingen in hoger beroep
5.1
In hoger beroep vordert De Limieten dat de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. alsnog worden afgewezen en dat haar vordering alsnog wordt toegewezen. Zij voert daartoe veertien genummerde bezwaren (grieven)) tegen beide vonnissen aan.
5.2
In hun hoger beroep keren [geïntimeerden] c.s. zich met hun eerste grief tegen het niet toelaten van haar eiswijziging. Tegen de beslissing van de rechtbank over het al dan niet toelaten van een eiswijziging staat geen hoger beroep open (artikel 130 lid 2 Rv Pro) maar aangezien dat deel van hun vordering terugkomt in de vordering in hoger beroep merkt het hof dit aan als een eiswijziging in hoger beroep. De Limieten heeft hier ook in die zin op gereageerd. Deze eiswijziging is op het processueel juiste tijdstip ingesteld en het hof oordeelt deze eiswijziging toelaatbaar.
De tweede grief van [geïntimeerden] c.s. heeft betrekking op de afgewezen vordering tot vergoeding van de kosten van de rapporten [naam7] -III en -IV.
5.3
Het hof zal hierna de grieven thematisch bespreken. De grieven die zich keren tegen de weergave van de feiten heeft het hof hiervoor al behandeld door de relevante feiten zelf vast te stellen.
De algemene voorwaarden van De Limieten zijn niet van toepassing
5.4
De rechtbank heeft geoordeeld dat de algemene voorwaarden van De Limieten niet van toepassing zijn. Met dat oordeel is het hof het eens.
5.5
De Limieten voert aan dat zij de VHG-voorwaarden hanteert (VHG is Koninklijke Vereniging van Hoveniers en groenvoorzieners) en dat die voorwaarden van toepassing zijn omdat zij daarnaar in haar facturen heeft verwezen en omdat [naam2] dezelfde voorwaarden hanteert en [naam2] die voorwaarden aan [geïntimeerden] c.s. ter hand heeft gesteld. Volgens haar is de verwijzing op de webpagina van De Limieten naar de VHG-voorwaarden voldoende om die voorwaarden van toepassing te verklaren, waarbij zij een beroep doet op artikel 6:230c BW.
5.6
Artikel 6.230c BW regelt de wijze waarop een dienstverlener aan de afnemer de door de wetgever verplicht gestelde informatie kan verstrekken. Het artikel gaat niet over de vraag of algemene voorwaarden van toepassing zijn; daarvoor gelden de normale regels voor aanbod en aanvaarding. De orderbevestiging van 1 april 2019 voor bos 2 en 16 maart 2020 voor bos 3 bevatten geen enkele verwijzing naar algemene voorwaarden. Alleen de daaraan voorafgaande orderbevestiging van 18 februari 2020 bevat de zinssnede “wij leveren volgens de geldende algemene voorwaarden”, dit zonder enige verdere verwijzing.
5.7
Het hof oordeelt dat op de orders van 1 april 2019 en 16 maart 2020 geen algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard. Dat op de daaruit voortvloeiende facturen wel een verwijzing naar de VHG-voorwaarden voorkomt, maakt niet dat die voorwaarden daardoor alsnog van toepassing zijn. De vage verwijzing op de orderbevestiging van 18 februari 2020 (betreffende een aantal fruitbomen) is evenmin voldoende om de VHG voorwaarden – waarnaar niet rechtstreeks wordt verwezen – van toepassing te verklaren op alle leveranties Het daaruit volgende ‘zoekplaatje’ waarbij de afnemer eerst klaarblijkelijk op zoek moet naar de website van De Limieten om daar een doorverwijzing naar de VHG-voorwaarden te zoeken, voldoet niet aan de eisen van de artikelen 6:230m en 230t BW betreffende de informatieplicht die op de handelaar rust. Deze artikelen zijn van toepassing omdat het gaat om overeenkomsten tussen een handelaar (De Limieten) en een consument ( [geïntimeerden] c.s. ) die zijn gesloten buiten de verkoopruimte van De Limieten.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft De Limieten nog aangevoerd dat de VHG-voorwaarden als bestendig gebruikelijk beding binnen de branche van toepassing zijn. Daaraan gaat het hof voorbij omdat daarvan onvoldoende is gebleken. Dat [naam2] dezelfde voorwaarden als De Limieten hanteert, kan deze gevolgtrekking niet dragen. De Limieten heeft deze stelling verder onvoldoende toegelicht.
De Limieten is aansprakelijk voor het doodgaan van de beuken en de tulpenboom
5.8
Het hof stelt met de rechtbank voorop dat bij bos 2 sprake is van een gemengde overeenkomst, namelijk van (consumenten)koop van de bomen en van aanneming van werk voor het planten van bomen, waarbij de bepalingen die op beide rechtsfiguren betrekking hebben, naast elkaar van toepassing zijn (zie artikel 7:5 lid 4 BW Pro). Anders dan De Limieten stelt, stond het de rechtbank vrij om [geïntimeerden] c.s. in staat te stellen nader bewijs bij te brengen van haar stelling dat sprake was van een toerekenbare tekortkoming van De Limieten.
5.9
[naam7] heeft in rapport [naam7] -V de samenstelling van de bodem in bos 2 beschreven. Hij heeft daartoe op twee plekken grondboringen verricht. Daarbij heeft hij de volgende bodemsamenstelling aangetroffen:
0 - 5 cm geroerde grond met intensieve beworteling van grasmat
5 -20 cm geroerde grond, klei met zand vermengd
20 - 35 cm geroerde grond, kleigrond
35 - 55 cm kleigrond met roest- en reductieverschijnselen
55 - 75 cm zeer zware klei (grijs/bruin)
75 - 95 - 95cm zeer zware klei (grijs)
95- 105cm zeer zware klei (grijs) met roest- en reductieverschijnselen
105- 125cm zeer zware klei (grijs) met roest- en reductieverschijnselen
125 - 145cm veengrond met klei vermengd
145- 180cm veengrond
Hij schrijft daarover:
“De geconstateerde roest- en reductieverschijnselen op 35-55cm diepte in de bodem is het gevolg van een schijngrondwaterstand. Op circa 55cm beneden maaiveld bevindt zich een storende kleilaag waardoor het water niet of nauwelijks wegzakt.
Niet of heel langzaam wegzakkend water verdrijft de zuurstof uit de bodem waardoor deze reduceert. Er ontstaan dan grijze reductievlekken. Wanneer het grondwater weggetrokken is en er weer zuurstof in de gereduceerde bodemlaag komt, ontstaan er bruine roestvlekken. De roest- en reductieverschijnselen in de bodem op 105-125cm diepte zijn het gevolg van de fluctuerende grondwaterstand. Vanuit dit bodemprofiel is af te leiden dat de laagste grondwaterstand circa 125cm beneden maaiveld is. De hoogste grondwaterstand circa 95cm beneden maaiveld is.
(…)
Een perceel met deze bodemstructuur is als ‘natte’ grond te kwalificeren. Oppervlaktewater kan namelijk niet wegzakken en blijft in de bovenlaag hangen. De roest- en reductieverschijnselen op een diepte van 35-55cm onder het maaiveld bevestigen dit.
De combinatie van een beukenboom (
Fagus) en ‘natte’ grond is ongelukkig. Een beukenboom verdraagt geen 'natte' groeiplaats.
Beuken van aangeplante formaat hebben ongetwijfeld een wortelkluit die hoger is dan 55cm. Dit betekent dat de bomen noodzakelijk met een gedeelte van de kluit in de storende kleilaag geplaatst zijn. Een gedeelte van de wortelkluit heeft in het water gestaan, vanwege zuurstofgebrek sterven wortels af, de bomen kunnen daardoor geen vocht en voedingsstoffen opnemen. Uiteindelijk zijn alle zeven beuken afgestorven.”
5.1
De Limieten heeft gesteld dat zij bij het planten van de betreffende bomen geen storende kleilaag heeft aangetroffen en dat het hele perceel van bos 2 door een grondwerker was diepgewoeld. Het hof gaat aan deze betwisting voorbij. De eigen deskundige [naam8] was bij het onderzoek door [naam7] aanwezig en betwist in zijn rapport [naam8] -II niet de feitelijke bevindingen dat op 55 cm diepte een storende kleilaag is aangetroffen met een laagdikte als door [naam7] is beschreven. Uit de bevindingen van [naam7] blijkt wel dat de grond ‘geroerd’ is door grondwerk, maar ‘slechts’ tot een diepte van 35 cm. Dit betekent dat de beukenbomen (en de tulpenboom waarvoor niets anders is gesteld) met een kluit die een omvang had van ruim meer dan 55 cm, deels in de nagenoeg ondoordringbare kleilaag zijn geplaatst. Die bomen werden op die wijze als het ware in die kleilaag in een ‘badkuip’ geplaatst, die vervolgens vol water kwam te staan omdat het water niet voldoende naar beneden kon zakken. Doordat de wortels voor een aanzienlijk deel onder water bleven staan, stierven die af met als gevolg dat de bomen doodgingen.
5.11
De Limieten heeft verder nog aangevoerd dat op het moment dat zij de beukenbomen plantte (medio april 2019) er geen water in het plantgat stond. Aangenomen dat dit juist is, weerspreekt dit het rapport van [naam7] niet. De maand april is gemiddeld een van de droogste maanden van het jaar; De Limieten heeft niet aangetoond dat dit in 2019 ter plaatse anders was. Dat er bij het planten geen water werd aangetroffen betekent dan ook niet dat het ‘badkuipeffect’ zich op een later, natter moment (bijvoorbeeld in de herfst/ winter 2018 – 2020) niet heeft voorgedaan. Daarom oordeelt het hof ook niet relevant dat de bomen in de zomer van 2019 wel waren aangeslagen en acht het hof het ook niet relevant om daarover de deskundige [naam10] nader te horen, zoals door De Limieten is aangeboden.
5.12
Het hof oordeelt dat, ook als ervan wordt uitgegaan dat aan de bomen bij levering niets mankeerde, De Limieten tekort is geschoten in haar verplichting om voor de afgesproken standplaats geschikte bomen te planten door bomen met een dergelijke grote kluit deels in een storende kleilaag te plaatsen. Dat [geïntimeerden] c.s. zo groot mogelijke bomen wilden ontslaat De Limieten niet van haar verantwoordelijkheid. Zij had bij het planten van de beukenbomen en het aantreffen van de storende kleilaag [geïntimeerden] c.s. expliciet moeten waarschuwen dat deze bomen het op die plek heel moeilijk zouden krijgen en dat aanvullende maatregelen (zoals het aanbrengen van drainage en het op een ‘terp’ planten van de bomen) noodzakelijk waren. Die waarschuwingsplicht volgt uit artikel 7:754 BW Pro. Dat heeft zij niet gedaan.
5.13
Deze tekortkoming van De Limieten is voldoende voor de partiële ontbinding van de overeenkomst voor bos 2. Het verweer van De Limieten c.s. dat de dood van de bomen (mede) het gevolg zou zijn van eigen handelen van [geïntimeerden] c.s. dan wel handelen van derden in hun opdracht, gaat niet op. [naam2] heeft, in opdracht van [geïntimeerden] c.s. , de bomen in de zomer beregend. Ter zitting bij het hof heeft De Limieten erkend dat [naam2] dit in overleg met De Limieten heeft gedaan en dat [naam2] zich aan de instructies van de Limieten heeft gehouden, zodat, als het beregeningswater in ‘de badkuip’ is blijven staan, dit aan De Limieten moeten worden toegerekend. De Limieten heeft bij het planten geen drainage aangelegd of geadviseerd. Zij heeft ook later niet aangeboden op haar kosten alsnog drainage in bos 2 aan te leggen, nog daargelaten dat niet vaststaat dat met het later (nadat de schade als gevolg van de wortelrot zichtbaar was geworden) aanleggen van drainage de beukenbomen nog hadden kunnen worden gered. Evenmin staat vast dat in bos 2 daadwerkelijk sprake is geweest van een hogere grondwaterstand als gevolg van het afwijkende peilbesluit voor het landgoed. De passages in het rapport van [naam7] -V over de hoogste grondwaterstand bieden daar geen aanknopingspunt voor. Het rapport [naam8] -II noemt dit alleen als mogelijkheid, maar geeft daarvoor geen redenen. Bovendien heeft [naam6] bij de rechtbank verklaard dat bos 2 hoger lag dan bos 3, wat maakt dat een eventueel hoger peil in de sloten bij bos 3 – wat [geïntimeerden] c.s. overigens hebben betwist – niet betekent dat ook bij bos 2 sprake was van een gelijke verhoging van het feitelijke peil in de sloten.
5.14
Het hof oordeelt dan ook dat wat De Limieten op dat punt nog heeft aangevoerd niet betekent dat haar vaststaande tekortkoming van zodanig geringe betekenis is dat deze de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst voor bos 2 niet rechtvaardigt. De tekortkoming kan aan De Limieten worden toegerekend en ook de door de rechtbank toegewezen aanvullende schade (herplantkosten) staat in causaal verband tot deze tekortkoming. De hoogte van die schadevergoeding is verder in hoger beroep niet aangevochten evenmin als de hoogte van de koopprijs die de rechtbank in aanmerking heeft genomen bij de gedeeltelijke ontbinding en de daaruit voortvloeiende ongedaanmakingsverplichting.
De vorderingen betreffende de haagbeuk worden afgewezen
5.15
Het hof wijst de vermeerderde eis die betrekking heeft op de haagbeuk af. Dat de haagbeuk ook is afgestorven is niet gebleken. Ter zitting bij het hof heeft [geïntimeerde1] verklaard dat de haagbeuk op het moment van de verkoop van het landgoed niet was verwijderd en dat deze niet was afgestorven. Volgens [naam7] verkeerde deze wel in mindere conditie en was er een deel van doodgegaan maar, anders dan in de memorie van antwoord is gesteld, kan niet worden geconcludeerd dat de haagbeuk niet meer te redden is, laat staan dat [geïntimeerden] c.s. nog aanzienlijke kosten moeten maken voor het verwijderen van de haagbeuk en de vervanging ervan door een andere boom.
De slotsom voor bos 2
5.16
Alle grieven die betrekking hebben op bos 2 falen, zodat het hof van dezelfde toewijsbare bedragen uitgaat als de rechtbank.
De vorderingen die zien op bos 3 worden afgewezen
5.17
Bij bos 3 is De Limieten alleen opgetreden als leverancier van de bomen. Met het feitelijk planten van de fruitbomen heeft zij geen bemoeienis gehad. Dat heeft [naam2] gedaan. [naam6] is wel aanwezig geweest bij de aflevering van een tweetal wilgen die hij had aangekocht bij [naam4] , maar uit niets blijkt dat hij adviezen heeft gegeven over het planten van de fruitbomen aan [naam2] , waarbij [naam6] ook niet aanwezig is geweest.
5.18
Over de fruitbomen heeft [naam7] in zijn rapport I verklaard dat afgestorven fruitbomen zijn doodgegaan doordat op ongeveer 50 cm diepte zich een storende kleilaag bevond waarin de zware kluiten geplant waren. Voor die fruitbomen gold hetzelfde als voor de beukenbomen in bos 2: de plantgaten zijn vol water komen te staan. Hij schrijft:
“De kiemende wortels binnen de wortelkluit zijn vanwege zuurstofgebrek afgestorven en zelfs de dikkere wortels zijn hierdoor volledig verrot. De bomen hebben in de bovenlaag van de kluit, waar nog wel zuurstof beschikbaar was, haarwortels gemaakt, deze wortels konden echter onmogelijk de opname verzorgen die nodig was om de relatief grote bovengrondse kroon te voorzien. Afsterving van de boom was hierdoor onvermijdelijk. Een bijkomend probleem is dat door de zuurstofloze omstandigheden in het plantgat de omzetting van het aangebrachte organisch materiaal plaatsvindt onder anaerobe omstandigheden. Bij deze omzetting ontstaat moerasgas. Dit gas ontwijkt naar boven, de methaan-bacteriën in dit gas consumeren alle zuurstof waardoor het bodemleven in de wortelkluit verstikt. Ook fruitbomen houden van ‘droge voeten’. Om dit toch te realiseren op deze plaats zouden de bomen op terpen geplant moeten worden. Door de bomen op ruggen te planten en ertussen greppels te maken voor de afvoer van het water zou de groei van vruchtbomen mogelijk zijn op deze plaats.
Een ander alternatief zou zijn, soorten te planten die wel tegen natte grond kunnen zoals een els en een wilg.
(…)
De geleverde bomen zijn van redelijke kwaliteit. De kroon is relatief zwaar en had bij het planten ingenomen moeten worden. Dit heeft de hergroei niet bevorderd.
Een grote kroon heeft veel bladvolume dat water verdampt. Een pas geplante boom
heeft zijn opnamewortels alleen nog in de kluit zitten. Te veel verdamping veroorzaakt al snel hergroeiproblemen doordat de wortels de vraag niet aankunnen. De wortelontwikkeling in de kluit was goed. Een goed vertakt wortelgestel, zonder zware, onvertakte wortels, is er geconstateerd. Geplant op een goede groeiplaats zouden deze bomen, zelfs met de relatief grote kroon, wel hergroei hebben gegeven. Het planten van de bomen is zorgvuldig en volledig uitgevoerd. Ook hier geldt dat wanneer de bomen een goede groeiplaats gehad hadden de hergroei gegarandeerd zou zijn.
(…)
De combinatie van zware vruchtbomen met een grote kluit in een bodem waar op 50cm diepte zich een kleilaag (zeer zware klei) bevindt, is een combinatie die bij voorbaat niet haalbaar is. Vrijwel alle vruchtbomen kunnen niet tegen natte gronden.
Een kleinere vruchtboom zou wel aanslaan op deze grond, maar op termijn toch
problemen krijgen met de nattigheid van de bodem.
De enige mogelijk om toch vruchtbomen van dit formaat op deze plaats te planten is door de bomen op een terp of rug te planten. Het hele perceel zou dan opnieuw ingericht moeten worden. De bomen zouden dan voldoende ondergrondse groeiruimte hebben om uit te kunnen groeien, het overtollige water kan dan via de greppels afgevoerd worden naar het oppervlaktewater.”
5.19
Het hof leidt uit dit rapport af dat de door De Limieten geleverde fruitbomen van voldoende kwaliteit waren en dat het probleem zit in de standplaats en de wijze waarop de bomen zijn geplant. Het staat vast De Limieten de standplaats van de fruitbomen niet heeft bepaald. Die standplaats volgde uit de omgevingsvergunning (zie hiervoor rov 3.5). Dat de geleverde bomen absoluut ongeschikt waren voor een standplaats in bos 3 kan het hof uit [naam7] -I niet afleiden. Immers schrijft hij daarin dat de bomen het met een andere inrichting van bos 3 waarbij de bomen op een terp (dus ruim boven de storende laag) en met voldoende drainage mogelijk wel zouden redden. Uit de in het geding gebrachte foto’s blijkt overigens dat de fruitbomen na het planten zijn ‘gezakt’ doordat de grond van de boomspiegel later is opgehoogd waardoor de bovenzijde van de kluiten onder het maaiveld niveau zijn terechtgekomen. De bomen zijn daarmee nog dieper komen te staan, wat ook niet zal hebben bijgedragen aan de levensvatbaarheid van de bomen.
5.2
Het hof deelt niet het oordeel van de rechtbank dat een kweker die alleen bomen levert verplicht is om zonodig bodemonderzoek te laten verrichten om er zeker van te zijn dat de bodem geschikt is voor de aanplant van de te leveren bomen. De Limieten heeft met het rapport [naam10] (zie ovw. 3.21) voldoende aangetoond dat een zo vergaande verplichting binnen de branche ook niet gebruikelijk is. Als de kweker om advies gevraagd wordt, moet hij wel naar beste weten adviseren over de geschiktheid van de bomen voor de betrokken standplaats. De Limieten had geen specifieke kennis van de bodemgesteldheid in het weiland dat bos 3 zou moeten worden. Bij de grondwerkzaamheden is zij niet betrokken geweest. Ook haar betrokkenheid bij het ontwerp is beperkt: zij heeft (in de persoon van [naam5] ) alleen aangegeven welke boom op welke plek in het door de gemeente voorgeschreven en daarna door de aan [naam2] verbonden tuinontwerpster vastgestelde dobbelsteenverband kon worden geplaatst. Bij bos 2 heeft De Limieten verkeerde conclusies getrokken uit de geschiktheid van de bodem voor de aanplant van bomen met een grote kluit. Uit haar betrokkenheid bij de aanplant van bos 2 kan dan ook niet worden afgeleid dat zij bijzondere kennis had van de mogelijke gesteldheid van de bodem in bos 3, welke bijzondere kennis had moeten leiden tot het aanbieden van andere (kleinere) fruitbomen, in weerwil van de wens van [geïntimeerden] c.s. om zo groot mogelijke fruitbomen te planten.
5.21
[naam2] had de fruitbomen op een andere wijze moeten planten, namelijk op terpen zodat de kluiten boven de storende kleilaag bleven, dan wel had zij de fruitbomen terug moeten sturen als [geïntimeerden] c.s. deze terpen om esthetische redenen had afgekeurd. De Limieten heeft zich niet met het planten van de fruitbomen bemoeid, ook omdat [naam2] had gezegd dat zij, afkomstig uit de Betuwe, wel wist hoe fruitbomen geplant moesten worden.
5.22
De grieven die zien op de aansprakelijkheid van het afsterven van de fruitbomen in bos 3 zijn terecht voorgedragen. De gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst die ziet op bos 3 is ten onrechte toegewezen.
De nevenvorderingen
5.23
Aangezien het hof oordeelt dat de overeenkomsten betreffende bos 3 ten onrechte deels zijn ontbonden, komen ook de kosten voor de rapporten van [naam7] die zien op de bomen voor dit bos niet voor vergoeding in aanmerking. De daarop betrekking hebbende grief in incidenteel appel faalt.
5.24
De kosten van het [naam7] -V zijn door de rechtbank wel terecht toegewezen omdat het hof de rechtbank volgt in de partiële ontbinding van de overeenkomst voor bos 2. De daartegen gerichte grief van De Limieten treft geen doel.
Het beroep op verrekening en de vordering tot betaling van de openstaande factuur
5.25
Het hof oordeelt dat [geïntimeerden] c.s. voor bos 2 recht hebben op € 38.350,- (inclusief btw) aan terugbetaling koopsom en € 9.000 aan schadevergoeding, samen € 47.350,-. Dit bedrag kan verrekend worden met de openstaande factuur van De Limieten van € 60.250,-, zodat resteert een bedrag van € 12.900 ten voordele van De Limieten. Daarover zijn [geïntimeerden] c.s. de gewone wettelijke rente verschuldigd vanaf 2 april 2021. Aangezien [geïntimeerden] c.s. particulieren zijn, heeft De Limieten geen recht op wettelijke handelsrente. Wel heeft zij recht op de door haar gevorderde incassokosten, berekend volgens het Besluit vergoeding voor incassokosten over het verschuldigde bedrag, neerkomende op € 904. Daarover heeft zij geen rente gevorderd.
De proceskosten
5.26
Gelet op deze uitkomst zal het hof de kosten van de procedure bij de rechtbank (zowel in conventie als in reconventie) compenseren omdat beide partijen daarin over en weer in het ongelijk zijn gesteld. Dat geldt ook voor de kosten van het hoger beroep van De Limieten. In hun hoger beroep zal het hof [geïntimeerden] c.s. als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten veroordelen, te begroten op, per saldo, 1 punt naar het tarief behorende bij tariefgroep III van het liquidatietarief. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
De slotsom
5.27
Het hof zal het de beslissingen onder 4.1 en 4.5 van het eindvonnis bekrachtigen, dat vonnis voor het overige vernietigen evenals de aangevochten beslissingen uit het tussenvonnis, en opnieuw rechtdoende [geïntimeerden] c.s. veroordelen tot betaling van het onder 5.25 genoemde bedrag en de proceskosten vaststellen overeenkomstig rechtsoverweging 5.26
5.28
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6.De beslissing

Het hof:
6.1
vernietigt de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 19 oktober 2022 en 21 juni 2023, behalve de beslissingen onder 4.1 en 4.5 van het eindvonnis die hierbij worden bekrachtigd, en beslist opnieuw rechtdoende als volgt:
6.2
veroordeelt [geïntimeerden] c.s. om aan De Limieten te betalen een bedrag van € 12.900, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 april 2021 tot de dag van volledige betaling en te vermeerderen met een bedrag van € 904 aan buitengerechtelijke incassokosten.
6.3
veroordeelt [geïntimeerden] c.s. tot betaling van € 1.670 aan salaris advocaat van De Limieten c.s. aan proceskosten in hun (incidenteel) hoger beroep en bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
6.4
bepaalt dat iedere partij voor het overige de eigen kosten draagt van de procedures bij de rechtbank en het hof;
6.5
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.6
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, W.F. Boele en J. Smit en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.