ECLI:NL:GHARL:2026:1668

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
21-001040-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 47 SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen van mishandeling met taakstraf en hechtenis

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van mishandeling op 23 november 2024 te [plaatsnaam]. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter om redenen van doelmatigheid en deed opnieuw recht. De mishandeling bestond uit meerdere slagen en stompen tegen het gezicht, hoofd en lichaam van het slachtoffer.

Het bewijs bestond uit de aangifte van het slachtoffer, die consistent en betrouwbaar werd bevonden ondanks enkele ondergeschikte verschillen in verklaringen. Steunbewijs werd geleverd door verklaringen van twee getuigen die het letsel en de situatie rondom het incident bevestigden, alsmede door proces-verbalen van politieonderzoek met bloedsporen en letselwaarnemingen.

De verdediging ontkende aanwezigheid en betrokkenheid, maar dit werd door het hof verworpen. De verdachte werd strafbaar geacht voor medeplegen van mishandeling. Gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het plaatsvond en de persoonlijke situatie van de verdachte, legde het hof een taakstraf van 100 uur op, vervangbaar door 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 47 en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof achtte de opgelegde straf passend en in lijn met vergelijkbare zaken en de geldende oriëntatiepunten voor straftoemeting.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor medeplegen van mishandeling tot 100 uur taakstraf, vervangbaar door 50 dagen hechtenis.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001040-25
Uitspraakdatum: 17 maart 2026
Tegenspraak
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 20 februari 2025 met het parketnummer 16-376962-24 in de strafzaak van de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende te [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hierboven genoemde vonnis van de politierechter.

Het onderzoek van de zaak

Het gerechtshof heeft bij de beslissing betrokken wat is besproken op de zitting van het gerechtshof van 3 maart 2026 en op de zitting bij de politierechter.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de politierechter zal bevestigen.
Verder heeft het gerechtshof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.J. Teeuwen, hebben aangevoerd op de zitting van het gerechtshof.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hoger beroep is gericht tegen het hierboven genoemde vonnis van de politierechter.
In dat vonnis heeft de politierechter de verdachte voor het medeplegen van mishandeling veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.
Het gerechtshof vernietigt dat vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 november 2024 te [plaatsnaam] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] één of meerdere malen in het gezicht/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan/stompen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging en bewijsmiddelen

De verdachte heeft ook in hoger beroep ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mishandeling van [benadeelde partij] . Méér in het bijzonder heeft hij aangevoerd dat hij niet aanwezig is geweest op de plaats van het delict. In het verlengde hiervan heeft de raadsvrouw van de verdachte vrijspraak bepleit.
Hetgeen door de verdachte en de verdediging is aangevoerd wordt weerlegd door de hieronder opgenomen bewijsoverweging en bewijsmiddelen. Het gerechtshof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen en acht de ontkenning van de verdachte ongeloofwaardig. Het gerechtshof baseert deze beslissing op het volgende.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever [benadeelde partij]
heeft in de ochtend van 24 november 2024 aangifte gedaan van mishandeling door de verdachte en door anderen. Die mishandeling is volgens hem gepleegd op de avond van 23 november 2024. [benadeelde partij] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij wil dat er onderzoek zal worden ingesteld naar wat er is gebeurd en dat hij strafvervolging van de verdachte wenst. [benadeelde partij] is een jaar later, op 24 november 2025, als getuige gehoord over zijn aangifte bij de raadsheer-commissaris. In dat verhoor heeft hij onder meer verklaard dat hij bij de politie in zijn aangifte naar waarheid heeft verklaard over de rol en betrokkenheid van de verdachte bij de mishandeling waarvan hij aangifte heeft gedaan.
Het gerechtshof overweegt dat een verklaring dient te worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. In het algemeen maakt de enkele omstandigheid dat in een verklaring op onderdelen tegenstrijdigheden voorkomen, deze verklaring op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop die verklaringen zijn afgelegd. De verklaringen die aangever [benadeelde partij] heeft afgelegd in zijn aangifte en in zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris komen in hoofdlijn met elkaar overeen. De op ondergeschikte onderdelen voorkomende verschillen in die verklaringen maken dit niet anders en vormen geen aanleiding te veronderstellen dat aangever [benadeelde partij] niet naar waarheid heeft verklaard.
Van belang hierbij is onder meer dat de aangifte niet zo maar uit de lucht is komen vallen. Uit de context die aangever heeft gegeven volgt dat sprake is van een al langer spelend conflict, met ruzies, over de afhandeling van de scheiding van aangever van de zus van de verdachte. Dit heeft er voor gezorgd dat de goede band tussen [benadeelde partij] en de verdachte over was. [1]
Verder heeft aangever naar het oordeel van het gerechtshof in het verhoor bij de raadsheer-commissaris een plausibele, betrouwbare verklaring gegeven op de vraag waarom hij aanvankelijk, op de avond van 23 november 2024 - toen de politie bij hem thuis is geweest naar aanleiding van een melding aan de politie over een ruzie op straat - niet aan de politie heeft verteld wie de persoon is geweest die bij hem heeft aangebeld en hem vervolgens heeft mishandeld. [2] Illustratief is in dit verband dat de verdachte bij de mishandeling zijn telefoon kwijtgeraakt is en dat hij op de avond van 23 november 2024 - op het moment dat de politie nog bij hem thuis is naar aanleiding van de melding over een ruzie op straat - op gedempte toon tegen zijn ex-vrouw heeft gezegd: "Die telefoon wil ik terug". [3] Dit laatste duidt er naar het oordeel van het gerechtshof op dat [benadeelde partij] en zijn ex-vrouw moeten hebben geweten wie hem heeft mishandeld.
Van belang is verder dat onderdelen van de verklaringen van aangever terug te vinden zijn in de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] .
[getuige 1] [4]
De getuige [getuige 1] (de buurman, zoals bedoeld in de hieronder opgenomen bewijsmiddelen 1 en 3) heeft op 25 november 2024 verklaard dat hij in zijn woning ( [adres] te [plaatsnaam] ) was op 23 november en dat hij hoorde dat iemand aanbelde.
Hij opende de deur en zag dat er een man voor zijn voordeur stond die hij herkende als de man van zijn buurvrouw, woonachtig op [adres] . Hij zag dat die man erg aan het trillen was, gewond was, een kapot t-shirt aan had en dat hij op zijn sokken voor zijn deur
stond. Hij zag dat behoorlijk veel bloed over het gezicht van die man liep, dat hij een flinke wond op zijn voorhoofd aan de linkerkant van zijn gezicht had en dat hij een wond onder zijn rechteroog had. [getuige 1] heeft verder verklaard dat hij die man een pleister op de wond onder zijn oog heeft geplakt en zijn voorhoofd rondom heeft ingewikkeld met verband en dat hij de man hoorde zeggen dat hij in elkaar geslagen was door een paar jongens.
[getuige 2] [5]
[getuige 2] heeft verklaard dat zij op 23 november 2024 op de [adres] te [plaatsnaam] was en dat zij even voor 20:30 uur buiten aan het roken was en toen een vrouwenstem iets hoorde roepen als: ' Doe nou niet'. Kort daarna zag zij een man met een ontbloot bovenlichaam op de weg lopen ter hoogte van [huisnummer] . Deze man liep achteruit en er liepen drie of vier mannen achter hem aan. Achter die mannen liep een vrouw die op een paar meter afstand van de mannen liep. Naar het idee van [getuige 2] riep die vrouw naar de mannen die de andere man volgden. De man bleef achteruit lopen, met zijn gezicht gericht op het groepje mannen.
De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren weliswaar niet over de kern van de tenlastelegging - de rol en betrokkenheid van de verdachte bij de mishandeling van [benadeelde partij] - maar vormen wél een relevante bevestiging van hetgeen [benadeelde partij] overigens heeft verklaard, namelijk over hetgeen er buiten op straat en bij de woning van de getuige [getuige 1] is gebeurd, direct volgend op de mishandeling.
De verdediging heeft aangevoerd dat [benadeelde partij] bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat de buren van [benadeelde partij] de verdachte kenden.
Anders dan de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd, is de getuige [getuige 2] geen buur die de verdachte zou moeten (kunnen) kennen. [getuige 2] woont helemaal niet in [plaatsnaam] , maar in [plaatsnaam] . [getuige 2] was blijkens haar verklaring op de bewuste dag op bezoek bij vrienden die een zwembad aan de [straatnaam] in [plaatsnaam] hadden afgehuurd voor een Pietenfeestje.
Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is evenmin aannemelijk geworden dat de getuige [getuige 1] de verdachte zou moeten (kunnen) kennen. Het gerechtshof overweegt hierbij dat [getuige 1] niet direct naast of direct in de buurt van [benadeelde partij] woont, maar een stuk verderop in de straat; méér in het bijzonder: 10 huizen verderop, blijkens de huisnummering.
De verdediging heeft de betrouwbaarheid van [benadeelde partij] onder meer betwist door te wijzen op een passage in het verhoor bij de raadsheer-commissaris, waarin [benadeelde partij] heeft verklaard dat hij niet wil dat de verdachte vervolgd en gestraft zal worden.
De desbetreffende passage luidt - in zijn geheel (en dat is relevant) - als volgt:
“ Ik zou eigenlijk graag willen dat de verdachte helemaal niet gestraft wordt voor dit incident. Wij waren heel lang eigenlijk familie, nu zijn we een jaar later en weet ik meer. Ik weet nu dat mijn ex de oorzaak is van al deze gebeurtenissen.
Hij dacht dat hij voor zijn zus moest opkomen(onderstreping gerechtshof), maar dat was helemaal niet waar. Ik begrijp dat wel. Ik heb hier niet met hem over gesproken maar ik wil eigenlijk dat hij niet gestraft wordt.”.
Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, doet de inhoud van deze passage - bezien als geheel en niet slechts een onderdeel daarvan - naar het oordeel van het gerechtshof in het geheel niet af aan de betrouwbaarheid van de aangifte en van de verklaring van [benadeelde partij] bij de raadsheer-commissaris. Integendeel: [benadeelde partij] heeft hierin andermaal bevestigd dat de verdachte in de mishandeling een rol en betrokkenheid heeft gehad.
Op grond van het bovenstaande acht het gerechtshof de aangifte van [benadeelde partij] betrouwbaar.
Steunbewijs
Steunbewijs voor de aangifte is daarnaast aanwezig, in de vorm van de hieronder opgenomen bewijsmiddelen 2 en 3. Twee verbalisanten die ter plaatse zijn gekomen na het incident waarvan aangifte is gedaan hebben diverse bloedsporen aangetroffen in de woning van aangever en hebben letsel van aangever waargenomen. Die aangetroffen bloedsporen en dat waargenomen letsel van aangever passen bij het verhaal van aangever.
De bewijsmiddelen
De door het gerechtshof gehanteerde bewijsmiddelen zijn:
1.
Een proces-verbaal van aangifte, op ambtsbelofte opgemaakt op 24 november 2024 door [verbalisant] , inspecteur van de politie eenheid Midden-Nederland, opgenomen in de pagina’s 11 tot en met 17 van een dossier van de politie eenheid Midden-Nederland met het kenmerk
PL0900-2024373320 en sluitingsdatum 28 november 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als relaas van de verbalisant:
Omschrijving aangifte
Feit: eenvoudige mishandeling.
Plaats delict: [adres] , [plaatsnaam] .
Pleegdatum/tijd: tussen zaterdag 23 november 2024 om 20:00 uur en zaterdag 23 november 2024 om 20:30 uur.
als verklaring van [benadeelde partij] :
Ik doe aangifte van mishandeling. Ik doe deze aangifte tegen [verdachte] (het gerechtshof begrijpt: [verdachte] ) [verdachte] , de broer van mijn ex-vriendin, [betrokkene] .
Er loopt al anderhalf jaar discussie over de afhandeling van onze scheiding en deze afhandeling sleept maar voort. Ook zijn er nog steeds met regelmaat ruzies en is [betrokkene] onredelijk naar mij. Gisteren is een dergelijke ruzie ontzettend geëscaleerd.
Ik kreeg weer woorden met [betrokkene] .
Ik ben vervolgens naar boven gegaan en daar hoorde ik dat [betrokkene] een telefoongesprek
voerde. Ik heb delen van het gesprek kunnen horen en ik hoorde dat zij zei "Hij gaat alles in huis slopen" en meer van dergelijke dingen.
Ik zag dat [verdachte] (het gerechtshof begrijpt: [verdachte] ) voor de deur stond en ik dacht dat hij was gekomen om te praten over wat er daarvoor gebeurd was. Ik deed de deur open en direct begon [verdachte] (het gerechtshof begrijpt: [verdachte] ) op mij in te slaan met zijn vuisten tegen mijn gezicht. Hij duwde de deur verder open en ik zag dat hij niet alleen was. Ik zag dat aan weerszijden van de deur, dus aan de straatkant, nog drie tot vier mannen stonden.
Door de klappen ben ik op de grond gevallen. Links naast de voordeur, gezien vanaf de
binnenzijde van de woning. Ik kreeg al vier a vijf klappen bij de deur en zeker nog vier a vijf klappen tegen mij hoofd toen ik op de grond lag. Deze klappen heb ik dus allemaal
gehad van [verdachte] (het gerechtshof begrijpt: [verdachte] ). Het letsel wat u ziet aan de linker bovenzijde van mijn hoofd komt dus door de klappen die ik heb gekregen van [verdachte] (het gerechtshof begrijpt: [verdachte] ).
Ik heb [verdachte] (het gerechtshof begrijpt: [verdachte] ) om zijn nek gepakt en heb mijn benen om hem heen geslagen met als doel hem dicht bij mij te kunnen houden zodat hij mij niet meer kon slaan. Ik voelde op dat moment dat de andere mannen die erbij waren mijn benen pakten en aan mij begonnen te trekken. Op enig moment is het mij gelukt om op te staan en op dat moment heb ik twee klappen terug kunnen geven aan [verdachte] (het gerechtshof begrijpt: [verdachte] ). Ik heb hem in zijn gezicht geraakt.
Ik voelde dat de andere mannen mij vast pakten en dat ik van alle kanten klappen kreeg.
Ik sloeg met mijn hoofd tegen de deur van het toilet aan die in de hal aanwezig is en voelde over mijn hele lichaam dat ik van alle kanten geslagen werd.
Ik weet dat de andere mannen allemaal donkere kleding droegen, capuchons op hadden en allemaal een donkere huidskleur hadden.
Uiteindelijk lukte het mij om naar buiten te gaan. Door de schermutseling was mijn
t-shirt gescheurd en liep ik met ontbloot bovenlijf buiten. Ik zag dat [verdachte] (het gerechtshof begrijpt: [verdachte] ) achter mij aan liep samen met de andere jongens. Ik besloot achteruit te blijven lopen om een aanval te kunnen stoppen.
Op deze wijze heb ik zeker dertig tot veertig meter achteruit gelopen tot aan de laatste woning. Ik ben achter een muurtje gaan staan en heb vervolgens aangebeld bij de buurman op de hoek daar. Daar ben ik door de buurman opgevangen en hij heeft mijn hoofd verbonden en mij een kleedje gegeven voor de kou.
Bij deze buurman is ook de politie geweest.
Toen ik eenmaal buiten was zag ik dat [betrokkene] ook naar buiten was gekomen en achter haar broer aan liep.
Ik wens strafvervolging van [verdachte] (het gerechtshof begrijpt: [verdachte] ).
2.
Een proces-verbaal van bevindingen, op ambtsbelofte opgemaakt op 24 november 2024 door [verbalisant] , brigadier van de politie eenheid Midden-Nederland, opgenomen in de pagina’s 36 tot en met 39 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als relaas van de verbalisant:
Op zaterdag 23 november 2024 was ik omstreeks 20.43 uur ter plaatse op de [straatnaam] te [plaatsnaam] . Ik was naar de voordeur van [huisnummer] gelopen en ik zag een handafdruk met vermoedelijk bloed op de voordeur. Ik zag meerdere bloedspetters op de grond. Ik had het vermoeden dat het bloed vers was, omdat alles nog vochtig was.
Ik keek in de hal en zag meerdere bloedspetters op de muren van de hal. Op een aantal deuren in de hal zag ik vegen met bloed.
In de woonkamer, hal en berging direct naast de ingang trof ik meerdere bloedspetters aan op de grond. In de berging lagen ook meerdere plasjes met bloed. Ik zag dat de plasjes bloed ongeveer een grootte hadden van 10 bij 5 centimeter.
Ik zag dat [benadeelde partij] (het gerechtshof begrijpt: [benadeelde partij] ) zijn gezicht bebloed was en dat hij een verband om zijn voorhoofd had. Ik zag dat [benadeelde partij] een bloeduitstorting en blauwe plek rondom zijn rechteroog had. Collega [verbalisant] ging in gesprek met [benadeelde partij] .
Ik hoorde dat collega [verbalisant] tegen mij zei: “Hij heeft fors letsel op zijn hoofd. Hij heeft meerdere sneeën op zijn hoofd en die moeten waarschijnlijk allemaal gehecht worden.
Hij geeft aan dat hij door meerdere personen is aangevallen".
3.
Een proces-verbaal van bevindingen, op ambtsbelofte opgemaakt op 24 november 2024 door [verbalisant] , hoofdagent van de politie eenheid Midden-Nederland, opgenomen in de pagina’s 49 tot en met 53 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als relaas van de verbalisant:
Op zaterdag 23 november 2024 kreeg ik de opdracht te gaan naar de [adres] in [plaatsnaam] . Daar zou op straat een ruzie gaande zijn. Omstreeks 20.43 uur kwam ik ter plaatse op het eerdergenoemde adres.
Ik zag dat collega [verbalisant] aanbelde bij [adres] . Ik hoorde [verbalisant] zeggen dat hij bloed op de voordeur zag zitten. Kort hierna zag ik dat de deur werd geopend.
Ik zag dat er bloedvegen op de deur zaten. Ik kon in de hal van de woning kijken. Ik zag dat in de hal op meerdere plaatsen bloedspatten zaten.
Ik zag op de wc deur rode vegen zitten. Ik zag op de vloer in de hal een blauw vaatdoekje liggen. Ik zag dat er rode vlekken op dit doekje zaten. Ik zag op de muur links van de wc deur bloedspatten zitten. Ik zag dat de deur van de opslagruimte open stond. Ik liep de opslagruimte in. Ik zag bloedspatten op de muur aan de linkerzijde zaten. Ik zag dat er bloedspatten op de vloer in de opslagruimte lagen. Ik zag dat er een boodschappentas op zijn zijkant lag. Ik zag dat deze boodschappen gevuld was met lege blikjes. Ik zag dat er naast de boodschappentas blikjes lagen. Ik zag dat er bloed tussen deze blikjes lag. Ik zag dat er een blik, afkomstig van een stoffer en blik, naast de boodschappentas lag. Ik zag dat er meerdere druppels bloed op dit blik lagen. Ik ben weer terug de hal in gelopen. Ik zag dat naast de voordeur een schoen stond. Ik zag dat er meerdere bloedvlekken op deze schoen zaten.
Ik ben vanuit de hal de keuken ingelopen. Ik zag dat op de muur aan de rechterzijde
bloedspatten zaten.
Ik zag dat er een man, die later bleek te zijn [benadeelde partij] via de voordeur in kwam lopen. Ik zag dat [benadeelde partij] verband rond zijn hoofd droeg. Ik zag dat er van onder dit verband stralen opgedroogd bloed over zijn hoofd liepen. Ik zag dat hij onder zijn linkeroog een pleister droeg. Ik zag dat hij een ontbloot bovenlijf had. Ik zag dat er bloed op zijn torso zat. Ik zag dat de broek die hij droeg nat was. Ik zag dat zijn knokkels bebloed waren.
Ik vroeg [benadeelde partij] wat er gebeurd was. Ik hoorde hem toen, kort samengevat, het volgende verklaren:
"Vandaag had mijn vriendin mijn overleden moeder voor de zoveelste keer beledigd. Ik ben toen erg boos geworden. Omdat ik alles zelf heb opgebouwd hier besloot ik uit boosheid de keuken te gaan demonteren. Er werd toen aangebeld. Ik deed de deur open en zag dat er 5 mannen voor de deur stonden. Die mannen begonnen op mij in te slaan.
Ik heb eerst binnen klappen gehad. Hierna is het gevecht buiten verder gegaan.
Ik vroeg [benadeelde partij] of hij het verband van zijn hoofd wilde halen. Ik zag dat
[benadeelde partij] het verband van zijn hoofd haalde. Ik zag dat [benadeelde partij] drie sneeën in
zijn voorhoofd had. Ik zag dat het voorhoofd van [benadeelde partij] bebloed was.
Ik hoorde [benadeelde partij] zeggen dat hij tijdens de vechtpartij zijn telefoon was verloren.
Ik vroeg [benadeelde partij] wie zijn hoofd verbonden had. Ik hoorde hem zeggen dat een buurman dit gedaan had. [benadeelde partij] wees ons de woning gelegen aan de [adres] . Ik hoorde [benadeelde partij] zeggen dat deze buurman zijn hoofd verbonden had.
Ik heb toen aangebeld bij [adres] . Ik zag dat de deur werd opengedaan door een
man. Ik vroeg de man of hij het hoofd van [benadeelde partij] had verbonden. Ik hoorde de man
zeggen dat hij dit gedaan had.
Ik heb de telefoon van [benadeelde partij] niet aangetroffen. Ik hoorde [benadeelde partij] zeggen dat hij vermoedde dat de mannen die hem mishandelt hadden zijn telefoon hadden
meegenomen.
Ik hoorde collega [verbalisant] zeggen dat [betrokkene] de nacht elders zou gaan doorbrengen.
Ik zag dat [betrokkene] naar de eerste verdieping liep en kort hierna de woning verliet. Ik zag dat [betrokkene] hierbij langs [benadeelde partij] liep. Ik hoorde [benadeelde partij] toen op gedempte toon zeggen: "Die telefoon wil ik terug". Ik hoorde dat [betrokkene] iets terug zei tegen [benadeelde partij] . Ik kon niet verstaan wat zij tegen hem zei.
Op grond van de bovenstaande bewijsoverweging en bewijsmiddelen verwerpt het gerechtshof de bewijsverweren van de verdediging.

Bewezenverklaring

Het gerechtshof acht op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat:
hij op 23 november 2024 te [plaatsnaam] tezamen en in vereniging met anderen [benadeelde partij] heeft mishandeld, door die [benadeelde partij] meerdere malen in het gezicht, tegen het hoofd en tegen het lichaam te slaan en te stompen.
Het gerechtshof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit

Het bewezen verklaarde feit is strafbaar en levert op:
medeplegen van mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat de verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het gerechtshof rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van de verdachte.
Met betrekking tot de aard en de ernst van de bewezen verklaarde mishandeling heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
  • de omstandigheid dat de verdachte door het medeplegen van het bewezen verklaarde geweldsdelict in diens eigen woning een inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde partij] en hem mede pijn en letsel heeft toegebracht;
  • de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten (LOVS-oriëntatiepunten) voor de rechterlijke straftoemeting ter zake van het medeplegen van mishandeling.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
 de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van
2 februari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld ter zake van mishandeling. Wél is hij eerder veroordeeld ter zake van een ander geweldsdelict
- artikel 141 van Pro het Wetboek van Strafrecht -, zij het langer geleden (in 2001 en in 2009). Het gerechtshof kent daaraan geen bijzondere betekenis toe;
 de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek op de zitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof verder aansluiting gezocht bij de straffen die in gevallen vergelijkbaar met deze zaak - inclusief de weging van de persoonlijke omstandigheden - worden opgelegd.
Op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en vergelding acht het gerechtshof de oplegging van de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal geëiste taakstraf voor de duur van 100 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest, een passende bestraffing.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 47 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wetsartikelen zijn toegepast zoals deze golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. F. van der Maden en mr. A. Meester, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 maart 2026.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van aangifte, pagina 12 van een dossier van de politie eenheid Midden-Nederland met het kenmerk PL0900-2024373320 en sluitingsdatum 28 november 2024.
2.Pagina 8, onderaan, van dat verhoor.
3.Zie het hieronder opgenomen bewijsmiddel 2.
4.Proces-verbaal van verhoor getuige, opgenomen in pagina 21 van een dossier van de politie eenheid Midden-Nederland met het kenmerk PL0900-2024373320 en sluitingsdatum 28 november 2024.
5.Proces-verbaal van verhoor getuige, opgenomen in de pagina’s 24 en 25 van een dossier van de politie eenheid Midden-Nederland met het kenmerk PL0900-2024373320 en sluitingsdatum 28 november 2024.