ECLI:NL:GHARL:2026:1654

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
24/1041
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.133 Wet IB 2001Art. 3.137 Wet IB 2001Art. 30i Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 8:73 AwbArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen aanslag inkomstenbelasting 2018 wegens frauduleuze afkoop lijfrenteverzekering

Belanghebbende was aangeslagen voor de inkomstenbelasting 2018 inclusief revisierente wegens afkoop van een lijfrenteverzekering. De Inspecteur baseerde dit op een renseignement van de verzekeraar dat de lijfrente was afgekocht. Belanghebbende stelde dat hij de afkoop niet heeft gedaan en dat de uitkering rechtstreeks aan zijn ex-partner is betaald, hetgeen door fraude is veroorzaakt.

De rechtbank wees het beroep af, maar het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende de afkoop niet heeft gedaan. Het Hof baseert dit op het fraudeonderzoek van de verzekeraar, de herstelbrief van de polis, en de geloofwaardige verklaring van belanghebbende dat hij niet op de hoogte was van de afkoop door zijn ex-partner. De Inspecteur had onvoldoende bewijs om de fraude te weerleggen.

Het Hof oordeelt dat de afkoop niet aan belanghebbende kan worden toegerekend en dat de aanslag en revisierente onterecht zijn opgelegd. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing van onrechtmatig handelen door de Inspecteur. Het Hof veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van griffierecht en reiskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de aanslag en revisierente worden verminderd wegens frauduleuze afkoop niet door belanghebbende, en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1041
uitspraakdatum: 17 maart 2026
Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 15 maart 2024, nummer ARN 23/1359, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Eindhoven(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente en revisierente berekend.
1.2.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag en de beschikkingen gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [naam1] en mr. [naam2] namens de Inspecteur. Het onderzoek is ter zitting gesloten. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
1.6.
Op 24 februari 2026 heeft het Hof per post een nader stuk van belanghebbende ontvangen, dat aan het digitale dossier is toegevoegd. Het Hof heeft in dit stuk geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft in het verleden bij [verzekeraar] (hierna: de verzekeraar) een lijfrenteverzekering (hierna: de lijfrente) afgesloten, waarvan hij de verzekeringnemer en begunstigde is. Belanghebbende heeft de premies voor de lijfrente als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek gebracht. Voor het jaar 2018 waren nog geen lijfrentetermijnen vervallen.
2.2.
De Inspecteur heeft van de verzekeraar een renseignement ontvangen, waarin staat dat belanghebbende de lijfrente in 2018 heeft afgekocht.
2.3.
De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2019 uitgenodigd om aangifte IB/PVV 2018 te doen.
2.4.
Eveneens met datum 28 februari 2019 heeft de Inspecteur belanghebbende een brief gestuurd over “afgekochte lijfrente in uw aangifte inkomstenbelasting 2018”. In deze brief staat onder meer:
“(…) Volgens mijn gegevens hebt u in 2018 een lijfrenteproduct afgekocht. In de aangifte staan hier enkele vragen over. Ik merk dat niet iedereen weet hoe ze die vragen moeten invullen. Met deze brief wil ik u daarbij graag helpen.
Inkomstenbelasting en revisierente
Als u uw lijfrente afkoopt, betaalt u inkomstenbelasting over de afkoopsom, en in de meeste gevallen ook revisierente. (…)”
2.5.
Op 8 juli 2019 heeft belanghebbende zijn aangifte IB/PVV 2018 ingediend, naar een verzamelinkomen van € 122.656. In de aangifte heeft belanghebbende geen afkoop van een lijfrente opgenomen.
2.6.
Bij brief van 13 juni 2020 heeft de Inspecteur belanghebbende het volgende bericht:
“Volgens onze gegevens hebt u in 2018 uw lijfrente afgekocht. U hebt deze afkoop waarschijnlijk niet helemaal goed in uw aangifte Inkomstenbelasting 2018 ingevuld. Wij vragen u daarom uw aangifte te controleren en eventueel aan te passen. Doe dit vóór 1 augustus 2020.
Belasting bij afkoop lijfrente
Als u uw lijfrente afkoopt, betaalt u inkomstenbelasting over de afkoopsom. Soms houdt een bank of verzekeraar ook loonheffing in, dit kunt u ook zien in de jaaropgaaf van uw bank of verzekeraar. Als dat zo is, verrekenen wij dit met uw inkomstenbelasting. U betaalt dus nooit dubbel belasting.
Revisierente
Als u uw lijfrente afkoopt, betaalt u in de meeste gevallen ook revisierente. Dit is een wettelijk voorgeschreven rentevergoeding die u betaalt over de afkoopsom.
Hoe verwerkt u uw afgekochte lijfrente in uw aangifte inkomstenbelasting?
(…)
Denkt u dat u de afkoop lijfrente wel goed hebt ingevuld?
Dan hoeft u uw aangifte niet aan te passen. Wij nemen contact met u op om dit verder te bespreken.
(…)”
2.7.
Bij brief van 12 augustus 2020 heeft mr. [naam3] , de belastingadviseur van belanghebbende, de Inspecteur als volgt bericht:
“In aanvulling op ons schrijven van 29 juli jl. (…) inzake een afkoop van een lijfrente in 2018, en ter onderbouwing van hetgeen in deze brief door ons is vermeld zenden wij u hierbij een bevestiging van [de verzekeraar] waaruit blijkt dat de uitkering als gevolg van de afkoop van de lijfrentepolis met nummer [polisnummer] niet door [belanghebbende] is genoten.”
De genoemde brief van 29 juli 2020 maakt geen onderdeel uit van het dossier. De in de brief van 12 augustus 2020 genoemde bevestiging van de verzekeraar is een e-mailbericht met datum 4 augustus 2020 van de verzekeraar aan belanghebbende. Daarin staat onder meer:
“Naar aanleiding van uw verzoek delen wij u het volgende mee.
U heeft op 15-03-2018 bij ons verzoek ingediend om uw levensverzekering onder polisnummer [polisnummer] af te kopen en over te maken naar uw ex-partner (…).
Zowel u als uw ex-partner hebben hiervoor getekend. Wij hebben conform uw verzoek de uitkering overgemaakt per 15-03-2018 naar de rekeningnummer (…) t.n.v. [de ex-partner] onder vermelding afkoop [polisnummer] .
Overzicht van de betaling.
Bruto 14.901,67
LH 7.748,87
Netto 7.152,80 ”
In de bijlage(n) treft u de documenten.”
De adviseur van belanghebbende heeft bij zijn brief van 12 augustus 2020 aan de Inspecteur de volgende bijlagen van de verzekeraar verstrekt:
  • een document “verzoek om uitbetaling” aan de ex-partner van belanghebbende met datum 22 maart 2018, met daarop een handtekening die bij de verzekeraar bekend staat als de handtekening van belanghebbende.
  • een brief van de verzekeraar van 18 april 2018, gericht aan belanghebbende, verstuurd naar het adres [adres1] te [woonplaats] , over de fiscale gevolgen van de afkoop:
“Geachte [belanghebbende],
U hebt ons gevraagd de levensverzekering af te kopen.
De afkoopwaarde van uw verzekering is: € 14.901,67
De afkoopwaarde hebben wij berekend per :15 maart 2018
In de bijlage bij deze brief vindt u de kosten die bij afkoop in rekening gebracht worden.
Wat zijn de fiscale gevolgen voor u?
Wij zijn verplicht 52% loonbelasting in te houden over de afkoopwaarde en af te dragen aan de Belastingdienst. U geeft de afkoopwaarde op als inkomen in box 1 bij uw aangifte inkomstenbelasting. Daarnaast bent u een boeterente (maximaal 20% van de afkoopwaarde) aan de Belastingdienst verschuldigd.
Het is mogelijk dat in de afkoopwaarde een onbelast saldo aanwezig is. Bijvoorbeeld omdat u premies niet hebt afgetrokken. De hoogte van dit onbelast saldo bepaalt u samen met de Belastingdienst. De Belastingdienst stelt bij uw aangifte vast of u nog een bedrag ontvangt of moet betalen.
Wij maken de afkoopwaarde verminderd met de inhoudingen over op het rekeningnummer dat u (eerder) hebt opgegeven.
De hoogte van de inhoudingen vindt u terug op uw dagafschrift.
Uw verzekering is hierdoor vervallen. Herstel van de verzekering is niet meer mogelijk.”
2.8.
Bij brief van 14 augustus 2020 heeft de belastingadviseur de Inspecteur als volgt bericht:
“(…) In 2018 is een polis bij [de verzekeraar] met polisnummer [polisnummer] afgekocht die in het verleden op naam van [belanghebbende] heeft gestaan. Uit informatie die wij hebben ontvangen van de [verzekeraar] blijkt echter dat de uitkering in 2018 niet heeft plaatsgevonden op naam van [belanghebbende], maar op naam van zijn ex-partner. Wij verwijzen naar een als bijlage bij deze brief opgenomen bevestiging hiervan door [de verzekeraar].
De uitkering is, zo bevestigt deze email, niet door [belanghebbende] genoten.
Gezien bovenstaande is door ons de uitkering van [de verzekeraar] niet in aanmerking genomen in de aangifte inkomstenbelasting 2018 en is deze aangifte ook niet aangepast naar aanleiding van uw schrijven van 13 juni jl.”
2.9.
Bij brief van 3 mei 2021 heeft de Inspecteur de belastingadviseur gevraagd om informatie te sturen om te kunnen beoordelen bij wie de afkoop belast is:
“(…)
Terugbetaalde premies inkomensvoorzieningen of aangepaste lijfrente
In 2018 is een polis lijfrenteverzekering van [de verzekeraar] afgekocht. Dit bedrag is niet aangegeven. In een brief van 14 augustus 2020 meldt u waarom.
Om te kunnen beoordelen bij wie deze afkoop belast is, verzoek ik u mij de volgende informatie te sturen:
Een kopie van de volledige echtscheidingsconvenant.
Is de begunstiging van de polis bij de echtscheiding gewijzigd? Zo ja, graag de stukken waaruit dit blijkt.”
2.10.
De belastingadviseur in zijn brief van 25 mei 2021 aan de Inspecteur als volgt geantwoord op het schrijven 3 mei 2021:
“Wij kunnen geen. stukken overleggen waaruit blijkt dat de begunstigde van de polis bij de echtscheiding is gewijzigd. Dat dit feitelijk wel heeft plaatsgevonden blijkt reeds uit ons schrijven van 12 augustus welke wij als bijlage hebben bijgevoegd.
Indien u het standpunt inneemt dat u moet afwijken van de ingediende aangifte, dan verzoeken wij u om contact op te nemen met [belanghebbende] op telefoonnummer (…). Hij zou graag de kwestie persoonlijk toelichten.”
2.11.
Bij brief van 6 september 2021 heeft de Inspecteur belanghebbende bericht over zijn voornemen om van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 14.901, om € 2.980 (20%) revisierente te berekenen en om rekening te houden met een bedrag van € 7.749 aan ingehouden loonheffing.
2.12.
Bij brief van 24 september 2021 heeft de adviseur van belanghebbende de Inspecteur geïnformeerd dat belanghebbende het niet eens is met het voornemen van de Inspecteur. Hij heeft onder meer geschreven:
“Het betreft de afkoop van een lijfrente in 2018 waarvan wij in onze eerdere correspondentie hebben aangetoond dat onze cliënt weliswaar formeel de begunstigde is van deze uitkering, echter dat deze uitkering feitelijk niet door hem is genoten. De lijfrente-uitkering is door de verzekeringsmaatschappij rechtstreeks aan zijn ex-echtgenote betaald conform door hen onderling gemaakte afspraken in het kader van de echtscheiding.
Wij stellen u de vraag of het bedoeling van de Nederlandse wetgever is om revisierente over de afkoop van een lijfrentepolis te innen bij een belastingplichtige die feitelijk de uitkering van de lijfrente niet heeft genoten. Wij vragen u daarom om de feiten nog eens te beoordelen en hierbij niet alleen de formaliteiten in acht te nemen, maar een eventuele heffing van de revisierente te beoordelen op basis van redelijkheid en billijkheid.”
2.13.
Bij brief van 4 oktober 2021 heeft de Inspecteur de adviseur van belanghebbende geïnformeerd dat zijn voornemen niet is veranderd:
“(…) U hebt mij geïnformeerd over de afkoop van de lijfrenteverzekering van [de verzekeraar]. Het nettobedrag is overmaakt op rekening van de ex-partner. Dit was afgesproken is het echtscheidingsconvenant.
Uw cliënt heeft op zijn verzoek de lijfrenteverzekering afgekocht. De uitkering is gedaan aan [belanghebbende] als begunstigde, maar op zijn verzoek gestort op het rekeningnummer van zijn ex-partner. Het lijkt er op dat bij de afspraken in het echtscheidingsconvenant de verschuldigde revisierente over het hoofd is gezien. Wellicht heeft uw cliënt nu een vordering op zijn ex-partner ter grootte van het bedrag van de revisierente. Ik heb dan ook besloten de afwijking van de aangifte van uw cliënt op dit punt te handhaven. (…)”
2.14.
Met dagtekening 21 oktober 2021 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2018 aan belanghebbende opgelegd, rekening houdend met de afkoop van de lijfrente. Daarbij heeft de Inspecteur € 258 belastingrente en € 2.980 revisierente in rekening gebracht. De aanslag resulteert in een te betalen bedrag van € 3.230.
2.15.
In de bezwaarfase heeft belanghebbende herhaald dat de lijfrente niet naar hem is overgemaakt en dat hij deze uitkering dus feitelijk niet heeft genoten en heeft hij aangegeven dat conform de afspraken bij de echtscheiding de lijfrente aan de ex-echtgenote zou worden uitgekeerd, hetgeen ook heeft plaatsgevonden. Belanghebbende stelt primair dat de afkoop niet bij hem is belast en vraagt subsidiair om op grond van redelijkheid en billijkheid geen revisierente te berekenen.
2.16.
In een e-mail van 3 oktober 2022 heeft belanghebbende aan de Inspecteur geschreven:
“Zoals eerder gesteld door mijn adviseurs, maak ik nogmaals en wederom bezwaar tegen uw voorgenomen besluit. Ik ben van mening en ik verwijs naar alle bewijsstukken in uw dossier en de eerder verzonden correspondentie dat de aanslag niet aan mij toebehoort, ik ben niet de begunstigde van de uitgekeerde premie. Tijdens mijn scheiding heeft onze gezamenlijke financieel deskundige ondersteund in de financiële afhandeling van o.a. ons huis en de goederen. [naam4] van [bedrijfsnaam] in [vestigingsplaats] . Hij heeft ons ondersteund en geadviseerd en vervolgens zaken georganiseerd Zaken waarvan wij geen kennis hebben en afhankelijk zijn van hem als een derde en als financieel /verzekering deskundige.
Ik heb met het advies van deze deskundige ingestemd inzake de afhandeling, het uitgekeerde premie bedrag is in het geheel tegemoet gekomen aan mijn ex-vrouw, (…). Ik heb zoals aangegeven en aangedragen niet genoten van het geld/de vrijgekomen premie, maar dien in uw optiek nu wel belasting premie over dit bedrag te betalen wat ik niet eerlijk en billijk vind.
Daarnaast hebben wij destijds een gelijke verdeling gemaakt, die door deze betaling ook uit verhouding gaat, de 50/50 verdeling zoals overeengekomen met mijn ex vrouw is dan niet meer gelijk verdeeld, zoals ingestoken was bij de scheiding en is uitgesproken door de rechtbank.
U stelt in uw beoordeling een aantal zaken voor, waar ik niet aan zou voldoen naar richtlijnen vanuit de belastingdienst?. Wat ik onbegrijpelijk vindt en waar ik geen kennis van heb. Wat ik wel weet is dat, en nogmaals ik ben een gewone eerlijke burger, dat de uitgekeerde lijfrente is uitgekeerd aan een mijn ex vrouw (…).
Dan kan het niet naar mijn leken mening & verstand, en nogmaals, niet zo zijn dat ik daarvoor aangeslagen word! De verzekeraar heeft u dat bevestigd per schrijven. Meer overtuigend bewijs kan er niet zijn, het bewijs is dan ook overtuigend overdragen en bewezen naar mijn mening.
Ik wil dan ook vragen om de redelijkheid en billijkheid toe te rassen in uw afweging en besluit (verzoek 2) ,u en ik weten allebei, waarom zaken zo gelopen en verlopen zijn, daar ben ik steeds eerlijk over geweest. U weet wie de begunstigde is en de ontvanger is van het premie bedrag, ik ben van mening dat u daar de belasting toeslag dient neer te leggen.
Ik vraag u een menselijke afweging te maken in deze kwestie. Zoals ook in de kindertoeslag affaire, het leven van burgers /mensen is niet zwart en wit, de belastingdienst heeft de verantwoordelijkheid zaken af te wegen en de wet toe te passen, maar daarbij niet het menselijke aspect uit het oog te verliezen (het grijze gebied). Ik betaal mijn hele leven netjes alle andere belasting zaken, ik ben altijd eerlijk, netjes en handel naar de wet en heb u in deze kwestie overtuigend en eerlijk bewijs overlegd.
Ik vraag u, de belasting dienst mijn bezwaar toe te kennen en de aanslag te laten vervallen.”
2.17.
Op 5 oktober 2022 heeft de Inspecteur in een e-mail aan belanghebbende geschreven:
“(…) Ten aanzien van uw tweede verzoek om redelijkheid en billijkheid toe te passen, blijf ik bij mijn standpunt dat ik hiervoor geen ruimte zie. (…) Bij het opleggen van revisierente is het niet van belang om wie de uiteindelijke genieter is of waar het afgekochte bedrag voor wordt gebruikt. Als dit wel zo was geweest dan zou dit overigens wel als uitzondering zijn vermeld. Verder geeft u aan dat u geen deskundige bent op dit gebied en dus ook hulp hebt gehad van adviseurs. Tijdens de afwikkeling van uw scheiding bent u uitgegaan van de expertise van uw adviseurs en dus akkoord gegaan met hun financiële advies ten aanzien van het huis, boedel en goederen. Ik weet uiteraard niet wat er is besproken tussen u en uw adviseurs inzake de financiële afwikkeling van uw echtscheiding. De Belastingdienst is hierin ook geen partij en dus ook niet verantwoordelijk voor datgene wat u al dan niet is geadviseerd.
Tot slot ben ik als inspecteur binnen een uitvoeringsorganisatie gebonden om zaken te toetsen binnen de kaders van de wet en daarbij oog te hebben voor de menselijke maat. In uw geval is er getoetst binnen de wet (artikel 30i lid 2 Algemene wet inzake Rijksbelastingen) en gebleken dat u revisierente verschuldigd bent. Uw beroep om bij de afhandeling van uw zaak de menselijke maat af te wegen vanuit het oogpunt van de Toeslagen affaire en dat u altijd eerlijk uw belasting aangeeft en betaald, is voor mij geen reden om af te wijken van de wet. De menselijke maat is bedoeld dat ieder burger in gelijke gevallen dezelfde behandeling mag verwachten, wat in uw geval ook is gebeurd.”
2.18.
Medio oktober 2022 heeft belanghebbende zijn financieel adviseur gevraagd om bij de verzekeraar te laten onderzoeken dat er iets niet is gelopen zoals het had moeten lopen. Daarop is de verzekeraar een fraude-onderzoek gestart. Belanghebbende heeft de Inspecteur gevraagd om de uitkomst van dit onderzoek af te wachten.
2.19.
Op 26 oktober 2022 heeft de Inspecteur in een e-mailbericht aan belanghebbende geschreven:
“Bedankt voor uw reactie. Ik ben echter niet van plan om uw verzoek om het onderzoek van [de verzekeraar] af te wachten en wel om de volgende reden.
Mocht er uit het onderzoek blijken dat er gefraudeerd is, dan kunt u de geleden schade niet corrigeren via de Belastingdienst. De Belastingdienst is daarbij namelijk geen partij. U zult dan een civiele procedure moeten opstarten waarbij u de geleden schade bij de fraudeur verhaald.
Daarnaast ben ik van mening dat u de afgekochte lijfrente in 2018 al had ontvangen. U had toen al kunnen weten dat er iets niet in de haak was. Echter, u hebt de afkoop van de lijfrente destijds niet in twijfel getrokken. U bent pas in actie gekomen nadat u revisierente verschuldigd was over de afkoop.
Verder bleek uit ons telefoongesprek ook dat u naar mijn inziens wel degelijk wetenschap had van de afgekochte lijfrente. U had namelijk aangegeven dat de lijfrente afgekocht zou worden, maar dat uw deel aan uw ex-partner zou overmaken. Zoals ik tijdens ons telefoongesprek heb aangegeven wijzigen de fiscale voorwaarden bij afkoop van een lijfrente niet wanneer u afspreekt om het bedrag aan afgekochte lijfrente over te maken aan uw ex-partner. Het maakt namelijk voor de Belastingdienst niet uit wat u met het bedrag achteraf doet. In een eerdere e-mail hebt u een screenshot gemaakt van een brief van [de verzekeraar] en daaruit blijkt dat [de verzekeraar] een soortgelijke conclusie trekt. Afspraken die u bij de echtscheiding maakt hebben geen invloed op de polis en de wijze waarop zij het verwerken in de administratie.”
2.20.
Bij uitspraak op bezwaar van 4 november 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.
2.21.
[naam5] van de verzekeraar heeft op 20 maart 2023 een e-mailbericht aan belanghebbende gestuurd:
“(…)
Eindconclusie onderzoek
Onze eindconclusie is dat [de verzekeraar] is misleid en dat de beëindiging van polis [polisnummer] in 2018 onterecht is. De waarde die tot dat moment was opgebouwd in de polis is uitgekeerd onder valse voorwendselen. U heeft voldoende aangetoond dat u de handtekening onder het uitbetalingsformulier van maart 2018 niet heeft gezet. Uw ex-partner ontkent de handtekening te hebben gezet. Voor haar is het natuurlijk zeer lastig dit te onderbouwen. We hebben daarom de gehele samenloop van omstandigheden meegenomen. Dit heeft ertoe geleid dat we tot de conclusie zijn gekomen dat we weliswaar zijn misleid, maar niet per definitie met kwade opzet.
(…)
Herstel polis [polisnummer]
Er is een mogelijkheid dat uw polis wordt hersteld alsof de beëindiging nooit heeft plaatsgevonden. Uw polis zou dan weer vallen onder het fiscaalregime wat er toen gelde.
U moet dan wel rekening houden met de premies die dan in een keer over deze gehele periode ineens moeten worden geïncasseerd. Ik weet natuurlijk niet wat u persoonlijke voorkeur heeft en vraag u dit na overleg met uw adviseur in antwoord op deze mail aan te geven. Een precieze berekening kan de afdeling verzorgen die hier over gaat.”
2.22.
Belanghebbende heeft bij de politie valsheid in geschrifte, identiteitsfraude en schending van het briefgeheim door zijn ex-partner gemeld, hetgeen is vastgelegd in een proces-verbaal van 23 juni 2023. Hij heeft geen aangifte gedaan.
2.23.
Met dagtekening 22 november 2023 heeft de directeur van de verzekeraar een brief aan belanghebbende gestuurd met als onderwerp “herstel verzekering”:
“Beste [belanghebbende],
Middels deze brief bevestigen wij u dat wij uw verzekering met polisnummer [polisnummer] hebben hersteld.
De situatie van vóór afkoop is daarmee weer van toepassing.
Meer weten?
(…)”
2.24.
De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 15 maart 2024 geoordeeld dat de Inspecteur de afkoopsom voor de lijfrente terecht bij belanghebbende in aanmerking heeft genomen. De Rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanspraak op de lijfrente op basis van de afspraken in het kader van de echtscheiding aan zijn ex-partner toekomt en dat de negatieve inkomsten voor inkomensvoorzieningen aldus in de aangifte IB/PVV 2018 van de ex-partner in aanmerking dienen te worden genomen.
De stelling van belanghebbende dat hij niet op de hoogte was van de beëindiging van de polis door zijn ex-partner acht de rechtbank niet aannemelijk. Ook de stelling van belanghebbende dat zijn handtekening is vervalst door zijn ex-partner acht de Rechtbank niet aannemelijk. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de Rechtbank dan ook niet aannemelijk gemaakt dat door het herstel van de polis in 2023 geen sprake zou zijn van een afkoop van de lijfrente in het jaar 2018. De heffing over de afkoop en de in rekening gebrachte revisierente heeft de Rechtbank in stand gelaten.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de aanslag IB/PVV 2018 naar het juiste bedrag is opgelegd, of daarbij terecht revisierente is berekend en of belanghebbende recht heeft op vergoeding van schade.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt de eerste twee vragen ontkennend en de laatste vraag bevestigend. Hij stelt primair dat hij de lijfrente in 2018 niet heeft afgekocht, zodat de afkoopwaarde van de polis ten onrechte bij hem is belast en hem ten onrechte revisierente in rekening is gebracht. Subsidiair stelt hij dat het in strijd is met de redelijkheid en de billijkheid om hem revisierente in rekening te brengen, aangezien hij de lijfrenteafkoopsom niet heeft genoten en de lijfrente door de verzekeraar ook is hersteld. Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding stelt belanghebbende dat hij buiten zijn schuld om veel kosten heeft moeten maken.
3.3.
De Inspecteur beantwoordt deze vragen tegenovergesteld. Hij stelt zich op het standpunt dat belanghebbende de lijfrente in 2018 heeft afgekocht, en als belanghebbende dat zelf niet heeft gedaan toch een afkoop bij hem in aanmerking moet worden genomen. Er is volgens de Inspecteur geen reden om geen revisierente in rekening te brengen. De Inspecteur ziet geen aanleiding voor een schadevergoeding.

4.Beoordeling van het geschil

Afkoop
4.1.
Een lijfrenteverzekering is een levensverzekering. De verzekeringnemer heeft het recht de lijfrenteverzekering door de verzekeraar te doen afkopen. [1] Als de verzekeringnemer van dit recht gebruik maakt, wordt inbreuk gemaakt op de voorwaarden van de lijfrenteverzekering, waardoor het inkomen uit werk en woning van de verzekeringnemer in het verleden – omdat achteraf bezien niet aan de voorwaarden werd voldaan – ten onrechte is verminderd met betaalde lijfrentepremies (uitgaven voor inkomensvoorzieningen). Op grond van artikel 3.133 en 3.137 Wet IB 2001 geldt daarom in het jaar van de afkoop van de lijfrenteverzekering een bijtelling (in de vorm van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen) bij het inkomen uit werk en woning van de verzekeringnemer ter grootte van de waarde in het economische verkeer van die aanspraak op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan de afkoop (de afkoopwaarde). In feite wordt daarmee de in het verleden te onrechte genoten aftrek teruggedraaid. Daarnaast wordt de verzekeringnemer op grond van artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bij een afkoop in beginsel 20% revisierente verschuldigd om het rentenadeel van de Belastingdienst als gevolg van het belastinguitstel dat samenhangt met de in het verleden onterecht verleende aftrek te compenseren.
4.2.
In onderhavige zaak is gesteld noch gebleken dat de lijfrente in 2018 op initiatief van de verzekeraar zou zijn afgekocht. Dan resteert de situatie waarin belanghebbende als verzekeringnemer het recht heeft om de lijfrenteverzekering door de verzekeraar te doen afkopen.
4.3.
Belanghebbende stelt dat hij van dat recht op afkoop geen gebruik heeft gemaakt. Volgens hem heeft zijn ex-partner buiten zijn medeweten fraude heeft gepleegd door de verzekeraar te laten geloven dat belanghebbende van het recht op afkoop gebruik wilde maken. Belanghebbende heeft in de stukken en ter zitting toegelicht dat hij de aanslag IB/PVV 2018 niet begreep en dat hij toen is gaan graven. Hem werd pas in een laat stadium duidelijk wat er precies was gebeurd. Daarnaast berustten de verklaringen die zijn belastingadviseur, die pas na het echtscheidingstraject in beeld kwam, en hijzelf tot en met begin oktober 2022 tegenover de Inspecteur hebben afgelegd op een misverstand, omdat zij de verkeerde polis voor ogen hadden. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij lange tijd dacht dat de discussie ging over een polis die was gekoppeld aan de hypotheek van de oude echtelijke woning en dat daarover was afgesproken dat die polis zou overgaan naar de ex-partner, terwijl de lijfrente zijn eigen pensioenpotje betreft waarover tussen de ex-partner en hem nooit discussie is geweest dat die bij hem hoorde. Dit misverstand werd pas duidelijk toen zijn financieel adviseur, die betrokken was bij de echtscheiding, hem daarop wees. Eerst toen begreep hij, zo stelt belanghebbende, dat het een polis betrof die aan hem toebehoorde en niet door hem was afgekocht.
4.4.
Belanghebbende heeft over de gang van zaken bij de lijfrente verklaard dat zijn ex-partner na de echtscheiding de verzekeraar buiten zijn medeweten adreswijzigingen heeft gestuurd, en dat de ex-partner de post die de verzekeraar vervolgens naar hem stuurde op die gewijzigde adressen voor hem achterhield, zodat die post hem niet bereikte. De fraude kwam aan het licht na een onderzoek van de verzekeraar, nadat hij bewijs had geleverd dat hij na de echtscheiding een nieuwe handtekening is gaan gebruiken. De verzekeraar heeft geconcludeerd dat in 2018 ten onrechte tot uitkering is overgegaan, de ex-partner heeft de verzekeraar nadien terugbetaald en de lijfrente is vervolgens hersteld. De verzekeraar heeft ook verklaard dat zijn handtekening niet staat op het verzoek tot uitbetaling van het afkoopbedrag aan de ex-partner en dat de verzekeraar misleid is. Belanghebbende heeft verklaard dat hij een strafrechtelijke aangifte uiteindelijk niet heeft doorgezet in verband met de omstandigheid dat hij en zijn ex-partner gezamenlijk kinderen hebben.
4.5.
De Inspecteur heeft de door belanghebbende hiervoor in 4.3 en 4.4 in tweede instantie geschetste gang van zaken als niet geloofwaardig betwist en heeft erop gewezen dat hetgeen in eerste instantie tot en met begin oktober 2022 door belanghebbende en zijn adviseur is verklaard, waarbij steeds het juiste polisnummer is vermeld, in overeenstemming is met het door de verzekeraar verstrekte renseignement. De lijfrente is volgens de Inspecteur afgekocht in 2018 en die afkoop is terecht bij belanghebbende belast. Daarnaast is terecht revisierente in rekening gebracht. De gestelde fraude acht de Inspecteur ongeloofwaardig, alleen al vanwege de e-mail van 4 augustus 2020 die de verzekeraar naar belanghebbende heeft gestuurd over het verzoek tot afkoop en waarop belanghebbende niet heeft gereageerd. De Inspecteur betwijfelt bij gebrek aan aanvullende stukken of het herstel van de polis door de verzekeraar wel heeft plaatsgevonden, en als dit al het geval is, is niet duidelijk onder welke voorwaarden dat is gebeurd.
4.6.
Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende de verzekeraar in 2018 niet heeft gevraagd om de lijfrente te doen afkopen. Daarbij heeft het Hof van belang geacht dat belanghebbende geloofwaardig heeft verklaard dat hij een leek is op het gebied van financiële producten en dat zijn belastingadviseur -die pas na afronding van de echtscheiding in beeld kwam - en hij lange tijd in de veronderstelling waren dat de discussie met de Inspecteur ging over een andere polis en dat dat de reden is voor de onjuiste verklaringen die zij tot en met begin oktober 2022 bij de Inspecteur hebben afgelegd over de lijfrente. Toen uiteindelijk duidelijk werd dat zij op het verkeerde spoor zaten, hebben zij de verzekeraar verzocht een fraudeonderzoek uit te voeren. Het Hof heeft tevens van belang geacht dat de brief van de verzekeraar van 18 april 2018 over de fiscale gevolgen van de afkoop van de lijfrente (zie 2.7) weliswaar was gericht aan belanghebbende, maar enkel het adres [adres1] in [woonplaats] vermeldt. Het Hof acht aannemelijk dat dat het adres van de ex-partner betrof, waar belanghebbende niet woonachtig was. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2018 het adres [adres2] in [woonplaats] vermeld als eigen woning en de correspondentie van de Inspecteur is in de jaren 2018 en 2019 ook aan dat laatste adres verstuurd. Het Hof acht voorts aannemelijk dat de ex-partner de brief van de verzekeraar van 18 april 2018 niet heeft doorgestuurd naar belanghebbende, zodat belanghebbende in 2018 niet met inhoud daarvan bekend was. De verzekeraar heeft op 20 maart 2023 naar aanleiding van het fraude-onderzoek aan belanghebbende bevestigd dat belanghebbende het verzoek om uitbetaling van de lijfrente niet zelf heeft ondertekend, dat zij is misleid en dat zij bereid is tot herstel van de polis (zie 2.21). Dat de ex-partner het van de verzekeraar ontvangen bedrag heeft terugbetaald verhoogt de geloofwaardigheid van de latere verklaring van belanghebbende, evenals het bericht van de verzekeraar van 22 november 2023 dat de polis is hersteld (zie 2.23). Het feit dat de Inspecteur in de correspondentie met (de belastingadviseur van) belanghebbende het juiste polisnummer heeft vermeld, is onvoldoende om de verklaringen van belanghebbende omtrent de fraude ongeloofwaardig te achten.
4.7.
Nu de verzekeraar de lijfrenteverzekering niet op eigen initiatief heeft afgekocht en voorts alleen belanghebbende, als verzekeringnemer, het recht had om de lijfrenteverzekering door de verzekeraar te doen afkopen, leidt het voorgaande het Hof tot het oordeel dat de lijfrente in 2018 niet is afgekocht. De stelling van de Inspecteur, inhoudende dat een polis ook is afgekocht in de zin van artikel 3.133 Wet IB 2001, indien een verzekeraar - zonder dat de verzekeringnemer hiervan op de hoogte is - door fraude wordt bewogen daadwerkelijk tot afkoop en uitbetaling van de afkoopsom over te gaan, vindt geen steun in het recht. Dat betekent dat de Inspecteur ten onrechte een afkoopwaarde voor die polis tot het inkomen uit werk en woning van belanghebbende heeft gerekend, zodat de aanslag IB/PVV 2018 met de afkoopwaarde moet worden verminderd, en dat de Inspecteur ten onrechte revisierente in rekening heeft gebracht.
4.8.
Belanghebbende heeft tegen de in rekening gebracht belastingrente geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre gegrond voor zover de belastingrente de in 4.7 bedoelde vermindering van de aanslag betreft.
Schadevergoeding
4.9.
Belanghebbende heeft aangegeven dat hij veel kosten heeft moeten maken, terwijl alles buiten zijn schuld om is verlopen en heeft om een veroordeling in kosten gevraagd van in totaal € 5.174,58, bestaande uit betaalde herstelkosten van € 3.250, wettelijke rente daarover van € 903,13, een nota fiscale advisering van € 508,20 en een nota administratief onderzoek van € 531,25.
4.10.
Voor zover belanghebbende met zijn verzoek aanspraak bedoelt te maken op vergoeding van schade op de voet van – het krachtens overgangsrecht in deze zaak nog van toepassing zijnde – artikel 8:73 Awb Pro, wijst het Hof dat verzoek af. De op grond van die bepaling toe te kennen schadevergoeding heeft betrekking op alle schade die een partij als gevolg van een door de inspecteur onrechtmatig genomen besluit heeft geleden en waarvoor wordt voldaan aan de vereisten voor de toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 6:162 BW Pro. [2]
4.11.
Belanghebbende heeft onvoldoende onderbouwd dat hiervan sprake is. Dat de Inspecteur naar aanleiding van de renseignering van een afkoop door de verzekeraar en de (onjuiste) verklaringen van de zijde van belanghebbende tot en met begin oktober 2022 een afkoop heeft verwerkt in de aanslag IB/PVV 2018 en daaraan nadien heeft vastgehouden, valt naar het oordeel van het Hof niet aan te merken als onrechtmatig handelen door de Inspecteur. De kosten die belanghebbende stelt te hebben gemaakt voor administratief onderzoek zijn niet nader onderbouwd, maar het Hof acht aannemelijk dat deze samenhangen met het onderzoek naar de fraude, hetgeen geen verband houdt met onrechtmatig handelen door de Inspecteur. Ook voor de overige gestelde schade heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een causaal verband met onrechtmatig handelen door de Inspecteur.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond en is er geen aanleiding voor het toekennen van een schadevergoeding.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
5.2.
Belanghebbende komt in aanmerking voor een vergoeding van de reiskosten die hij in verband met het bijwonen van de zittingen in beroep en hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof bepaalt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht op tweemaal € 45 (openbaar vervoer, tweede klas), derhalve op € 90. Voor het overige is niet gebleken dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,
– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,
– verklaart het bezwaar gegrond,
– vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 122.656,
– vermindert de belastingrente dienovereenkomstig,
– vernietigt de beschikking revisierente,
– wijst het verzoek om schadevergoeding af,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 90, en
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. A.J. van Lint, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.H. Riethorst) (M.M. Breij)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 7:978, lid 1, BW.
2.Hoge Raad 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:836.