ECLI:NL:GHARL:2026:171
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling van de kosten van de huishouding en de onderbouwing van inkomsten
In deze zaak, behandeld door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gaat het om de vaststelling van de kosten van de huishouding na verwijzing door de Hoge Raad. De vrouw, appellante, heeft de onderbouwing van de man, geïntimeerde, betwist met betrekking tot de zwarte inkomsten die zij in de relevante jaren zou hebben ontvangen. De man heeft voldoende bewijs geleverd, waaronder gegevens uit de administratie van de vrouw, om zijn stellingen te onderbouwen. De vrouw heeft echter betwist dat een deel van de overgelegde stukken van haar afkomstig is en heeft bewijs aangeboden om deze stelling te onderbouwen. Dit leidde tot een verzoek van het hof om een handschrift deskundige in te schakelen. Echter, de vrouw heeft later aangegeven zich te berusten in het oordeel van het hof zonder dat een deskundigenbericht werd gevraagd.
Het hof concludeert dat de vrouw er niet in is geslaagd om de gemotiveerde stellingen van de man te ontkrachten. De rechtbank heeft op juiste gronden het inkomen van de vrouw vastgesteld, wat van belang is voor de bijdrage in de kosten van de huishouding. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank en stelt vast dat de kosten van de huishouding over de jaren 2016 en 2017 vaststaan. Daarnaast oordeelt het hof dat de proceskosten worden gecompenseerd, zodat elke partij zijn eigen kosten draagt. Dit arrest is gewezen op 13 januari 2026.