ECLI:NL:GHARL:2026:1689

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
21-002629-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 55 Wet wapens en munitieArt. 77a Wetboek van StrafrechtArt. 77g Wetboek van StrafrechtArt. 77h Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige voor wapenbezit op school tot werkstraf en jeugddetentie

Op 6 februari 2025 werd de minderjarige verdachte op een middelbare school in het bezit aangetroffen van een omgebouwd gas- of alarmpistool dat als vuurwapen kon worden gebruikt. De verdachte hield het wapen kort vast nadat een medeverdachte het hem overhandigde in een toilethokje. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelde hem tot een werkstraf van 10 uur, bij niet voldoen te vervangen door 5 dagen jeugddetentie.

In hoger beroep vernietigde het hof dit vonnis vanwege onvoldoende uitwerking van de bewijsmiddelen in eerste aanleg, maar verklaarde het bewezen dat de verdachte bewust en met feitelijke macht het vuurwapen voorhanden had. De verdediging voerde aan dat de verdachte niet wist dat het om een vuurwapen ging en dat de getuige het gesprek niet volledig kon verstaan, maar het hof verwierp dit verweer.

Het hof hield rekening met de ernst van het feit, de leeftijd van de verdachte, zijn onbesproken verleden en positieve persoonlijke omstandigheden. Gezien de korte duur van het wapenbezit en het feit dat het wapen niet door de verdachte zelf naar school was gebracht, legde het hof een werkstraf van 10 uur op, met een subsidiaire jeugddetentie van 5 dagen, waarbij de tijd in voorarrest in mindering werd gebracht. Het hof zag geen aanleiding tot toepassing van artikel 9a Sr.

De straf is gebaseerd op de Wet wapens en munitie en het Wetboek van Strafrecht. Het arrest is uitgesproken op 4 maart 2026 door het hof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot werkstraf van 10 uur, subsidiair 5 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002629-25
Uitspraakdatum: 4 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland (locatie Lelystad) van 22 mei 2025 met parketnummer 16-040283-25 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte, [verdachte] , heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 4 maart 2026 en wat er op de zitting bij de kinderrechter besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat [verdachte] en zijn raadsman, mr. Y. Habib, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De kinderrechter heeft bij vonnis van 22 mei 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, [verdachte] veroordeeld voor wapenbezit tot een werkstraf van 10 uren, bij niet voldoen te vervangen door 5 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest.
In het proces-verbaal van de zitting van de kinderrechter zijn de gebruikte bewijsmiddelen niet uitgewerkt. Hierdoor kan het hof het vonnis niet bevestigen. Het hof zal daarom het vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 6 februari 2025 te [plaats] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een naar scherp schietend omgebouwd (gas en/of alarm) pistool, van het merk Blow, model TR17, kaliber 9mm P.A.K., zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld voor wapenbezit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om [verdachte] vrij te spreken van wapenbezit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat getuige [getuige] niet het hele gesprek tussen [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 1] in het toilethokje heeft kunnen verstaan en hun stemmen door elkaar haalt. [verdachte] heeft steeds consistent verklaard. Hij heeft verklaard dat hij niet op voorhand wist dat [medeverdachte 1] een vuurwapen bij zich had en dat hij het vuurwapen ineens door [medeverdachte 1] in zijn handen gedrukt kreeg. Daarmee kunnen de voor wapenbezit vereiste bewustheid en beschikkingsmacht niet worden bewezen.
Oordeel van het hof
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
1. De verklaring van [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 22 mei 2025, inhoudende:
Er was een persoon die vroeg mij naar het toilet te komen. Hij zei dat hij iets zwaars in zijn zakken had. Hij drukte iets tegen mij aan. Het was iets zwaars. Hij ging het toilet in. Ik kwam er half in. Wat leek op een wapen legde de jongen in mijn handen. Hij haalde de lade (
het hof begrijpt: de slede) naar achteren. Hij deed het wapen weer in zijn zak. We zijn toen het toilet uitgegaan. Het klopt dat ik heb gezegd: ‘Laat zien dan’. Het zou kunnen dat ik heb gezegd: ‘Dat ding is kanker zwaar’ en ‘Is die echt?’.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 6 februari 2025, opgenomen op pagina 13 en volgende van het dossier van Politie Eenheid Midden-Nederland met nummer PL0900-2025038987 van 8 februari 2025, inhoudende als verklaring van [getuige] :
Op donderdag 6 februari 2025, omstreeks 11:00 uur, bevond ik mij in het herentoilet van het [scholengemeenschap] aan de [locatie] te [plaats] . Ik hoorde twee jongensstemmen vanuit de richting van de wasbakken. Ik hoorde dat een van de jongensstemmen zei: "Heb je het bij je?" En ik hoorde dat de andere jongensstem zei: "Ja, kom dan laat ik het je zien." Vervolgens hoorde ik dat stem 1 (
het hof leest: een van de jongensstemmen) uit de richting van het toilet naast mij kwam en hoorde dat hij zei: "Kom hier dan?" Ik hoorde dat stem 2 (
het hof leest: een van de jongensstemmen) zei: "Laat zien dan". Vervolgens hoorde ik ritselend geluid dat ik herkende als het geluid van een plastic tas. Ik hoorde dat stem 2 (
het hof leest: een van de jongensstemmen) zei: "Dat ding is kanker zwaar. Is die echt?" Vervolgens hoorde ik een geluid dat klonk alsof er metalen delen over elkaar heen schoven. Ik herkende dit geluid als het doorladen van een wapen. Ik had camerabeelden opgezocht van wanneer ik de toiletruimte binnen ging. Deze camera heeft zicht op de ingang van de toiletruimte vanuit de hal. Ik zag op deze beelden dat ik rond de pauze, die begint om 11:00 uur, zelf naar binnen ging. Op dit moment was er niemand in het toilet aanwezig. Vervolgens zag ik op de camerabeelden enkele minuten later twee jongens de toiletruimte binnengaan. De twee jongens herken ik in mijn hoedanigheid als [functie] als leerlingen van onze school. Een van deze jongens heet [verdachte] . De andere jongen heet [medeverdachte 1] . Ik zag dat buiten de twee bovengenoemde personen niemand anders de toiletruimte in was gegaan.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 7 februari 2025, opgenomen op pagina 30 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas:
Op 7 februari 2025 te 10:50 uur, heb ik een onderzoek naar camerabeelden van het [scholengemeenschap] ingesteld. Hierbij is door mij het volgende bevonden:
Op tijdstip 10:50:36 uur zie ik dat de [functie] van de school, [getuige] , de toiletten in gaat. Op tijdstip 10:53:31 uur zie ik dat NN1 het toilet in gaat.
Ik kan NN1 als volgt omschrijven:
- man;
- licht getinte huidskleur;
- donker kort haar;
- draagt een capuchon;
- zwarte schoenen;
- zwarte broek met witte letters op linker bovenbeen;
- zwarte glimmende gewatteerde jas;
- zwart(e) shirt of trui;
- wit oortje in linker oor.
Deze persoon blijkt later te zijn: [medeverdachte 1] .
Op tijdstip 10:53:32 uur zie ik dat NN2 het toilet in gaat. Ik kan NN2 als volgt omschrijven:
- man;
- licht getinte huidskleur;
- volle bos zwart haar;
- zwarte schoenen;
- zwarte broek;
- zwarte jas met grijze binnenvoering;
- zwart(e) shirt of trui;
- capuchon aan de jas.
Deze persoon blijkt later te zijn: [verdachte] (
het hof begrijpt: [verdachte] , verdachte).
Op tijdstip 10:55:01 uur zie ik dat NN1 en NN2 het toilet uitkomen. Op tijdstip 10:55:27 uur zie ik dat de [functie] het toilet uitkomt.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 6 februari 2025, opgenomen op pagina 20 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas:
Op donderdag 6 februari 2025 kwam ik ter plaatse bij het [scholengemeenschap] te [plaats] . Ik vroeg aan [naam] , de veiligheidscoördinator van de school, waar de leerlingen zaten die zij voor ons apart hadden gezet in een apart lokaal. Ik hoorde dat hij zei: "Die zitten naast de receptie, ik loop met je mee". Ik opende de deur naar de ruimte. Ik zag drie jongeren zitten. Ik zei tegen de jongens: "We hebben een melding gehad van een vuurwapen, ik wil dat iedereen zijn handen uit zijn zakken haalt en op tafel legt. Ik heb de jongeren één voor één gefouilleerd op grond van de Wet Wapen Munitie. Ik heb niks met betrekking tot deze casus aangetroffen bij de fouillering. De personen in de kamer gaven op te zijn:
- [medeverdachte 2] geboren op [geboortedag 2] 2008 te [plaats] ;
- [medeverdachte 1] geboren op [geboortedag 3] 2009 te [plaats] ;
- [verdachte] geboren op [geboortedag 1] 2009 te [plaats] .
Ik verliet de kamer met als doel om de leerlingen te scheiden in drie aparte ruimtes. Ik hoorde dat [naam] zei: ‘Deze jongen hoort er ook bij’. Ik zag dat hij wees naar een leerling die achter hem stond. Deze leerling had ik niet eerder gezien. Deze leerling bleek later te zijn: [medeverdachte 3] geboren [geboortedag 4] 2008 te [plaats] . Ik nam [medeverdachte 3] apart en zei dat hij zijn handen tegen de kast moest plaatsen en dat ik hem ging fouilleren op grond van de Wet wapens en munitie. Ik zag in de jaszak van [medeverdachte 3] een handvat. Ik herkende het handvat als zijnde het handvat van een vuurwapen. Ik heb met een handschoen het vuurwapen uit zijn jaszak gehaald. Ik voelde dat het voelde als een zwaar voorwerp dat een realistisch gewicht had voor een echt vuurwapen.
5. Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming van 6 februari 2025, opgenomen op pagina 103 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:
Inbeslagneming
Plaats : [locatie] , [plaats]
Datum en tijd : 6 februari 2025
Goednummer : PL0900-2025038987-3478690
Object : vuurwapen
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 12 maart 2025, opgenomen op pagina 1 en volgende van het dossier van Politie Eenheid Midden-Nederland met nummer PL0900-2025038987-56, inhoudende het relaas:
Naar aanleiding van het aangetroffen en in beslag genomen voorwerp is door mij op woensdag 12 maart 2025, in het kader van de Wet wapens en munitie, een nader onderzoek aan dit voorwerp ingesteld, waarbij het onderstaande werd bevonden.
Omschrijving voorwerp
Goednummer : PL0900-2025038987-3478690
Wapen : Vuurwapen, pistool
Categorie : III sub I
Bovengenoemd voorwerp, merk Blow, model TR17, van origine kaliber 9mm P.A.K. en voorzien van het wapennummer [nummer] . Dit merk en model pistolen wordt van fabriekswege geleverd als zowel gaspistolen als alarmpistolen. Bij dit voorwerp bleek de loop te zijn vervangen, waardoor dit pistool is voorzien van een volledig open loop. Hierdoor kunnen er projectielen door de loop worden verschoten. Dit pistool is gemaakt van metaal en kunststof en is zwart van kleur. Dit pistool is tevens voorzien van een verwisselbaar patroonmagazijn.
7. De eigen waarneming van het hof, gedaan ter terechtzitting van 4 maart 2026, inhoudende:
Op het geluidsfragment van 6 februari 2025 is te horen dat een jongen tegen een andere jongen zegt: ‘Wil je zien? Wil je ‘em zien?’, waarop de andere jongen ‘ja’ zegt. Daarna klinkt er geritsel en een klik van metalen delen die over elkaar schuiven. Vervolgens zegt de andere jongen: ‘Dat ding is kanker zwaar’.
Bewijsoverweging
Het hof stelt op basis van bovenstaande bewijsmiddelen vast dat [verdachte] op 6 februari 2025 op school wordt aangesproken door medeverdachte [medeverdachte 1] , die hem vraagt om mee te lopen naar het toilet. In het toilet zegt [medeverdachte 1] tegen [verdachte] dat hij iets zwaars in zijn zakken heeft en drukt iets tegen [verdachte] aan. Vervolgens gaan [medeverdachte 1] en [verdachte] samen een toilethokje binnen. [medeverdachte 1] vraagt vervolgens meerdere malen aan [verdachte] of ‘hij ‘em wil zien’. Nadat [verdachte] daarop instemmend reageert, geeft [medeverdachte 1] een vuurwapen aan [verdachte] . [verdachte] houdt het vuurwapen even vast en zegt: ‘Dat ding is kanker zwaar’. Vervolgens geeft hij het vuurwapen weer terug aan [medeverdachte 1] en lopen zij samen het toilet uit.
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie allereerst is vereist dat de verdachte een wapen bewust aanwezig heeft gehad. Die bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of tot de exacte locatie van dat wapen. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
[verdachte] heeft op de zitting in hoger beroep verklaard dat hij niet had verwacht dat hij van medeverdachte [medeverdachte 1] een vuurwapen in het toilethokje in handen zou krijgen. Het hof gaat daar echter niet in mee gelet op de context waarin een en ander is gebeurd. Immers, [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn samen een toilethokje binnengegaan. Daaruit leidt het hof af dat zij kennelijk uit het zicht van anderen wilden blijven. [verdachte] reageert niet verbaasd als [medeverdachte 1] aan hem vraagt of ‘hij ‘em wil zien’ en vraagt hij niet aan [medeverdachte 1] wat hij met ‘em’ bedoelt. Ook reageert [verdachte] niet verbaasd of geschrokken als hij het wapen in handen heeft. Gelet op deze omstandigheden is het hof, met de kinderrechter, van oordeel dat [verdachte] zich bewust was van de aanwezigheid van het vuurwapen. Ook is het hof van oordeel dat [verdachte] beschikkingsmacht over het vuurwapen heeft gehad, door het vuurwapen (kort) vast te houden en daarmee feitelijke macht over het vuurwapen heeft uitgeoefend.
Het hof verwerpt om die reden het verweer van de raadsman en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wapenbezit.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 6 februari 2025 te [plaats] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een naar scherp schietend omgebouwd (gas of alarm) pistool, van het merk Blow, model TRI 7, kaliber 9mm P.A.K., zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad.
Het hof spreekt [verdachte] vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van verdachte

[verdachte] is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat hij niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat [verdachte] , conform de beslissing van de kinderrechter, wordt veroordeeld tot een werkstraf van 10 uren, bij niet voldoen te vervangen door 5 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om, mede gelet op de lange tijd die [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht, toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en aan [verdachte] geen straf of maatregel op te leggen.
Oordeel van het hof
Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan in aanwezigheid van [verdachte] en zijn raadsman. De strafoplegging is, zakelijk weergegeven, als volgt mondeling gemotiveerd.
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte] .
[verdachte] heeft zich op vijftienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, door een vuurwapen voorhanden te hebben gehad op een middelbare school in [plaats] . Het behoeft geen betoog dat het voorhanden hebben van een dergelijk vuurwapen - helemaal op een school - een onaanvaardbaar risico oplevert voor de veiligheid van zichzelf en andere personen. Immers, het voorhanden hebben van een vuurwapen leidt niet zelden tot het gebruik ervan, met alle (dodelijke) gevolgen van dien. Om die reden dient streng te worden opgetreden tegen het voorhanden hebben van vuurwapens. Wel weegt het hof mee dat verdachte het vuurwapen niet zelf naar school heeft meegenomen en het vuurwapen - kennelijk vanuit een vorm van nieuwsgierigheid - slechts heel kort voorhanden heeft gehad. Hij heeft daarbij, waarschijnlijk vanuit zijn jeugdigheid, onvoldoende stilgestaan bij de ernst hiervan en ook bij de gevolgen die dit voor hemzelf zouden kunnen hebben.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van [verdachte] van 2 februari 2025. Daaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Verder heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] , zoals die blijken uit het dossier en op de zitting in hoger beroep door hem zelf en zijn raadsman naar voren zijn gebracht. Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 15 mei 2025 blijkt dat het goed gaat met [verdachte] . Hij zit in [klas] (inmiddels [klas] ) en haalt goede cijfers. Ook zijn er tot op heden geen meldingen over [verdachte] geweest over negatief gedrag op school. Verder hebben de ouders goed zicht op met wie [verdachte] omgaat. De kans op recidive wordt als laag ingeschat. De Raad adviseert aan [verdachte] een (geheel) voorwaardelijke werkstraf op te leggen.
Alles afwegende is het hof, met de kinderrechter en de advocaat-generaal, van oordeel dat oplegging van een werkstraf van 10 uren, bij niet voldoen te vervangen door 5 dagen jeugddetentie, een passende en noodzakelijke bestraffing is. [verdachte] heeft een inverzekeringstelling ondergaan voor de duur van 5 dagen. Dit wordt verrekend met de opgelegde werkstraf. Per saldo hoeft hij geen werkstraf meer te verrichten. Gelet op de ernst van het feit ziet het hof geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m en 77n van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
10 (tien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
5 (vijf) dagen jeugddetentie.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Kwakman, mr. H.J. Deuring en mr. A.J. Rietveld, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.J. Flach en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 4 maart 2026.