ECLI:NL:GHARL:2026:1679

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
Wahv 200.359.241/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:21 AwbArt. 1:38 BWArt. 1:441 BWArt. 3, tweede lid, WahvArt. 57 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
Verwijzingen
17 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen verkeersboete wegens onnodig geluid met matiging sanctie en proceskostenvergoeding

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die zijn beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat hij onder bewind staat en geen machtiging van zijn bewindvoerder had overgelegd. Het hof oordeelde dat dit bevoegdheidsgebrek reparabel is en dat de betrokkene op grond van artikel 8:21, tweede lid, Awb zelf in het geding kan optreden indien hij tot redelijke waardering van zijn belangen in staat is.

De betrokkene werd gesanctioneerd met een boete van €400 wegens het veroorzaken van onnodig geluid met zijn motorvoertuig op 14 december 2021. Hij voerde aan dat er geen decibelmeting was verricht en dat hij geen onnodig geluid had veroorzaakt. Het hof stelde vast dat de verklaring van de ambtenaar voldoende bewijs leverde dat het geluid het normale niveau te boven ging en dat een decibelmeting niet vereist is.

Het hof matigde de sanctie op grond van een besluit van 22 december 2021 tot €250 en verder met 25% wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Tevens kende het hof een proceskostenvergoeding van €70,44 toe voor de reiskosten van de betrokkene. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het beroep tegen de officier van justitie werd gegrond verklaard.

Uitkomst: Het hof vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring, matigt de sanctie tot €187,50 en kent proceskostenvergoeding toe.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.359.241/01
CJIB-nummer
: 246343089
Uitspraak d.d.
: 18 maart 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 31 juli 2025, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. Daarbij is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid in daarop te reageren.
De zaak is behandeld op de zitting van 4 maart 2026. De betrokkene is verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [ naam 1].
De betrokkene heeft ter zitting gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene onder bewind staat en geen machtiging van zijn bewindvoerder is overgelegd, waaruit blijkt dat hij bevoegd is om beroep in te stellen tegen de beslissing van de officier van justitie.
2. De betrokkene is het niet eens met deze beslissing. Hij vindt het belachelijk dat hij afhankelijk is van zijn bewindvoerder om beroep te kunnen instellen tegen een verkeersboete. Hij is namelijk prima in staat om zichzelf te verdedigen.
3. In artikel 8:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat naar het oordeel van het hof in Mulderprocedures naar analogie dient te worden toegepast, is voor zover relevant bepaald dat natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, in het geding worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat deze personen zelf in het geding kunnen optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.
4. In artikel 1:38 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is voor zover relevant bepaald dat tijdens het bewind het beheer over de onder bewind staande goederen niet toekomt aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder en dat de rechthebbende slechts met medewerking van de bewindvoerder over de onder het bewind staande goederen kan beschikken. Voorts is in artikel 1:441 van Pro het BW bepaald dat de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt.
5. Gelet op de bovengenoemde artikelen had de betrokkene zich in de procedure bij de kantonrechter in beginsel moeten laten vertegenwoordigen door zijn bewindvoerder. Nu het beroep bij de kantonrechter niet door de bewindvoerder is ingesteld, maar door de betrokkene zelf, is sprake van een bevoegdheidsgebrek. Dit betreft echter een bevoegdheidsgebrek dat reparabel is en dat ook nog na afloop van de beroepstermijn kan worden hersteld (vgl. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3480). Hieruit volgt dat een onder bewind gestelde rechthebbende wel zelf een rechtsmiddel kan instellen, maar dat de bewindvoerder dit als formele partij dient te bekrachtigen, hetgeen ook nog kan na afloop van de beroepstermijn.
6. Uit het dossier blijkt niet dat de kantonrechter de bewindvoerder van de betrokkene in rechte heeft proberen te betrekken, door hem aan te schrijven of voor de zitting op te roepen om als formele procespartij de procedure over te nemen, dan wel het beroep te bekrachtigen. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen. Dit brengt mee dat de overige gronden van de betrokkene tegen die beslissing geen bespreking meer behoeven. Vervolgens zal het hof overgaan tot de beoordeling van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, waarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard.
7. In hoger beroep is de betrokkene ter zitting verschenen. Op grond van de behandeling ter zitting stelt het hof vast dat de betrokkene tot redelijke waardering van zijn belangen in staat kan worden geacht. De uitzonderingssituatie van artikel 8:21, tweede lid, van de Awb is dus van toepassing. Dit brengt mee dat de betrokkene in deze procedure zelf in het geding kan optreden.
8. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 400,- voor: “als bestuurder met een motorvoertuig of als brom- of snorfietser onnodig geluid veroorzaken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 december 2021 om 15:06 uur op de Sluyterslaan in Nieuwegein met het voertuig met het kenteken [kenteken].
9. De betrokkene voert aan dat hij niet onnodig geluid heeft gemaakt. Er is ook geen decibelmeting verricht.
10. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
11. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat betrokkene reed op de Sluyterslaan te Nieuwegein. Ik hoorde dat het voertuig heel erg veel geluid produceerde. Hierop heb ik betrokkene een volgteken gegeven en meegenomen naar de controleplaats. Collega verbalisant [naam 2] stelde hierop een onderzoek in aan het voertuig waar betrokkene op reed. Ik, verbalisant [naam 2], zag in de buddyseat een decibel-killer liggen. Ik zag dat deze decibel-killer in de uitlaat van het voertuig hoorde waar betrokkene op reed.”
12. Uit vaste rechtspraak van het hof volgt dat bij de beoordeling of sprake is van het veroorzaken van onnodig geluid in de zin van artikel 57 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, het normale, geaccepteerde, door dat motorvoertuig veroorzaakte geluid, als uitgangspunt wordt genomen.
13. Het hof ziet in hetgeen door de betrokkene is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat het voertuig waarop de betrokkene reed heel erg veel geluid produceerde. Hieruit leidt het hof af dat sprake was van geluid dat het normale, geaccepteerde, door dat voertuig veroorzaakte geluid te boven gaat. Op grond van die verklaring kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Dat er geen decibelmeting is verricht, doet hieraan niet aan af. Een dergelijk meting is niet vereist om de onderhavige gedraging te kunnen vaststellen.
14. Ingevolge artikel 1 van Pro het Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van de bijlage bij de Wahv en de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering geldt ingaande 1 maart 2022 voor gedragingen als deze een lager sanctiebedrag, namelijk € 250,-. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 28 maart 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:2330) zal het hof het bedrag van de aan de betrokkene opgelegde sanctie matigen tot dat bedrag.
15. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. De betrokkene is op 14 december 2021 staande gehouden en de procedure in eerste aanleg is geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van 31 juli 2025. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie verder matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
16. Het hof acht termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep
.Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 70,44 (Nieuwegein - Leeuwarden v.v.).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 187,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 70,44.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.